← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:27559

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL25.60782 [V-Nummer] uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1988, van Somalische nationaliteit, verzoeker, (gemachtigde: mr. S.J. Koolen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘medische behandeling’. Deze aanvraag is bij besluit van 17 april 2024 afgewezen. Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 4 december 2025 is deze aanvraag opnieuw afgewezen. Ook heeft verweerder ambtshalve geweigerd om verzoeker uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vw. 1.
  2. Verzoeker heeft tegen het besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 1.
  3. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de voorzieningenrechter Ten aanzien van het griffierecht
  4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker is vrijgesteld van het betalen van griffierecht. Ten aanzien van het verzoek
  5. Op grond van artikel 8:81 van de Awb gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.
  6. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij gedurende de behandeling van zijn beroep het recht op de Rva-verstrekkingen behoudt. Hiermee bedoelt verzoeker onder andere dat zijn verblijf in de opvang wordt voortgezet. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoek daarom zo, dat verzoeker tijdens de behandeling van het beroep wenst te worden behandeld als ware artikel 64 van de Vw op hem van toepassing is. In dat geval bestaat recht op opvang en verstrekkingen op grond van de Rva. Spoedeisend belang
  7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevraagde voorziening. Verzoeker heeft immers op 10 december 2025 een brief ontvangen van het COA waarin staat dat zijn Rva-verstrekkingen per 22 december 2025 beëindigd zullen worden en hij de opvanglocatie van het COA dient te verlaten. Belangenafweging
  8. De voorzieningenrechter begrijpt uit de gronden van het verzoek dat het belang van verzoeker is gelegen in het feit dat hij bezig is met het verkrijgen van toegang tot een behandelplek in een kliniek voor de behandeling van zijn alcoholverslaving. Zoals ook uit het BMA-advies van 20 oktober 2025 blijkt is verzoeker recent opnieuw verwezen naar [bedrijf]. Wanneer verzoeker de opvanglocatie van het COA dient te verlaten raakt hij de plek op de wachtlijst bij de kliniek kwijt. De benodigde behandeling zou dan niet kunnen plaatsvinden. 6.
  9. De belangen aan de kant van de Nederlandse Staat zijn de voorzieningenrechter niet gebleken. Verweerder is gevraagd om een reactie te geven op de gronden van het verzoek, uiterlijk op 16 december
  10. Dit verzoek is geplaatst in het digitale dossier. Er is echter geen reactie ontvangen. Ook herhaaldelijke pogingen vanuit de griffie tot telefonisch contact met verweerder, om precies te zijn acht keer, hebben niet tot een reactie geleid. 6.
  11. Omdat een reactie van verweerder is uitgebleven en de voorzieningenrechter geen invulling heeft kunnen geven aan de belangen van verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van verzoeker gezien zijn medische situatie moeten prevaleren. Conclusie en gevolgen
  12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Dit betekent dat verzoeker dient te worden behandeld alsof hij zich nu feitelijk in dezelfde situatie bevindt als bedoeld in artikel 64 van de Vw. Dit betekent dat hij niet uit de opvanglocatie van het COA kan worden gezet tot op het beroep is beslist. Indien het beroep wordt ingetrokken of anderszins wordt beëindigd, zal deze voorlopige voorziening komen te vervallen.
  13. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 907,- omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend. Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; - bepaalt dat verzoeker moet worden behandeld alsof hij zich thans feitelijk in dezelfde situatie bevindt als bedoeld in artikel 64 van de Vw totdat op het beroep is beslist; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.B. Kingma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Vreemdelingenwet
  14. Algemene wet bestuursrecht. Regeling verstrekkingen asielzoekers. Dit volgt uit artikel 3, derde lid, aanhef en onder h, van de Rva 2005, onder verwijzing naar artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw. Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Bureau Medische Advisering.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.