← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:27768

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.44460 (beroep) en NL25.44461 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (gemachtigde: mr. F. Arslan), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag. Beoordeling door de rechtbank Geen zitting
  2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
  3. De rechtbank beoordeelt of het beroep ontvankelijk is. Heeft eiser nog procesbelang?
  4. Verweerder heeft in het bericht van 4 november 2025 aan de rechtbank laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser met een bericht in het digitale dossier verzocht om hierop te reageren. De gemachtigde van eiser heeft hier op 22 november 2025 op gereageerd. 4.
  5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, er in beginsel vanuit mag worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. De vreemdeling heeft in dat geval geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep over het besluit op zijn asielaanvraag. Dit is alleen anders als een vreemdeling laat weten dat hij nog contact met zijn gemachtigde heeft en dus nog steeds op prijs stelt op de door hem gezochte bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde nog contact heeft met de vreemdeling over de voortgang van de procedure en de keuzes die daarin moeten worden gemaakt. 4.
  6. Vaststaat dat eiser sinds 15 oktober 2025 met onbekende bestemming is vertrokken en dat de gemachtigde van eiser op 22 november 2025 de rechtbank heeft laten weten dat eiser sinds het bericht van verweerder dat eiser met onbekende bestemming is vetrokken, niet reageert op haar e-mails en berichten. Zij heeft daarom geen gesprek met eiser kunnen voeren. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Conclusie en gevolgen
  7. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
  8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
  9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
  10. Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.