RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 24/13995 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 februari 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoekster] , uit Marokko, verzoekster V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: T. Ben Haddou), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. P.M.W. Jans). Inleiding
- In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster hangende het bezwaar tegen de afwijzing van haar visumaanvraag. 1.
- De minister heeft de visumaanvraag bij het besluit van 23 januari 2024 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek strekt ertoe dat alsnog een visum wordt verleend, zodat verzoekster een familiebijeenkomst kan bijwonen. 1.
- De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 februari 2025 ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de minister van Buitenlandse Zaken. Verzoekster was niet aanwezig. 1.
- Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter direct uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de voorzieningenrechter hierna. Beoordeling door de voorzieningenrechter
- Een verzoek om een voorlopige voorziening is alleen mogelijk als er ook een bezwaar- of beroepsprocedure loopt. Dit is het zogenoemde connexiteitsvereiste.
- Toen verzoekster haar verzoek om een voorlopige voorziening indiende op 5 september 2024 had zij ook bezwaar gemaakt. Omdat de minister inmiddels op het bezwaar heeft beslist, is er geen lopende bezwaarprocedure meer. 3.
- Ter zitting heeft de voorzieningenrechter aan de gemachtigde van verzoekster gevraagd of verzoekster het besluit op bezwaar heeft ontvangen. De gemachtigde heeft dit bevestigd. Vervolgens is gevraagd of verzoekster tegen dat besluit beroep heeft ingesteld bij de rechtbank. De gemachtigde heeft daarop ontkennend geantwoord. 3.
- Nu tot op heden geen beroep tegen het besluit op bezwaar is ingesteld, is er geen lopende beroepsprocedure. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit. 3.
- Voor proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Conclusie en gevolgen
- De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2025 door mr. C.M. Dijksterhuis, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier. De voorzieningenrechter is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb.