Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 25-2047 Zaaknummer: C/09/682086 Datum beschikking: 27 maart 2026 Scheiding Beschikking op het op 20 maart 2025 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. F. Uzumcu te Rijswijk. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. S.K. Gopal te ‘s-Gravenhage. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift van 20 maart 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; het F9-bericht van 21 maart 2025, ingediend namens de vrouw, met bijlagen; het F9-bericht van 4 april 2025, ingediend namens de vrouw, met bijlage; het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van 23 april 2025, met bijlagen, van de zijde van de man; het verweerschrift op zelfstandige verzoeken tevens aanvullend verzoekschrift van 19 mei 2025, met bijlage, van de zijde van de vrouw; het verweerschrift op aanvullend verzoekschrift van 12 juli 2025, met bijlage, van de zijde van de man; het F9-bericht van 22 juli 2025, ingediend namens de man; het F9-bericht van 9 februari 2026, ingediend namens de vrouw, met bijlage; het aanvullend verzoekschrift van 9 februari 2026, van de zijde van de vrouw; het F9-bericht van 16 februari 2026, ingediend namens de man, met bijlagen; het F9-bericht van 17 februari 2026, ingediend namens de man, met bijlagen. De minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben in raadkamer hun mening kenbaar gemaakt. Op 27 februari 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; de man, bijgestaan door zijn advocaat en R. Chaker, tolk in de (Egyptisch) Arabische taal; [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad). Feiten - De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2009 te [plaats] , [land] . - Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats 1] , [land] , - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] , - [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2015 te [geboorteplaats 2] . - De kinderen verblijven op dit moment bij de vrouw. - De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit. - Deze rechtbank heeft op 12 februari 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende: dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] en dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden; dat de vrouw aan de man de goederen strekkend tot zijn dagelijks gebruik beschikbaar zal stellen, waaronder jassen, schoenen, medicijnen, brieven/post/ correspondentie, beddengoed en computer; dat de minderjarigen aan de vrouw zullen worden toevertrouwd; dat de man voorlopig gerechtigd is om de minderjarigen bij zich te hebben elke zaterdag en zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur waarbij de kinderen ’s avonds bij de man eten en de man de kinderen ophaalt en terugbrengt; dat de ouders zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie. Verzoek en verweer Het verzoek van de vrouw strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot: - bepaling dat voortaan alleen aan de vrouw het ouderlijk gezag zal toekomen over de kinderen; - vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw; - bepaling dat voor het overige tussen partijen zal gelden hetgeen is aangegeven in het ouderschapsplan, danwel op een door de rechtbank te bepalen wijze, al dan niet als aanpassing op bepaalde onderdelen van het ouderschapsplan; - vaststelling van kinderalimentatie van € 500,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 1 mei 2025, danwel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum en bijdrage, bij vooruitbetaling te voldoen, met van toepassingverklaring van de wettelijke indexering; - toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning aan de [adres] ; - althans een zodanige beschikking af te geven als UEA in goede justitie mocht vermenen te behoren; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens. De man voert – onder referte ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding – verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken en verzoekt zelfstandig: - vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man; - vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, zoals omschreven onder punt 8 van het verweerschrift (birdnesting); - toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning; - althans een zodanige beschikking te nemen als UEA in goede justitie mocht vernemen te behoren: een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens. Ter zitting heeft de vrouw haar verzoek om te bepalen dat tussen partijen zal gelden wat in het door haar eenzijdig opgestelde ouderschapsplan is opgenomen, ingetrokken. Beoordeling Echtscheiding Rechtsmacht en toepasselijk recht De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 3 onder ii van de Brussel II ter-verordening (nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019) rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot echtscheiding. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen. Ontvankelijkheid – ontbreken ouderschapsplan Door partijen is geen ouderschapsplan overgelegd overeenkomstig artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Nu het ouderschapsplan in de wet geformuleerd is als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken, heeft de rechtbank de bevoegdheid de verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv). Naar het oordeel van de rechtbank is uit de overgelegde stukken en het besprokene op de zitting voldoende gebleken dat partijen niet in staat zijn om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen. Gelet hierop zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen. Inhoudelijke beoordeling De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft ter zitting verklaard dat hij zich verzet tegen de echtscheiding omdat hij hoopt zich te verzoenen met de vrouw. Het is de rechtbank gebleken dat partijen al meer dan een jaar niet meer samenwonen en dat de vrouw samenwoning met de man niet meer mogelijk acht. Naar vaste jurisprudentie dient verbreking van de samenwoning voor langere tijd te worden aangemerkt als een ernstige aanwijzing voor duurzame ontwrichting. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat de vrouw ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij niet bereid is om zich met de man te verzoenen of een poging daartoe te doen. De rechtbank acht herstel van de huwelijksband dan ook uitgesloten, waarmee de duurzame ontwrichting van het huwelijk is komen vast te staan. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen. Gezag, hoofdverblijfplaats en zorgregeling Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek met betrekking tot het verzoek tot wijziging van het gezag, het vaststellen van de hoofdverblijfplaats en het vaststellen van een zorgregeling. Inhoudelijke beoordeling Gezag De vrouw stelt dat beëindiging van het gezamenlijk gezag in het belang van de kinderen noodzakelijk is, dan wel omdat de kinderen anders klem of verloren zullen raken. De man koestert wrok jegens de vrouw en de kinderen als gevolg van de scheiding en sluit zich van de vrouw en de kinderen af. De man verliest daarbij de belangen van de kinderen uit het oog. De man heeft geweigerd toestemming te geven voor de aanvraag van nieuwe paspoorten voor de kinderen en voor een reis van de vrouw met de kinderen naar [land] . De vrouw heeft daarom afgelopen zomer niet met de kinderen op vakantie kunnen gaan. De paspoorten van de kinderen zijn binnenkort niet meer geldig, dus door de weigering van de man om toestemming te verlenen voor de aanvraag van nieuwe paspoorten, hebben de kinderen binnenkort geen beschikking meer over geldige identiteitsbewijzen. De man acht beëindiging van het gezamenlijk gezag prematuur. Partijen zijn eerder doorverwezen naar ouderschapsbemiddeling, maar dat traject is niet van de grond gekomen. De man staat nog altijd open voor hulpverlening. De man voert voorts aan dat hij niet uit wrok heeft geweigerd om toestemming te geven voor een vakantie naar [land] , maar omdat hij een reis naar [land] niet veilig acht voor de kinderen als hij hen niet zelf vergezelt. Ter zitting heeft de man aanvankelijk verklaard dat hij toestemming zal geven voor de aanvraag van nieuwe paspoorten voor de kinderen, maar die toezegging heeft hij aan het eind van de zitting weer ingetrokken. De Raad heeft er ter zitting allereerst op gewezen dat de kinderen niet de dupe mogen worden van alles wat er tussen de ouders speelt. De raad heeft naar voren gebracht dat een traject voor ouderschapsbemiddeling weinig kans van slagen heeft, zolang de man blijft hopen op verzoening met de vrouw. Doorverwijzing naar het UHA voor deelname aan het traject gezinsvertegenwoordiging, waarbij beide ouders een eigen coach krijgen om hen te begeleiden en ondersteunen, acht de Raad mogelijk wel zinvol. De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt van de wetgever is dat gezamenlijk ouderlijk gezag na de echtscheiding in stand blijft. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin het in het belang van het kind noodzakelijk is dat slechts één van de ouders het gezag uitoefent. In die gevallen kan het gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:251a lid 1 BW worden beëindigd. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat voor gezamenlijk gezag in het algemeen is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen. De rechtbank stelt op grond van de overgelegde stukken en de gebeurtenissen op zitting vast dat partijen niet in staat zijn tot constructieve communicatie en gezamenlijk overleg, met name omdat de man het einde van de relatie niet accepteert. De man verliest in zijn boosheid de belangen van de kinderen uit het oog en weigert zelfs toestemming voor praktische zaken, zoals de aanvraag voor nieuwe paspoorten. De rechtbank verwacht niet dat hier binnen afzienbare tijd verbetering zal komen, mede omdat een eerdere verwijzing naar een hulpverleningstraject niet tot resultaat heeft geleid. Het is daarom naar het oordeel van de rechtbank in het belang van de kinderen noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om eenhoofdig gezag dan ook toewijzen. Gelet op het bepaalde in artikel 1:253p, tweede lid, BW neemt het gezag van de vrouw aanvang nadat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal daarom de advocaat van de vrouw verzoeken om na de inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand hiervan melding te doen bij het gezagsregister. Hoofdverblijfplaats Doordat de vrouw alleen het gezag uit zal oefenen over de minderjarigen, is de vrouw ook de enige die mag bepalen waar de minderjarigen verblijven. Een beslissing omtrent de hoofdverblijfplaats is dan niet aan de orde. De verzoeken van beide partijen met betrekking tot de hoofdverblijfplaats zullen daarom worden afgewezen. Omgangsregeling Aangezien de rechtbank het gezamenlijk gezag zal beëindigen en de vrouw belast wordt met het eenhoofdig gezag over de kinderen, zal de rechtbank in het vervolg spreken over een omgangsregeling. Op grond van artikel 1:377a lid 1 BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Lid 3 van dit artikel bepaalt (voor zover hier van belang) dat omgang slechts wordt ontzegd indien omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang of omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. De man verzoekt de rechtbank te bepalen dat de ouders om de week in de voormalige echtelijke woning verblijven met de kinderen, zodat de ouders een gelijk aandeel hebben in de verzorging en opvoeding van de kinderen (‘birdnesting’). De man acht een dergelijke regeling in het belang van de kinderen. De vrouw verzet zich daartegen en voert aan dat de man de in de voorlopige voorzieningenprocedure vastgestelde regeling al niet consequent nakomt en dat uitbreiding van de contactmomenten niet in het belang van de kinderen is. De rechtbank stelt vast dat de in de voorlopige voorzieningenprocedure overeengekomen omgangsregeling niet of nauwelijks wordt nageleefd, maar dat partijen geen concreet alternatief hebben voorgesteld. De vrouw vindt het in het belang van de kinderen dat er een omgangsregeling wordt vastgelegd en ook daadwerkelijk wordt nagekomen, maar zij heeft geen concreet voorstel gedaan hoe die omgangregeling eruit zou moeten zien. De man heeft naar voren gebracht dat de kinderen altijd naar hem toe mogen komen. De Raad heeft erop gewezen dat het voor de kinderen belangrijk is dat er een regeling wordt vastgesteld die ook daadwerkelijk wordt nagekomen en dat het initiatief om contact met de man te hebben niet bij de kinderen komt te liggen. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank acht het – evenals de Raad – in het belang van de kinderen dat er een concrete omgangsregeling wordt vastgesteld en dat die ook wordt nagekomen. Beide ouders leggen de verantwoordelijkheid voor het contact tussen de kinderen en de man goeddeels bij de kinderen neer, door tegen hen te zeggen dat ze altijd naar de man mogen, maar daarbij het initiatief voor wanneer zij de man bezoeken bij de kinderen te laten. Dit is belastend voor de kinderen. Vast staat dat de man geen zelfstandige woonruimte heeft en dat de kinderen niet bij hem kunnen overnachten. Ook staat vast dat de in de voorlopige voorzieningenprocedure overeengekomen regeling te ruim is en niet wordt nagekomen. Alles overwegende oordeelt de rechtbank dat een omgangsregeling waarbij de kinderen om de week op zondag van 14.00 uur tot 17.00 uur bij de man zijn het meest aansluit bij de belangen van de kinderen. De rechtbank zal deze omgangsregeling dan ook vaststellen. Het verzoek van de man om vastlegging van een birdnestingregeling zal dus worden afgewezen. Kinderalimentatie Rechtsmacht en toepasselijk recht Omdat de ouders en de kinderen in Nederland wonen, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 van de Verordening betreffende onderhoudsverplichtingen rechtsmacht om te beslissen op het verzoek over de kinderalimentatie. De rechtbank past op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen Nederlands recht toe. Inhoudelijke beoordeling De vrouw heeft geen inzicht in de inkomsten van de man, maar schat dat hij in staat moet zijn om € 500,- per kind per maand aan kinderalimentatie te betalen. De man verweert zich daartegen en stelt dat de kinderen geen behoefte hebben, omdat met de door de vrouw ontvangen kinderbijslag en het kindgebonden budget volledig in hun kosten kan worden voorzien. Ook stelt de man dat hij geen draagkracht heeft voor betaling van kinderalimentatie. Behoefte Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van de kinderen is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald. Tijdens het huwelijk werkten partijen beiden in hun gezamenlijke onderneming, [bedrijfsnaam]. Blijkens de jaarstukken en bijbehorende belastingaangiftes genereerden partijen daarmee de volgende inkomsten: JaarInkomen manInkomen vrouw 2022 € 31.847,- € 23.244,- 2023 € 24.048,- € 13.566,- 2024 € 23.395,- onbekend Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van iedere ouder is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en eventuele andere inkomsten, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking worden genomen. Bij ondernemers wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen over drie jaar. Uit de overgelegde jaarstukken blijkt niet wat het inkomen van de vrouw in 2024 is geweest. Aangezien zowel de totale winst in 2024 als het inkomen van de man in 2024 niet substantieel is gewijzigd ten opzichte van 2023, zal de rechtbank bij de berekening van de behoefte van de kinderen voor 2024 het inkomen van de vrouw schatten op € 13.566,-, te weten het inkomen dat zij in 2023 genereerde. Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedraagt het NBI van de man + het NBI van de vrouw + het kindgebonden budget (KGB) waarop partijen aanspraak konden maken. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank het gemiddelde NGBI in de jaren 2022 tot en met 2024 op € 3.900,- per maand. Het daarop gebaseerde eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen bedraagt € 915,- per maand, oftewel € 305,- per kind per maand. Draagkracht vrouw Niet in geschil is dat de vrouw een bijstandsuitkering ontvangt. Het Rapport Alimentatienormen beveelt aan geen draagkracht aan te nemen bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt. Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen. De rechtbank ziet in onderhavige zaak geen aanleiding om van deze aanbevelingen af te wijken. Draagkracht man De man heeft voor de jaren 2025 en 2026 een prognose overgelegd, maar niet onderbouwd of toegelicht hoe die prognoses tot stand zijn gekomen. Verifieerbare stukken waaruit de winst van de onderneming of het inkomen van de man in 2025 en 2026 blijkt, zijn niet overgelegd. De rechtbank zal bij de berekening van de draagkracht van de man daarom aansluiten bij het hiervoor berekende NBI over de jaren 2022, 2023 en 2024. De rechtbank becijfert het NBI van de man daarom op gemiddeld € 2.087,- per maand. Bij een NBI van € 1.950,- tot € 2.200,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 2.050,- en € 2.100,- valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.