RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 24/9367 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2025 in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser (gemachtigde: mr. J. Hemelaar), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder. Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen door verweerder en het beroep van eiser tegen het alsnog genomen besluit over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een visum kort verblijf. 1.
- Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 16 januari 2024 afgewezen. Op 3 juni 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar. Met het bestreden besluit van 11 juni 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft mr. [naam] als waarnemer van de gemachtigde van eiser deelgenomen. De gemachtigde van verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
- Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 22 december 2023 heeft eiser verzocht om de afgifte van een visum voor kort verblijf om zijn vriend [referent] (referent) te bezoeken.
- Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Daarnaast bestaat er redelijke twijfel over zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Met betrekking tot het voornemen van eiser om tijdig het grondgebied van de lidstaten te verlaten heeft verweerder overwogen dat eiser onvoldoende sociale en economische binding heeft met Marokko. Wat vindt eiser in beroep?
- Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser verzoekt om alles wat tot nu toe in de procedure is ingebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Het bestreden besluit is in strijd met de zorgvuldigheid en niet draagkrachtig gemotiveerd. Verweerder legt een onredelijk hoge bewijslast op bij de aanvraag voor een visum kort verblijf. Eiser heeft op meerdere momenten aanvullende bewijsstukken overgelegd om te bewijzen dat hij sociale en economische binding heeft met Marokko. Indien verweerder meer aanvullende stukken wilde, had hij dit moeten aangeven. Bovendien blijkt uit het feit dat verweerder in bezwaar een vragenlijst heeft gestuurd naar referent dat hij onvoldoende informatie had om een besluit te nemen en hierom kan het bezwaar niet kennelijk ongegrond worden verklaard. Ten slotte heeft verweerder de hoorplicht geschonden. Wat is het oordeel van de rechtbank? Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
- Voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep wordt het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat daarom beroep bij de rechtbank open. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is. 5.
- Eiser heeft verweerder met de brief van 17 mei 2024 in gebreke gesteld. Op 3 juni 2024 heeft hij beroep ingesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat op dat moment de beslistermijn was verstreken en de ingebrekestelling gelet daarop geldig was. 5.
- Nu verweerder op het bezwaar van eiser heeft beslist, is het belang van eiser bij een beoordeling van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen echter komen te vervallen. Het beroep voor zover het gericht is tegen het niet-tijdig beslissen, is daarom niet-ontvankelijk. 5.
- Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn door verweerder is overschreden en dat verweerder pas na deze overschrijding een besluit heeft genomen op het bezwaar van eiser. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep niet-tijdig beslissen. Het beroep tegen het alsnog genomen besluit
- Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft ook betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit besluit geheel aan het beroep tegemoet komt. Eiser kan zich niet verenigen met het alsnog genomen besluit, omdat verweerder niet volledig aan zijn beroep is tegemoetgekomen. Het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom van rechtswege ook gericht tegen het bestreden besluit.
- De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Herhaald en ingelast
- Eiser heeft verzocht alles wat tot nu toe in de procedure is ingebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eerder in de procedure is aangedragen kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om het besluit te vernietigen en gaat zij hierna in op de in beroep aangevoerde gronden. Visum kort verblijf 8.
- De rechtbank overweegt dat het aan de aanvrager van een visum is om zijn verblijfsdoel en zijn tijdige terugkeer naar het land van herkomst aannemelijk te maken. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie beschikt verweerder over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van de weigeringsgronden uit artikel 32, eerste lid, van de Visumcode van toepassing is. De rechter kan het besluit van verweerder hierover daarom slechts terughoudend toetsen. Doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf in Nederland onvoldoende duidelijk heeft gemaakt bij de visumaanvraag. Daarbij heeft verweerder kunnen vinden dat de vriendschappelijke relatie tussen eiser en referent onvoldoende is onderbouwd. De ingevulde vragenlijst en overgelegde whatsappgesprekken zijn onvoldoende om dit aan te tonen. De rechtbank overweegt dat verweerder mag verlangen dat eiser of bij de aanvraag, of in bezwaar het doel van zijn verblijf kan onderbouwen met verifieerbare stukken. Het is immers aan de vreemdeling om zijn aanvraag te onderbouwen. 9.
- Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet zijn aangetoond. Vanwege de imperatieve weigeringsgronden in de Visumcode is dit al voldoende om de aanvraag af te kunnen wijzen. De rechtbank zal echter ook de beroepsgronden van eiser die zien op de sociale en economische binding met Marokko bespreken. Redelijke twijfel over het voornemen om tijdig terug te keren
- Bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, moet verweerder een individueel onderzoek van de visumaanvraag verrichten waarbij rekening wordt gehouden met, aan de ene kant, de algemene situatie in het land waar de aanvrager woont en, aan de andere kant, zijn persoonlijke omstandigheden. Bij persoonlijke omstandigheden gaat het daarbij met name om zijn gezins-, sociale en economische situatie, het eventuele bestaan van eerdere legale of illegale verblijven in één van de lidstaten en de band met het land waarin hij woont en de lidstaten. 10.
- Verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser zijn sociale binding met Marokko onvoldoende heeft aangetoond dan wel dat deze gering is gebleken. Verweerder heeft op goede gronden betrokken dat eiser (relatief) jong is, ongehuwd is en geen kinderen heeft. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij, zoals hij stelt, de zorg heeft voor zijn moeder. Ook is niet gebleken dat sprake is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiser zouden dwingen tijdig naar het land van herkomst terug te keren. Eisers stelling dat zijn sociale binding met Marokko sterk is omdat zijn moeder en broer in Marokko verblijven, doet daar niet aan af. 10.
- Verweerder heeft zich bovendien op het standpunt mogen stellen dat sprake is van een geringe economische binding met Marokko omdat niet is gebleken dat eiser over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt om zelfstandig in zijn levensonderhoud te voorzien. Verweerder heeft niet ten onrechte betrokken dat eisers stelling dat hij studeert aan het Institut Specialise de Technologie Apliquee Zaio onvoldoende gewicht in de schaal legt om te concluderen dat sprake is van een zodanige binding met Marokko dat tijdige terugkeer voldoende is gewaarborgd. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat eiser immers zijn studie tijdelijk kan onderbreken of ergens anders kan voortzetten. Bovendien heeft verweerder niet ten onrechte betrokken dat met het enkel overleggen van een foto onvoldoende is aangetoond dat eiser daadwerkelijk werkt in de winkel van zijn broer en daar een substantieel en regelmatig inkomen verdient. Dat referent, zoals eiser betoogt, garant staat voor eiser zegt niets over eisers economische binding met Marokko en is in deze beoordeling daarom niet van belang. 10.
- Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de visumaanvraag van eiser in redelijkheid mogen afwijzen. Horen in bezwaar
- De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Aan eiser is in bezwaar de gelegenheid gegeven om zijn aanvraag – aan de hand van een vragenlijst – nader te onderbouwen. In de vragenlijst staat welke bewijsmiddelen meegestuurd moeten worden. De antwoorden van referent zijn echter summier en de daarbij overgelegde documenten onderbouwen onvoldoende waarom verweerders vrees – dat eiser niet zal terugkeren naar Marokko – ongegrond is. Gelet hierop mocht verweerder afzien van het horen in bezwaar. Conclusie en gevolgen
- Het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt hiervoor wel een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 453,50,-. Het gewicht van de zaak is bepaald op licht omdat het bij dit beroep in zoverre uitsluitend gaat om het niet tijdig nemen van een besluit.
- Het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt hiervoor dan ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit ongegrond; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,
- Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
- Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:12, eerste lid, van de Awb. Artikel 6:20, derde lid, van de Awb. Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, Koushkaki tegen Duitsland. Zie punt 69 van het Arrest Koushkaki. Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
- 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor ½.