Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummers: 09/203621-24, 13/283122-25 (ttz. gev.) en 09/243289-22 (tul) Datum uitspraak: 4 december 2025 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1996, BRP-adres: [adres 1] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 20 november 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. de Graaf en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. P.B. Spaargaren naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: parketnummer 09/203621-24 hij op of omstreeks 4 maart 2024 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een kluis met inhoud waaronder geld, sieraden en/of munten en/of een Playstation 5 en/of Louis Vuitton tas en/of Gucci tas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] en/of [naam 1] en/of [naam 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(
- s)zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen kluis met inhoud, Playstation 5 en/of tassen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; parketnummer 13/283122-25 hij, op of omstreeks 21 maart 2022 te Aalsmeer, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan de [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een of meer goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(
- n)weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel- een (klap)raam heeft opengebroken/losgeschroefd/geforceerd, en/of- voornoemde woning heeft betreden en/of in de woning heeft gezocht naar (waardevolle) goederen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 3De bewijsbeslissing 3.1. Opgave van bewijsmiddelen De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). In de zaak met parketnummer 09/203621-24 gaat het om het politiedossier met nummer het PL1500-2024069592, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 119). In de zaak met parketnummer 13/283122-25 gaat het om het politiedossier met het nummer PL1300-2022054830, van de politie eenheid Amsterdam, district Amsterdam-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 43). De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen: Ten aanzien van parketnummer 09/203621-24 1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 20 november 2025; 2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op 4 maart 2024 (p. 25-26). Ten aanzien van parketnummer 13/283122-25 1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 20 november 2025; 2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 22 maart 2022 (p. 5-6); 3. Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 2] ), opgemaakt op 25 maart 2022 (p. 28-29); 4. Het geschrift, te weten een Rapport Dactyloscopisch sporenonderzoek, opgemaakt op 4 augustus 2025 (p. 32-38). 3.2. De bewezenverklaring De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: parketnummer 09/203621-24 hij op 4 maart 2024 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander een kluis met inhoud die geheel of ten dele aan [aangever 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen kluis met inhoud, onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak; parketnummer 13/283122-25 hij op 21 maart 2022 te Aalsmeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning gelegen aan de [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich tegen de wil van de rechthebbende bevond, een of meer goederen, die aan [aangever 2] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van inklimming - voornoemde woning heeft betreden en in de woning heeft gezocht naar goederen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De strafoplegging 6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van 240 uren. 6.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft de rechtbank verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen en refereert zich – wat de duur ervan betreft –aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging heeft aangevoerd bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat de verdachte ter zitting een bekennende verklaring heeft afgelegd, terwijl hij voorheen altijd een ontkennende houding heeft gehad. De verdachte heeft zijn leven thans op orde, staat onder toezicht van de reclassering, onderhoudt goed contact met hen en aanvaardt hulp. Artikel 63 van het Wetboek van Strafvordering is van toepassing. Tot slot wijst de verdediging op het tijdsverloop sinds de feiten. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één woninginbraak en één poging daartoe. Woninginbraken veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook inbreuk op het gevoel van veiligheid en de privacy van de bewoners, terwijl een woning juist bij uitstek een plek is waar men zich veilig moet kunnen voelen. Daarnaast zorgen woninginbraken ook binnen de samenleving in het algemeen voor gevoelens van onveiligheid. Het is voor de slachtoffers bovendien bijzonder beangstigend om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest, hun woning overhoop heeft gehaald en heeft beschadigd en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht. De verdachte heeft daarmee geen enkel respect getoond voor de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke eigendommen van een ander en heeft zich enkel laten leiden door eigen financieel gewin. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 10 november 2025. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hieruit blijkt dat de verdachte meermaals is veroordeeld voor het plegen van een vermogensdelict en ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten ook nog in drie proeftijden liep. Daarnaast heeft de verdachte tijdens zijn proeftijd ook andersoortige strafbare feiten gepleegd. De eerdere veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen over de verdachte van 24 oktober 2025 en 9 april 2025, waarin staat dat sprake is van een gemiddeld risico op recidive. Er is bij de verdachte sprake van een delictpatroon aangaande het plegen van vermogensdelicten, al dan niet met geweld. In het verleden zijn meerdere reclasseringstoezichten voortijdig negatief beëindigd. De reclassering ziet echter dat de verdachte nu open staat voor hulpverlening en gedragsverandering en gemotiveerd is een conventionele levensstijl na te streven. De op te leggen straffen De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor een woninginbraak geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, of in geval van recidive, vijf maanden en zeven maanden bij veelvuldige recidive. Hier gaat het om een voltooid delict en een poging daartoe. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt. In beginsel zou dit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur zijn. De rechtbank houdt er echter rekening mee dat de feiten al enige tijd geleden zijn gepleegd en dat de verdachte eerder is veroordeeld wegens eenzelfde strafbaar feit. Voorts betrekt de rechtbank in haar oordeel dat de verdachte ter zitting openheid van zaken heeft gegeven en gedetailleerd heeft verklaard over de gang van zaken en verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Ook weegt de rechtbank mee dat het contact met de reclassering positief is en de verdachte goed op weg is zijn leven op te rit te krijgen. Deze omstandigheden samen verdisconteert de rechtbank in de strafmodaliteit: de rechtbank zal de verdachte slechts een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om daarmee de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen en als stevige stok achter de deur om te voorkomen dat de verdachte opnieuw strafbare feiten zal plegen. Op die wijze krijgt de verdachte de kans om te laten zien dat hij de reeds ingezette positieve lijn kan voortzetten. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat vanuit het oogpunt van vergelding en normbevestiging oplegging van een onvoorwaardelijke, maximale taakstraf geboden is. Alles afwegende acht de rechtbank passend en geboden een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, en verder een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, te vervangen door 120 dagen hechtenis als de verdachte die taakstraf niet of niet volledig uitvoert. De voorlopige hechtenis De rechtbank heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. 7De vordering tot tenuitvoerlegging 7.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft bij vordering van 8 oktober 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 09/243289-22 door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 27 januari 2023 voorwaardelijke opgelegde straf van gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden. De officier van justitie concludeert ter terechtzitting tot verlenging van de proeftijd van de vordering tot tenuitvoerlegging met één jaar. 7.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair verzocht om de proeftijd van de vordering tot tenuitvoerlegging te verlengen met één jaar. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot tenuitvoerlegging. 7.3. Het oordeel van de rechtbank Gelet op het feit dat een eerdere vordering tot tenuitvoerlegging al door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag bij vonnis in de zaken met parketnummers 09/052683-24 en 09/243289-22 (TUL) op 6 november 2024 is toegewezen, wijst de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging af. 8De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen: - 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 63, 311 van het Wetboek van Strafrecht; Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 9De beslissing De rechtbank: verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: parketnummer 09/203621-24 diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; parketnummer 13/283122-25 poging tot diefstal, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming; verklaart de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) MAANDEN; bepaalt dat die straf, groot 6 (ZES) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; veroordeelt de verdachte voorts tot: een taakstraf voor de tijd van 240 (TWEEHONDERDVEERTIG) UREN; beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN; beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag. voorlopige hechtenis; heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf; wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf in de volgende zaak: - 09/243289-22: meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag 27 januari 2023. Dit vonnis is gewezen door mr. L. Anemaet, voorzitter, mr. J. Snoeijer, rechter, mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Claessens, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 december 2025.