← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:27517

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.43028 (beroep) en NL25.43029 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (gemachtigde: mr. A. Jankie), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 september 2025 niet in behandeling genomen omdat IJsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Beoordeling door de rechtbank Geen zitting
  2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit. Waar gaat deze zaak over?
  3. Eiser stelt de Somalische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 2003 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat IJsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. Wat vindt eiser in beroep?
  4. Eiser stelt dat IJsland zich niet aan de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn houdt. Eiser heeft er geen vertrouwen in dat hij in IJsland kan rekenen op zorgvuldige rechtsgang of toegang tot de asielprocedure ondanks het claimakkoord. De asielprocedure en de opvangvoorzieningen bevatten systeemfouten die in strijd zijn met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Eisers asielaanvraag is in IJsland afgewezen. Eiser zal worden teruggestuurd naar Somalië. Hij vreest voor Al Shabaab. Eiser heeft ervaren dat in IJsland een gesloten gemeenschap is waar hij werd gediscrimineerd. Klagen heeft geen nut. Wat is het oordeel van de rechtbank? Interstatelijk vertrouwensbeginsel
  5. De rechtbank stelt vast dat verweerder ten opzichte van IJsland in zijn algemeenheid mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan IJsland een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de gegevens in de zaak. 5.
  6. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat in IJsland sprake is van ernstige aan het systeem gerelateerde tekortkomingen op grond waarvan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De stelling dat juist vanwege de systeemfouten er geen instanties zijn die kunnen of willen bevestigen dat deze systeemfouten bestaan, is niet geconcretiseerd, niet aannemelijk en daarom onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Met het accepteren van het terugnameverzoek heeft IJsland gegarandeerd eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat de IJslandse autoriteiten het verzoek zorgvuldig zullen behandelen, dat eiser de mogelijkheid heeft om te worden bijgestaan door een professioneel rechtsbijstandverlener en dat hij tegen een eventuele afwijzing een effectief rechtsmiddel kan aanwenden. Dat eiser geen vertrouwen heeft in een zorgvuldige rechtsgang of toegang tot de asielprocedure in IJsland, is onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. Er mag in het algemeen van uitgegaan worden dat IJsland de verplichtingen zoals vastgelegd in de Kwalificatierichtlijn, de Opvangrichtlijn, de Procedurerichtlijn, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM naleeft. Eiser heeft niet (met stukken) onderbouwd dat IJsland zich niet aan deze internationale verplichtingen houdt. Dat in IJsland eerder een verzoek om internationale bescherming is afgewezen, maakt dit niet anders. Hieruit blijkt op zichzelf namelijk niet dat IJsland zich niet houdt aan zijn internationale verplichtingen of dat de asielprocedure anderszins tekortkomingen vertoont 5.
  7. Met betrekking tot eisers persoonlijke relaas overweegt de rechtbank het volgende. De stellingen dat in IJsland sprake is van een gesloten gemeenschap en dat eiser is gediscrimineerd en uitgescholden vanwege zijn huidskleur heeft eiser niet (met stukken) onderbouwd en zijn op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van een tekortkoming in het IJslandse asiel- en opvangsysteem. Daarbij mag van eiser worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen in de IJslandse asielprocedure, opvangvoorzieningen of anderszins, beklaagt bij de betreffende (hogere) autoriteiten. Eisers enkele stelling dat hij niet kan klagen omdat zijn klacht dan door een IJslander behandeld zou worden waardoor de klacht slechts zou neerkomen op een formaliteit en nutteloos zou zijn, is onvoldoende onderbouwd en kan ten opzichte van het voorgaande niet tot een andere conclusie leiden. Non-refoulement
  8. Ten opzichte van eisers stellingen dat hij na overdracht naar IJsland zal worden teruggestuurd naar Somalië en dat hij vreest voor Al Shabaab overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de uitspraken van het Hof van Justitie van 30 november 2023 en de Afdeling van 12 juni 2024 kan de rechtbank binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordelen of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders indien niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van het betreffende land. Dat is in dit geval, zoals hiervoor overwogen, niet aan de orde. Het bestreden besluit is zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd. Conclusie en gevolgen
  9. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
  10. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
  11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. ECLI:EU:C:2023:
  12. Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2024:
  13. Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.