← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:27691

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/128956-25 Datum uitspraak: 4 december 2025 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , op dit moment uit anderen hoofde gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 20 november

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. de Graaf en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. C.U. Mons naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 20 november 2025 – ten laste gelegd dat: hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 januari 2024 tot en met 7 augustus 2024 te ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of MDMA en/of XTC, en/of in elk geval (op 7 augustus 2024) opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 25,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne en/of MDMA en/of XTC een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 3De bewijsbeslissing 3.
  2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Verdere standpunten van de officier van justitie komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing. 3.
  3. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de verdenking die ziet op – kort gezegd – de handel in harddrugs, omdat zich een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek heeft voorgedaan, dat moet leiden tot bewijsuitsluiting. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de politie ten onrechte zonder voorafgaande rechterlijke machtiging onderzoek heeft gedaan aan de telefoons van de verdachte. Daardoor is de persoonlijke levenssfeer van de verdachte geschonden, aldus de raadsman. Met betrekking tot de verdenking die ziet op het aanwezig hebben van 25,1 gram cocaïne heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verdere standpunten van de verdediging komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing. 3.
  4. Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. 3.
  5. Bewijsoverwegingen Vormverzuim De rechtbank overweegt dat indien onderzoek naar gegevensdragers een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich brengt, voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie of onafhankelijk bestuursorgaan is vereist (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:830, in de zaak ‘Landeck’). Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een vormverzuim. Door onderzoek te doen aan de telefoons van de verdachte is toegang verkregen tot een grote hoeveelheid (privé)chatgesprekken van de verdachte. Daarmee is sprake van een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Nu voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris voor het uitlezen van de telefoons van de verdachte ontbrak, constateert de rechtbank dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. De vraag is vervolgens of en, zo ja, welke rechtsgevolgen aan dit vormverzuim moeten worden verbonden. Bij de beantwoording van die vraag dient rekening te worden gehouden met de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Bewijsuitsluiting als rechtsgevolg, zoals verzocht door de verdediging, kan worden verbonden aan een vormverzuim in gevallen waarin het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek voor het bewijs noodzakelijk is om een schending van artikel 6 EVRM te voorkomen. Die situatie doet zich niet voor, nu niet is gebleken dat door het vormverzuim complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt. Daarnaast kan bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. Hoewel sprake was van een ongerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, zal daaraan niet het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting worden verbonden. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat – gelet op de aard en de ernst van de verdenking – de vereiste machtiging van de rechter-commissaris zonder meer zou zijn verkregen. Bovendien is de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal niet aangetast. Daarom is de rechtbank van oordeel dat, vanwege het ontbreken van enig daadwerkelijk nadeel, bewijsuitsluiting geen gerechtvaardigd rechtsgevolg van het vormverzuim is, zodat de rechtbank volstaat met de constatering van het vormverzuim. Aanwezig hebben cocaïne en handel in cocaïne, MDMA en XTC De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. Op 7 augustus 2024 reed de verdachte in een auto in Den Haag. Nadat een jongen bij hem instapte op de bijrijdersstoel en zij verder doorreden, zijn ze staande gehouden door de politie. Deze jongen, getuige [getuige] , verklaarde dat hij was ingestapt in de auto om cocaïne te kopen en dat hij dit al eerder had gedaan bij de verdachte. Nadat de getuige had verklaard dat de cocaïne vorige keer werd bewaard bij de radio, heeft de politie een verborgen ruimte in de auto aangetroffen met daarin een zip zakje met wikkels papier. Uit onderzoek volgt dat in de papieren wikkels in totaal 25,1 gram wit poeder zat, wat cocaïne bleek te bevatten. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ongeveer 25,1 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad op 7 augustus
  6. Verder zijn op 7 augustus 2024 een geldbedrag van 450 euro en twee telefoons van de verdachte in beslag genomen. Uit onderzoek naar een van de telefoons van de verdachte blijkt dat hij zich in de periode van 26 januari 2024 tot aan zijn aanhouding bezig hield met de handel in harddrugs. Een van zijn contacten, ‘ [contactpersoon 1] ’, vraagt herhaaldelijk of de verdachte ‘wit’ heeft. Ook zegt [contactpersoon 1] dat hij MDMA wil proberen, waarop de verdachte antwoordt: ‘Ja bro 15eu 1gr’. Een ander contactpersoon, ‘ [contactpersoon 2] ’, wil op verschillende momenten XTC en MDMA kopen bij de verdachte. Uit de chatberichten volgt dat de harddrugs ook daadwerkelijk worden verkocht en afgeleverd. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte gedurende de tenlastegelegde periode heeft gehandeld in cocaïne, MDMA en XTC. 3.
  7. De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: hij op tijdstippen in de periode van 26 januari 2024 tot en met 7 augustus 2024 in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of MDMA en/of XTC, en op 7 augustus 2024 opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 25,1 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De strafoplegging 6.
  8. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. 6.
  9. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om, in het geval van strafoplegging, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals zijn baan en schuldhulpverleningstraject. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een zware straf het uitzicht van de verdachte op een stabiele toekomst kan wegnemen en heeft daarom verzocht een taakstraf op te leggen. 6.
  10. Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van de feiten De verdachte heeft zich gedurende ruim zes maanden schuldig gemaakt aan de handel in verschillende soorten harddrugs. Ook heeft de verdachte opzettelijk een hoeveelheid cocaïne aanwezig gehad. Het gebruik van harddrugs vormt een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en leidt dikwijls tot verslaving aan het gebruik ervan. Bovendien vindt een groot deel van de criminaliteit direct of indirect haar oorsprong in het gebruik van deze middelen. De verdachte heeft zich met zijn handelen niet om deze gevolgen bekommerd en enkel gedacht aan zijn eigen financiële gewin. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 11 november 2025, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. De op te leggen straf Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend en geboden is voor het met enige regelmaat verkopen/afleveren/verstrekken van gebruikershoeveelheden harddrugs vanuit een pand of straat gedurende 6 tot 12 maanden. De rechtbank ziet aanleiding om in het voordeel van de verdachte van de oriëntatiepunten af te wijken. Daarvoor is redengevend dat uit de chatberichten valt op te maken dat de verdachte op een beperkt aantal momenten harddrugs verkocht en afleverde. Het ging bovendien telkens om relatief kleine hoeveelheden. De rechtbank legt, alles afwegende, aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet. 7De inbeslaggenomen voorwerpen 7.
  11. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat: het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genoemde voorwerp zal worden teruggegeven aan de verdachte; de op beslaglijst onder 2, 3, 4 en 5 genoemde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard; het niet op de beslaglijst genoemde, maar wel inbeslaggenomen voorwerp te weten: Apple iPhone met goednummer PL1500-2024252001-3184972 zal worden verbeurdverklaard; het niet op de beslaglijst genoemde, maar wel inbeslaggenomen voorwerp te weten: Apple Iphone 12 met goednummer PL1500-2024252001-3184974 zal worden verbeurdverklaard. 7.
  12. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten een geldbedrag van € 670, dient te worden teruggegeven aan de verdachte omdat er geen aanwijzingen zijn dat dit voorwerp in verband kan worden gebracht met enig strafbaar feit. Met betrekking tot de op de beslaglijst onder 2, 3, 4 en 5 genoemde voorwerpen heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft zich ten aanzien van de inbeslaggenomen telefoons op het standpunt gesteld dat deze dienen te worden teruggegeven, al dan niet door niet-essentiële gegevens te wissen voorafgaand aan de teruggave. 7.
  13. Het oordeel van de rechtbank Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp. De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 2, 3, 4 en 5 genoemde voorwerpen, verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en deze voorwerpen door middel van het bewezenverklaarde strafbare feit zijn verkregen. De rechtbank zal de inbeslaggenomen iPhone met goednummer PL1500-2024252001-3184972 verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en met betrekking tot dit voorwerp het bewezenverklaarde feit is begaan. Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. De rechtbank zal de inbeslaggenomen iPhone 12 met goednummer PL1500-2024252001-3184974 onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien dit aan de verdachte toebehorende voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit is aangetroffen, terwijl het voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De rechtbank komt tot dit oordeel gelet op het op deze iPhone aangetroffen beeldmateriaal waarop de verdachte met een vuurwapen te zien is. 8De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen: - 14 a, 14b, 33, 33a, 36b, 36d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht; - 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 9De beslissing De rechtbank: verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; verklaart de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 9 (NEGEN) MAANDEN; bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 3 (DRIE) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; de inbeslaggenomen goederen; gelast de teruggave aan de beslagene van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 670 EUR Geld Euro; verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 2, 3, 4 en 5 genoemde voorwerpen, te weten: 250 EUR Geld Euro, 80 EUR Geld Euro, 70 EUR Geld Euro en 50 EUR Geld Euro; verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp met goednummer PL1500-2024252001-3184972, te weten: iPhone; verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp met goednummer PL1500-2024252001-3184974, te weten: iPhone
  14. Dit vonnis is gewezen door mr. A. Dantuma-Hieronymus, voorzitter, mr. J. Snoeijer, rechter, mr. L. Anemaet, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Claessens, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 december 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.