RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: AWB24/5685, AWB24/5686, AWB25/16340 en AWB25/16341 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. A. Alam-Khan), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: [naam]). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de brief van 19 februari 2024 en 6 mei 2024 en het beroep tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit van 30 juli 2025 en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. 1.
- Verweerder heeft met het besluit van 30 juli 2025 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat eiser binnen vier weken na 4 september 2025 uit Nederland moet vertrekken.
- De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, dhr. Ghosh als tolk en mr. P. Frimpong als de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
- Eiser is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Bengalese nationaliteit. Eiser had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming gekregen op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit, zonder daarbij te beoordelen of eiser de mogelijkheid had om naar zijn land van oorsprong terug te keren. 3.
- Op 19 februari 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024, omdat de Afdeling in de uitspraak van 17 januari 2024 heeft geoordeeld dat het eerdere besluit van verweerder waarin stond dat het recht op tijdelijk bescherming per 4 september 2023 zou stoppen niet mocht. Op 6 mei 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft besloten de gevolgen van het stoppen van de tijdelijke bescherming te bevriezen en dat eiser mag blijven totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof) uitspraak heeft gedaan op de prejudiciële vragen van de Afdeling, dan wel tot 4 maart
- Eiser heeft tegen deze brieven beroep ingesteld, wat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer AWB24/
- Eiser heeft ook een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend, wat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer AWB24/
- 3.
- Op 30 juli 2025 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is beëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft verweerder aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft ook tegen dit besluit beroep ingesteld, wat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer AWB25/
- Eiser heeft ook een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend, wat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer AWB25/
- Wat vindt eiser in beroep?
- Eiser stelt dat zijn rechten op basis van artikel 8 van het EVRM door verweerder worden geschonden, omdat verweerder de bescherming die eiser had onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming op 4 september 2025 heeft beëindigd. Eiser is naar Oekraïne gereisd om daar zijn studie voort te zetten. Hij had ook zijn collegegeld in Oekraïne al betaald. Maar de uitbraak van de oorlog heeft eiser gedwongen om zijn studie op te geven. Eiser stelt ook dat het onredelijk is om hem na ruim 3 jaar rechtmatig (gedoogd) verblijf een terugkeerbesluit op te leggen. Eiser heeft sinds hem een verblijfsvergunning is verleend gewerkt, eiser heeft bijgedragen aan de Nederlandse economie en hij heeft zich verder geschoold als elektricien. Eiser heeft in Nederland vrienden/kennissen gemaakt. Hij heeft in Nederland een leven opgebouwd. Eiser vormt ook geen bedreiging voor de nationale veiligheid of de volksgezondheid. Daarnaast is volgens eiser het Nederlandse beleid voor derdelanders onredelijk hard vergeleken met andere EU landen, zoals Finland. Eiser stelt dat het bestreden besluit op onjuiste gronden berust, op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en in alle redelijkheid niet in stand kan blijven. Verweerder had mede vanwege de onzekere situatie waarin eiser zich bevindt op zijn minst moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Wat is het oordeel van de rechtbank? Ontvankelijkheid (AWB24/5685)
- In de brief van 19 februari 2024 heeft verweerder medegedeeld dat eisers verblijfsrecht op grond van de RTB op 4 maart 2024 eindigt. In de brief van 6 mei 2024 heeft verweerder eiser medegedeeld dat de gevolgen van het stoppen van de tijdelijke bescherming tijdelijk worden bevroren. De rechtbank overweegt dat deze mededelingen geen rechtsgevolgen hebben gecreëerd. Deze mededelingen zijn dus geen besluiten waartegen beroep kan worden ingesteld. De rechtbank zal dit beroep met zaaknummer AWB24/5685 daarom niet-ontvankelijk verklaren. Opleggen terugkeerbesluit 30 juli 2025 (AWB25/16340)
- De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het onredelijk is om na 3,5 jaar rechtmatig (gedoogd) verblijf een terugkeerbesluit op te leggen. Uit het arrest Kaduna en Abkez volgt – kort samengevat – dat verweerder de facultatieve bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne vroegtijdig mocht beëindigen. Verweerder heeft per 4 maart 2024 de facultatieve tijdelijke bescherming van eiser beëindigt. De hoogste bestuursrechter heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne op 4 maart 2024 mocht beëindigen. In die uitspraken heeft de Afdeling ook geoordeeld dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun facultatieve tijdelijke bescherming net zo lang zou duren als de verplichte tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 30 juli 2025 en verweerder om die reden bevoegd en verplicht was om een terugkeerbesluit op te leggen. Hierover is verweerder ook altijd duidelijk geweest. Aangezien de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 beëindigd mocht worden, volgt de rechtbank eiser ook niet in het betoog dat het beëindigen van de facultatieve bescherming onredelijk hard is vergeleken met andere lidstaten.
- De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn volgt weliswaar dat bij het opleggen van een terugkeerbesluit rekening moet worden gehouden met het recht op privéleven, zoals neergelegd in artikel 8 van het EVRM. Maar verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat hetgeen eiser aanvoert, namelijk dat hij in Nederland werkt, bijdraagt aan de economie en sociale contacten onderhoudt, onvoldoende is om te kunnen concluderen dat het terugkeerbesluit onredelijk is of in strijd met zijn recht op privéleven onder artikel 8 van het EVRM en bovendien is het onvoldoende onderbouwd. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat als eiser vindt dat hij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op privéleven, zoals dat volgt uit artikel 8 van het EVRM, dat hij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.
- Ten slotte overweegt de rechtbank ambtshalve dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van gronden om aan te nemen dat eiser een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Bangladesh. Voorzover eiser stelt dat hij gevaar loopt bij terugkeer naar Bangladesh, dan staat het hem vrij om (opnieuw) een asielaanvraag in te dienen. Conclusie en gevolgen
- Het beroep in de procedure met zaaknummer AWB24/5685 is niet-ontvankelijk.
- Het beroep in de procedure met zaaknummer AWB25/16340 is ongegrond.
- Het verzoek om een voorlopige voorziening in de procedures met zaaknummers AWB24/5686 en AWB25/16341 worden buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in beide beroepen en er niet langer sprake is van connexiteit.
- Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing AWB24/5685 De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. AWB24/5686 De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. AWB25/16340 De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. AWB25/16341 De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen. Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822 Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
- Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het Hof van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:
- Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:
- Uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:
- Op basis van artikel 6, eerste lid, van de terugkeerrichtlijn. Richtlijn 2008/115/EG. Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2816, r.o. 1.3; en zie de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2918, r.o.
- Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.