← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:27569

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: AWB 24/8428 (beroep) AWB 24/8429 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser en verzoeker, hierna eiser (gemachtigde: mr. J. van Bennekom), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. F.H. van Zanden). Procesverloop

  1. Bij het primaire besluit van 9 januari 2024 heeft verweerder vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiser als gemeenschapsonderdaan op 18 mei 2021 is geëindigd en heeft met dat besluit de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht ingetrokken. 1.
  2. Met het bestreden besluit van 19 april 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is bij de intrekking gebleven. 1.
  3. Eiser is tegen het bestreden besluit in beroep gegaan. 1.
  4. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Ajdid als tolk in de Arabisch-Algerijnse taal en de gemachtigde van verweerder. Overwegingen
  5. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser aan de hand van de argumenten die hij heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
  6. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hieronder zal zij verder toelichten hoe zij tot dat oordeel is gekomen en welke gevolgen dat oordeel heeft. Totstandkoming besluit
  7. Met het bestreden besluit is verweerder bij de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser gebleven, omdat – kort gezegd – is gebleken dat hij niet meer voldoet aan de voorwaarden van zijn vergunning. Eiser was in het bezit van een verblijfvergunning als verzorgende ouder van [persoon] (dochter van eiser) op grond van het arrest Chaves-Vilchez. Aan eiser is een contactverbod opgelegd met zijn ex-vrouw en hij heeft sinds 18 mei 2021 geen contact meer met zijn dochter. Eiser heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat hij heeft getracht het contact te herstellen en dat er een band tussen hem en het kind bestaat zoals vereist op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Het beroep is kennelijk ongegrond en daarom heeft verweerder eiser niet gehoord in bezwaar. De beroepsgronden
  8. Eiser voert – samengevat – aan dat hij een procedure bij de rechtbank is gestart om een omgangsregeling met zijn dochter te treffen. Verweerder had de uitkomst van deze procedure moeten afwachten. Daarnaast had verweerder moeten onderzoeken wat verwijdering van eiser zou betekenen voor het belang van het kind. Verder stelt eiser dat hij in de bezwaarprocedure gehoord had moeten worden. De hoorplicht
  9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat van horen in de bezwaarfase kon worden afgezien, omdat niet in geschil is dat er geen contact is tussen eiser en zijn dochter en omdat het bezwaar geen verklaringen bevat die een ander licht op de zaak kunnen werpen. Daarnaast is er volgens verweerder niet expliciet verzocht om te worden gehoord in bezwaar, maar enkel aangegeven dat eiser hiertoe bereid is. 6.
  10. De rechtbank overweegt dat uit het arrest van de Afdeling van 6 juli 2022 volgt dat het horen in bezwaar als uitgangpunt moet worden genomen. Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van de procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is, dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Temeer in situaties waarin een vreemdeling in de bezwaarfase nog niet alle relevante informatie en bewijsstukken heeft overgelegd die van hem worden verlangd, of in de situatie waarin er – om welke reden dan ook – nog onduidelijkheden over het te beoordelen feitencomplex bestaan. 6.
  11. De rechtbank stelt vast dat eiser in de bezwaarfase heeft aangevoerd dat hij wel heeft geprobeerd om omgang met zijn kind te krijgen maar dat de ex-partner van eiser de omgang met zijn dochter frustreert. Eiser heeft hiertoe een brief overgelegd die gericht is aan de moeder van eisers kind om omgang te bewerkstelligen en er is een verzoekschrift overgelegd dat is ingediend bij de rechtbank om een omgangsregeling te treffen. 6.
  12. Ter zitting is gebleken dat eiser meerdere pogingen heeft gedaan om op de hoogte te blijven van ontwikkelingen van zijn dochter via de kinderopvang. Hiertoe heeft eiser verschillende berichten laten zien aan de rechtbank. Verder heeft eiser aangegeven dat er na de scheiding even een omgangsregeling was, maar dat de tijden niet goed uitkwamen voor de ex-vrouw van eiser en dat zij daarom de omgang heeft gestopt. Eiser heeft daarna zijn dochter nog wel gezien bij de oma van zijn dochter, maar de ex-vrouw van eiser was het daar niet mee eens waarna ook dit contact is gestopt. Daarnaast is ter zitting nog gebleken dat er op 5 november 2025 een zitting gepland stond bij de rechtbank Noord-Holland, vanwege de omgangregeling. Eiser heeft de uitnodiging voor die zitting aan de rechtbank getoond. 6.
  13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de bezwaarfase niet had kunnen afzien van het horen van eiser. Zoals de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraak heeft overwogen, dient verweerder terughoudend om te gaan met de uitzondering op de hoorplicht. Juist in een hoorzitting kan de vreemdeling zijn visie toelichten en het feitencomplex van zijn situatie verduidelijken. In het onderhavige geval is ter zitting gebleken dat het feitencomplex niet volledig was en kwamen er ter zitting diverse nieuwe omstandigheden naar voren. Eiser had hier in een gehoor over kunnen verklaren. De rechtbank ziet dat daartoe ook al voldoende aanleiding was in het bezwaarschrift omdat daarin de frustratie van de omgang door de ex-partner en de gestarte omgangsprocedure bij de rechtbank reeds worden genoemd. Verweerder heeft daarom onterecht gesteld dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was, dat het bezwaar, niet tot een ander standpunt dan in het primaire besluit zou kunnen leiden De beroepsgrond slaagt. 6.
  14. De rechtbank is dan ook van oordeel dat reeds hierom het beroep gegrond is en de overige gronden behoeven dan ook geen bespreking meer. Conclusie en gevolgen
  15. Het besluit is onzorgvuldig tot stand gekomen omdat verweerder niet mocht afzien van de hoorplicht in de bezwaarfase. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.
  16. Nu het beroep gegrond is, bestaat er geen aanleiding meer om de gevraagde voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst dat verzoek dan ook af.
  17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-, en een wegingsfactor 1). Ook moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Beslissing De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 24/8428, - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 24/8429, - wijst het verzoek af. In beide zaken, - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden; en - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.721,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november
  18. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan, voor zover het betreft de beslissing op het beroep, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:
  19. Volgens het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 11 juli 2000, nr. 29192/95 (Ciliz tegen Nederland). Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2022:
  20. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2564.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.