← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:27638

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL24.38299 [V-Nummer] proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2025 in de zaak tussen [eiser] geboren op [geboortedag] 1961, van Turkse nationaliteit, eiseres (gemachtigde: mr H.L.M. Lichteveld), en de minister van Asiel en Migratie , verweerder. Procesverloop

  1. Met het besluit van 26 april 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiseres voor verblijf bij haar echtgenoot (hierna: referent) ingetrokken per 1 maart
  2. Eiseres heeft op 3 juli 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 1.
  3. Met het besluit van 6 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en referent. Als tolk Turks was M. Yildiz op de zitting aanwezig. Verweerder is met bericht niet op zitting verschenen. 1.
  5. Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder de beslissing. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het besluit van 6 september 2024; draagt de minister op binnen 8 weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser; draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- te vergoeden. Overwegingen
  6. Op grond van artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschiedt bekendmaking van het besluit door de toezending of uitreiking hiervan door het bestuursorgaan aan de belanghebbenden. Uit artikel 2:1 van de Awb volgt dat juiste bekendmaking ook kan geschieden door het toesturen van het besluit naar enkel de gemachtigde. In artikel 3:104, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 staat hoe de bekendmaking gebeurt als het gaat om een intrekking van een verblijfsvergunning, namelijk door toezending aan het laatst bekende adres in de Basis Registratie Personen (BRP). Op grond van deze bepaling moet verweerder de referent die de aanvraag heeft ingediend ook onverwijld in kennis stellen van de bekendmaking. Het is aan de verzender van het besluit, in dit geval verweerder, om aannemelijk te maken dat het besluit op juiste wijze bekend is gemaakt.
  7. Verweerder heeft gesteld dat het primaire besluit op de juiste wijze bekend is gemaakt door toezending naar het inschrijfadres van eiseres. Verweerder stelt in het bestreden besluit dat uit het verzendsysteem INDiGO dat verweerder gebruikt is gebleken dat het bestreden besluit is verzonden op 29 april
  8. Ook stelt verweerder dat er een bericht in de berichtenbox van de referent is geplaatst.
  9. Eiseres heeft dit in beroep gemotiveerd betwist. Zo heeft eiseres aangevoerd dat verweerder zijn standpunt dat het primaire besluit op 29 april 2024 is verzonden niet met bewijsstukken heeft onderbouwd, zoals met een bewijs van verzending uit INDiGO. Eiseres betwist daarnaast dat referent ook via de berichtenbox kennis had kunnen nemen van het primaire besluit, omdat referent niet digitaal vaardig is. Bovendien zijn in de berichtenbox in de relevante periode geen berichten van verweerder binnengekomen. Eiseres meent dat het bezwaarschrift dus tijdig is ingediend, nu zij pas op 28 juni 2024 door een telefonische mededeling van verweerder heeft vernomen dat haar verblijfsvergunning was ingetrokken.
  10. Verweerder heeft – ondanks herhaalde verzoeken – niet inhoudelijk op de beroepsgronden gereageerd. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. Verweerder heeft zich ook afgemeld voor de zitting. Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat, bij het ontbreken van bewijzen van de verzending en de twijfel aan de ontvangst, verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het bestreden besluit op de juiste wijze bekend heeft gemaakt.
  11. Nu eiseres heeft toegelicht dat zij bezwaar heeft gemaakt op het moment waarop referent min of meer toevallig kennis heeft genomen van het primaire besluit en de rechtbank geen aanleiding ziet om daaraan te twijfelen, gaat de rechtbank er vanuit dat eiser binnen vier weken na kennisname van het primaire besluit daartegen bezwaar heeft gemaakt. Daarmee heeft eiseres tijdig bezwaar gemaakt. Dat betekent dat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
  12. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond. Verweerder moet opnieuw en nu ook inhoudelijk op het bezwaar beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Daarvoor krijgt verweerder een termijn van acht weken.
  13. Verweerder moet het griffierecht van € 187,- aan eiser vergoeden. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Die kosten worden door de rechtbank begroot op € 1.814, - omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier, op 6 november
  14. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Op grond van artikel 8:67, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.