← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:27766

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.50240 (beroep) en NL25.50241 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. J.J. de Vries), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 14 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag. Beoordeling door de rechtbank Geen zitting
  2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit. Waar gaat deze zaak over?
  3. Eiser stelt de Libische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 2007 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. Wat vindt eiser in beroep?
  4. Gemachtigde van eiser stelt dat de bestreden beschikking onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. De inhoud van de zienswijze en de eerder ingediende stukken dienen als herhaald en ingelast beschouwd te worden. Eiser stelt dat er sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Eiser kampt met ernstige medische en psychische problemen. Verweerder miskent eisers individuele situatie en had ambtshalve onderzoek moeten verrichten naar zijn gezondheidssituatie. Verweerder had bovendien moeten verzekeren dat eiser toegang zal hebben tot adequate medische zorg in Spanje. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van het Hof van Justitie en een uitspraak van het EHRM. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom het AIDA-rapport (update 2024) geen afbreuk doet aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van het Hof van Justitie en een uitspraak van de Afdeling. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eisers beroep op artikel 17 van de Dublinverordening niet wordt gehonoreerd. Verder beroept eiser zich op het arrest C.K. Bovendien kan niet aan eiser verweten worden dat hij tweemaal niet op gehoor is verschenen en zich niet heeft afgemeld, nu hij belemmerd wordt door zijn gezondheid. Het niet vermelden van de exacte start- en einddatum van de overdrachtstermijn schaadt de rechtszekerheid van eiser. Tot slot handelt verweerder in strijd met het evenredigheidsbeginsel en artikel 24 van het Handvest. Wat is het oordeel van de rechtbank? Heeft eiser procesbelang?
  5. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag geteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep omdat uit informatie van verweerder is gebleken dat eiser op 7 november 2025 met onbekende bestemming (mob) is vertrokken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat er in dat geval in beginsel vanuit gegaan mag worden dat de vreemdeling niet langer prijs stelt op de door hem gezochte bescherming. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus kan worden aangenomen dat hij nog prijs stelt op bescherming in Nederland. De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd op 21 november 2025 aangegeven dat hij na de mob-melding van 7 november 2025 op 21 november 2025 nog contact heeft gehad met eiser. Hij heeft tevens aangegeven dat er ook via Nidos nog contact met eiser is geweest. Onder die omstandigheden neemt de rechtbank procesbelang aan in deze zaak. Herhaald en ingelast
  6. De rechtbank overweegt allereerst dat het uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de zienswijze en de overige stukken naar voren heeft gebracht, niet zonder meer kan worden afgeleid waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen. Zorgvuldigheid
  7. Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers kwetsbaarheid waardoor niet gesteld kan worden dat het in eisers risicosfeer valt dat hij tweemaal niet op gehoor is verschenen en zich daarvoor tevens niet heeft afgemeld, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het binnen eisers risicosfeer valt wanneer hij twee keer niet komt opdagen voor het gehoor en waar hij zich tevens niet voor heeft afgemeld. Eiser stelt dat dit te wijten is aan zijn medische/psychische situatie. De rechtbank overweegt dat eiser deze medische en psychische problematiek niet heeft onderbouwd en dat eiser tevens niet heeft geconcretiseerd op welke wijze hij wordt beperkt in zijn mogelijkheden om een Dublingehoor bij te wonen of zich daarvoor af te melden. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank in dit kader geen aanleiding om een nadere onderzoeksplicht voor verweerder aan te nemen. Dat er geen Dublingehoor heeft plaatsgevonden maakt in dit geval dan ook niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser ook in de gelegenheid is gesteld om via de zienswijze zijn bezwaren tegen een overdracht aan Spanje kenbaar te maken, van welke gelegenheid hij ook gebruik heeft gemaakt. 7.
  8. Eisers betoog dat het niet vermelden van de start- en einddatum van de overdrachtstermijn in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel slaagt niet. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening, gelezen in samenhang met artikel 82, tweede lid, aanhef en onder a van de Vw 2000, een overdracht dient plaats te vinden uiterlijk binnen een overdrachtstermijn van zes maanden, gerekend vanaf de datum van het claimakkoord. De Spaanse autoriteiten hebben op 31 juli 2025 het claimverzoek geaccepteerd. Nu voorgaande gegevens voor eiser bekend waren, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat eisers rechtszekerheid is geschaad. Interstatelijk vertrouwensbeginsel
  9. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden van de zaak. 8.
  10. De rechtbank overweegt dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De Afdeling heeft recentelijk nog bevestigd dat ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In diezelfde uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het door eiser aangehaalde AIDA-rapport (update 2024) geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in de opvangvoorzieningen in Spanje voor Dublinclaimanten dan volgt uit de landeninformatie die is betrokken in de eerdere uitspraken van de Afdeling. De stelling dat verweerder niet kan verwijzen naar algemene jurisprudentie om te concluderen dat er nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, leidt gezien de recente Afdelingsuitspraak die specifiek ingaat op het door eiser aangehaalde rapport niet tot een andere conclusie. De verwijzingen naar het Jawo-arrest en het arrest van het EHRM treffen ook geen doel, nu eiser geen stukken heeft overgelegd die de gestelde ernstige, medische en psychische omstandigheden, ziekte en verslavingsproblematiek van eiser aantonen. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder gehouden was onderzoek te verrichten naar de gezondheidssituatie van eiser. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in beginsel op vertrouwen dat de Spaanse autoriteiten hun internationale verplichtingen zullen nakomen en dat eiser indien nodig de adequate medische zorg zal krijgen. De stelling dat verweerder geen concrete feiten noemt waaruit blijkt dat eiser toegang tot medische zorg zal hebben treft gezien het voorgaande geen doel. Verder mag van eiser worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen in de Spaanse asielprocedure, opvangvoorzieningen of anderszins beklaagt bij de (hogere) Spaanse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Spaanse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in eisers verwijzingen naar het X-arrest, de uitspraak van de Afdeling en in het overige wat eiser aanvoert geen aanknopingspunten om tot een andere conclusie te komen. Artikel 17 van de Dublinverordening
  11. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gehouden was om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat zijn overdracht aan Spanje van een onevenredige hardheid getuigt. De enkele, niet onderbouwde stellingen over de medische situatie van eiser zijn hiertoe onvoldoende en reeds betrokken bij de vraag of van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan ten opzichte van Spanje. Ook het beroep op het arrest C.K. slaagt niet. Hieruit volgt dat een Dublinoverdracht een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling met zich kan brengen als de overdracht van een vreemdeling die psychische of lichamelijke beperkingen heeft een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben. Het is aan eiser om met objectieve gegevens de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aan te tonen. Zoals eerder geconcludeerd heeft eiser geen (medische) stukken overgelegd. Verder zijn er geen aanwijzingen dat de medische voorzieningen in Spanje niet van dezelfde kwaliteit zijn als die van Nederland. Het bestreden besluit is voldoende gemotiveerd. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het evenredigheidsbeginsel of artikel 24 van het Handvest. Conclusie en gevolgen
  12. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
  13. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
  14. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Hof van Justitie van de Europese Unie ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo t. Duitsland) en Europees Hof van de Rechten van de Mens, zaaknummer 41738/10 (Paposhvili t. België). Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2024:195 (X-arrest). Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2024:
  15. ECLI:EU:C:2017:
  16. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
  17. Zie de uitspraak van 25 november 2025 ECLI:NL:RVS:2025:
  18. Zie de uitspraken van 8 juli 2021 ECLI:NL:RVS:2021:1481, van 27 juli 2023 ECLI:NL:RVS:2880 en van 24 juni 2024 ECLI:NL:RVS:2024:
  19. Europees Hof van de Rechten van de Mens, zaaknummer 41738/10 (Paposhvili t. België). ECLI:NL:RVS:2024:
  20. Zie ook ECLI:NL:RVS:2020:2580, r.o. 2.
  21. Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.