← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:27596

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: AWB24/4580 en AWB24/4581 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. A. Alam-Khan), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. F. Mahler). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit van 4 juli 2025 en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. 1.
  2. Verweerder heeft met het besluit van 5 juli 2025 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat eiser binnen vier weken na 4 september 2025 uit Nederland moet vertrekken.
  3. De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. E.S.O. Adomako als de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
  4. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Indiase nationaliteit. Eiser had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming gekregen op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit. 3.
  5. Op 21 februari 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, wat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer AWB24/
  6. Eiser heeft ook een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend, wat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer AWB24/
  7. 3.
  8. Op 4 juli 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB is geëindigd per 4 maart
  9. Daarnaast heeft verweerder aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Het eerdere terugkeerbesluit van 21 februari 2024 was volgens verweerder prematuur genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf had. Verweerder heeft het besluit van 21 februari 2024 ingetrokken en onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Awb vervangen met het bestreden besluit van 4 juli
  10. Wat vindt eiser in beroep?
  11. Eiser stelt dat het onredelijk is om hem na 3,5 jaar rechtmatig (gedoogd) verblijf een terugkeerbesluit op te leggen. Eiser heeft sinds hem een verblijfsvergunning is verleend altijd gewerkt, bijgedragen aan de Nederlandse economie en hij heeft zich verder geschoold als elektricien. Het terugkeerbesluit zorgt ervoor dat eiser wederom wordt gedwongen een land te verlaten waar hij een leven heeft opgebouwd. Daarnaast is volgens eiser het Nederlandse beleid voor derdelanders onredelijk hard vergeleken met andere EU landen, zoals Finland. Wat is het oordeel van de rechtbank? Ontvankelijkheid 4.
  12. De rechtbank beschouwt het terugkeerbesluit van 4 juli 2025 als vervangend besluit van het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het terugkeerbesluit van 4 juli 2025 op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb inhoudelijk beoordelen. 4.
  13. Nu verweerder het besluit van 21 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen dit besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging
  14. Opleggen terugkeerbesluit 4 juli 2025
  15. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het onredelijk is om na 3,5 jaar rechtmatig (gedoogd) verblijf een terugkeerbesluit op te leggen. Uit het arrest Kaduna en Abkez volgt – kort samengevat – dat verweerder de facultatieve bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne vroegtijdig mocht beëindigen. Verweerder heeft per 4 maart 2024 de facultatieve tijdelijke bescherming van eiser beëindigt. De hoogste bestuursrechter heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne op 4 maart 2024 mocht beëindigen. In die uitspraken heeft de Afdeling ook geoordeeld dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun facultatieve tijdelijke bescherming net zo lang zou duren als de verplichte tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 30 juli 2025 en verweerder om die reden bevoegd en verplicht was om een terugkeerbesluit op te leggen. Hierover is verweerder ook altijd duidelijk geweest. Aangezien de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 beëindigd mocht worden, volgt de rechtbank eiser ook niet in het betoog dat het beëindigen van de facultatieve bescherming onredelijk hard is vergeleken met andere lidstaten.
  16. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hem geen terugkeerbesluit kan worden opgelegd omdat hij in Nederland werkt. De rechtbank overweegt dat er bij de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 geen ruimte is voor een persoonlijke belangenafweging. Met het besluit om terug te komen op de toepassing van de facultatieve bepaling voor derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne bestaat geen grondslag meer voor de toekenning en de voortzetting van tijdelijke bescherming aan deze groep. Verweerder heeft daarom terecht gesteld dat de op een betrokkene toegespitste beoordeling niet verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning en daarnaast niet op een andere grond aanspraak kan worden gemaakt op tijdelijke bescherming.
  17. Ten slotte overweegt de rechtbank ambtshalve dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van gronden om aan te nemen dat eiser een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar India.
  18. De rechtbank merkt tot slot op dat voorzover eiser stelt dat zijn verblijfsrecht zou moeten worden voortgezet vanwege zijn opleiding of medische problemen, die hij eerste ter zitting naar voren heeft gebracht, het eiser vrijstaat een daartoe strekkende aanvraag in te dienen. Conclusie en gevolgen
  19. Het beroep in de procedure met zaaknummer AWB24/4580 voor zo zover gericht tegen het besluit van 21 februari 2024 is niet-ontvankelijk.
  20. Het beroep in de procedure met zaaknummer AWB24/4580 voor zover gericht tegen het besluit van 14 juli 2025 is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het terugkeerbesluit van 14 juli 2025 terecht heeft opgelegd.
  21. Het verzoek om een voorlopige voorziening in de procedure met zaaknummer AWB24/4581 wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
  22. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 21 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Beslissing AWB24/4580 De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk; verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 14 juli 2024 ongegrond; veroordeelt verweerder tot betaling in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-. AWB24/4581 De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier. Deze hersteluitspraak vervangt de inhoud van de uitspraak van 25 november
  23. De uitspraakdatum blijft ongewijzigd. De hersteluitspraak is in het openbaar gedaan, ondertekend en bekend gemaakt op 27 november
  24. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen. Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822 Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:
  25. Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:
  26. Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:
  27. Uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:
  28. Op basis van artikel 6, eerste lid, van de terugkeerrichtlijn. Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.