← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:27694

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/267516-19 Datum uitspraak: 17 oktober 2025 Tegenspraak (art. 279 Sv) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [de verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 3 oktober 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. T. Berger en van wat door de raadsman van de verdachte, mr. G.R. Stolk, naar voren is gebracht. De verdachte is zelf niet verschenen. [aangever] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en schadevergoeding gevorderd. De rechtbank heeft van die vordering en de nadere toelichting ter terechtzitting door mr. C.J. Berghout, advocaat, kennisgenomen. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 7 november 2019 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meer horloges en/of een (schouder)tas, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(

  1. s)toebehoorde, te weten aan [aangever] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen deze [aangever] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(
  2. s)aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,- deze [aangever] een kopstoot heeft gegeven, en/of;- deze [aangever] heeft bedreigd met de woorden: 'Je hebt geluk dat er camera's zijn, anders had ik je geblazen hierzo.' en/of 'Laat je tas los anders steek ik je.' en/of;- deze [aangever] aan zijn arm, althans aan zijn lichaam, heeft getrokken/gerukt, en/of;- deze [aangever] heeft vastgepakt en/of;- deze [aangever] heeft geslagen en/of gestompt tegen het lichaam en/of;- deze [aangever] heeft geslagen en/of gestompt terwijl deze [aangever] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 3De ontvankelijkheid van de officier van justitie 3.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op het tijdsverloop in de onderhavige zaak. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tijdsverloop geen reden is om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien het belang van strafvervolging gedurende dit tijdsverloop niet is komen te vervallen. 3.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat het tijdsverloop in onderhavige zaak dient te worden aangemerkt als een overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad stelt als vuistregel dat, indien sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, dit niet leidt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderingsgevallen. Overschrijding van de redelijke termijn kan worden gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De rechtbank ziet in deze zaak geen reden om af te wijken van de voornoemde vuistregel en komt tot het oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte. 4De bewijsbeslissing 4.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde, met uitzondering van de bij het eerste gedachtestreepje ten laste gelegde kopstoot. 4.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. 4.3. Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. 4.4. Bewijsoverwegingen Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met zijn medeverdachten de ten laste gelegde poging tot diefstal met geweld heeft gepleegd. Door de verdediging is aangevoerd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor een poging tot diefstal met geweld. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een poging tot diefstal met geweld, omdat het voornemen van de verdachten om de aangever [aangever] te beroven zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Dat het de bedoeling was om de aangever te beroven volgt uit de aangifte en de verklaring van getuige [getuige 1] . Daaruit volgt dat de aangever op de plaats delict was om een verkoop te sluiten met een persoon die later bleek te zijn de medeverdachte [medeverdachte 1] , dat vervolgens meerdere personen – die later bleken te zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] – om de aangever heen stonden, dat hij werd geslagen en dat die personen trokken aan hem en aan zijn tas. Dat geweld is gebruikt bij de poging tot diefstal volgt ook uit de foto’s van het letsel van de aangever en uit de verklaring van getuige [getuige 2] , die heeft verklaard dat de aangever werd geslagen door drie jongens terwijl hij op de grond lag. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de voornoemde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm te beschouwen als te zijn gericht op de voltooiing van de diefstal met geweld. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het handelen van de verdachten het medeplegen van de poging tot diefstal met geweld van de aangever oplevert. Het verweer dat de verdachte vrijwel alleen maar in de auto heeft gezeten en niets van de geweldshandelingen heeft meegekregen, wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt immers dat de verdachte en zijn medeverdachten gezamenlijk achter de aangever aan zijn gerend en dat zij allen geweldshandelingen hebben gepleegd. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat naar de uiterlijke verschijningsvorm sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarom acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen. Verder is door de officier van justitie en de verdediging gesteld dat het dossier, naast de verklaring van de aangever, geen bewijs bevat voor de tenlastegelegde kopstoot en dat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank acht ook de tenlastegelegde kopstoot wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe als volgt. De verklaring van de aangever is gedetailleerd en vindt op essentiële onderdelen steun in andere bewijsmiddelen. De rechtbank acht de verklaring van de aangever dan ook in zijn geheel betrouwbaar en ziet geen reden om te twijfelen aan het onderdeel van zijn verklaring dat betrekking heeft op de kopstoot. 4.5. De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: hij op 7 november 2019 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meer horloges en een (schouder)tas, die aan [aangever] toebehoorden, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen deze [aangever] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken,- deze [aangever] een kopstoot heeft gegeven; en- deze [aangever] heeft bedreigd met de woorden: 'Je hebt geluk dat er camera's zijn, anders had ik je geblazen hierzo.' en 'Laat je tas los anders steek ik je.'; en- deze [aangever] aan zijn arm, althans aan zijn lichaam, heeft getrokken; en- deze [aangever] heeft vastgepakt; en- deze [aangever] heeft geslagen tegen het lichaam; en- deze [aangever] heeft geslagen terwijl deze [aangever] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad. 5De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 6De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 7De strafoplegging 7.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf conform het voorarrest, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis. 7.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat artikel 9a Sr van toepassing is. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om een voorwaardelijke taakstraf op te leggen. 7.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van het feit De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld. Het slachtoffer is daarbij vastgepakt, geslagen en er is aan hem een kopstoot gegeven. De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en het spreekt voor zich dat dergelijke gewelddadige berovingen indruk maken op de slachtoffers daarvan. De advocaat van het slachtoffer heeft ter terechtzitting namens hem toegelicht dat hij veel boosheid en angst heeft ervaren na het incident. Afgezien van de gevolgen voor het slachtoffer, brengt een dergelijk feit ook gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweeg. Daarbij is in dit geval van belang dat het incident in de vroege avond plaatsvond op een drukbezochte plek, waardoor veel voorbijgangers getuige zijn geweest van het handelen van de verdachte en zijn medeverdachten. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 september 2025, waaruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Overschrijding van de redelijke termijn De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn met bijna vier jaren is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de straf tot gevolg moet hebben. De straf Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit acht de rechtbank het niet passend om artikel 9a Sr toe te passen. De rechtbank acht voor een straatroof met licht geweld in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend en geboden. Gelet op de forse overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank deze straf echter matigen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf conform de duur van het voorarrest, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en een taakstraf van 80 uren. 8De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel [aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vorderde aanvankelijk een schadevergoeding van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en het verzoek om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. Op de terechtzitting heeft de advocaat van de benadeelde partij de vordering verhoogd naar € 595,00 vanwege indexatie. 7.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 500,00 en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de indexatie zal worden verrekend door middel van de wettelijke rente. 7.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk kan worden toegewezen. 7.3 Het oordeel van de rechtbank De vordering Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 595,00. De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 595,00, bestaande uit immateriële schade. Wettelijke rente De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 oktober 2025, te weten de datum waarop dit vonnis wordt uitgesproken. De rechtbank acht het onwenselijk dat de peildatum van de wettelijke rente op het moment van het ontstaan van de schade wordt gesteld, nu het niet aan de verdachte is toe te rekenen dat zijn strafzaak pas bijna zes jaar na dat moment wordt behandeld. Proceskostenveroordeling Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Hoofdelijkheid Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen. Schadevergoedingsmaatregel De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 595,00. 9De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 45, 62, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 10De beslissing De rechtbank: verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5 bewezen is verklaard; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: poging tot diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; verklaart de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 4 (VIER) DAGEN; bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 4 (VIER) dagen, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; veroordeelt de verdachte voorts tot: een taakstraf voor de tijd van 80 (TACHTIG) UREN; beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 40 (VEERTIG) DAGEN; heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 595,00 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 oktober 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever] ; veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden; legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 595,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 oktober 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever] ; bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 11 (ELF) dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op; bepaalt dat als een van de mededader(
  3. s)de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen; bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, voorzitter, mr. E.R.F. van Engelen, rechter, mr. T.A.B. Mentink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Claessens, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 oktober 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.