← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:27674

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL25.31911 [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1996, van Syrische nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. J.W.F. Menick), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. M. Latul). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 15 juli 2025 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.
  2. De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Eiser was niet aanwezig. Beoordeling door de rechtbank
  3. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
  4. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit
  5. Eiser heeft op 21 april 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 22 augustus 2024 in Kroatië en op 11 september 2024 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. 4.1 De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Dit staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 10 juni 2025 bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 17 juni 2025 aanvaard. Geen asielaanvraag ingediend
  6. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiser stelt ten eerste dat hij nooit een asielverzoek in Kroatië heeft ingediend, maar dat hij enkel zijn vingerafdrukken daar moest afgeven. Ook is hij maarr een hele korte periode in Kroatië geweest. Een daadwerkelijke behandeling van een asielaanvraag heeft nooit plaatsgevonden. 5.
  7. De rechtbank stelt vast dat uit Eurodac blijkt dat eiser een verzoek om internationale bescherming in Kroatië heeft ingediend. Volgens de rechtspraak van de Afdeling mag de minister uitgaan van de juistheid van deze registratie in Eurodac en is het aan eiser om dit te weerleggen. Eiser heeft met de enkele stellingen dat hij in Kroatië geen asiel heeft aangevraagd, dat hij enkel zijn vingerafdrukken heeft afgegeven en dat hij maar kort in Kroatië is geweest, niet aannemelijk gemaakt dat de registratie in Eurodac onjuist is. De beroepsgrond slaagt niet. Interstatelijk vertrouwensbeginsel
  8. Verder voert eiser aan dat ten aanzien van Kroatië niet uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft geen vertrouwen dat hij bij een overdracht naar Kroatië adequate opvang zal hebben. Volgens hem heeft er in Kroatië de laatste jaren een hoge instroom van asielzoekers plaatsgevonden, zijn de opvangcentra overvol en de condities van de opvangcentra ondermaats en in strijd met de bepalingen van de Opvangrichtlijn. Ook wijst eiser op de pushbacks in Kroatië. Daarnaast stelt eiser dat bij een terugkeer naar Kroatië zijn asielzaak als een opvolgende aanvraag zal worden behandeld en de kans groot is dat deze opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Er zal dus geen inhoudelijke beoordeling van zijn asielaanvraag plaatsvinden. In het geval van eiser is er sprake van een combinatie van factoren die maken dat hij een groot risico loopt om bij gedwongen overdracht in een situatie te belanden zoals verboden in artikel 3 van het EVRM dan wel in artikel 4 van het Handvest. Eiser wijst hiertoe op het rapport van Vluchtelingenwerk Zwitserland van februari
  9. 6.
  10. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, die daarna meerdere keren is bevestigd , volgt dat de minister nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. In de uitspraak van de Afdeling is aan bod gekomen dat er geen gedocumenteerde gevallen zijn van pushbacks van Dublinterugkeerders, dat er geen obstakels zijn voor Dublinterugkeerders om toegang te krijgen tot de asielprocedure en dat zij ook feitelijke toegang krijgen tot opvang. Uit het door eiser overgelegde rapport dat de Afdeling niet bij haar oordeel heeft betroken, blijkt niet het tegendeel. De stukken zien namelijk grotendeels op vreemdelingen die niet onder de Dublinverordening vallen en dit rapport schetst geen ander beeld van de situatie in Kroatië dan de Afdeling bij haar oordeel heeft betrokken. Als eiser in Kroatië wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag of problemen ervaart ten aanzien van zijn opvang, ligt het op zijn weg hierover bij de autoriteiten van Kroatië te klagen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de autoriteiten van Kroatië niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De rechtbank concludeert daarom dat de minister ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen
  11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verordening (EU) nr. 604.
  12. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet
  13. Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie de uitspraken van 28 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2625 en van 24 april 2023, ECLI:NL:RVS:
  14. Richtlijn 2013/33/EU. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. ECLI:NL:RVS:2024:
  15. Zoals in de uitspraken van de Afdeling van 19 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4664, 10 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5076, 6 maart 2025 ECLI:NL:RVS:2025:919 en 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3901.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.