RECHTBANK Den Haag Team handel Zaak- / rolnummer: C/09/679142 / HA ZA 25-101 Vonnis van 6 augustus 2025 in de zaak van STICHTING AMSTERDAMSE HOGESCHOOL VOOR DE KUNSTEN te Amsterdam, eiser, hierna te noemen: AHK, advocaten: mr. M.H.D. Vergouwen en mr. D.P. op den Velde, tegen [gedaagde] te [woonplaats] , gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. F.E. Boonstra. 1Waar gaat deze zaak over? 1.
- [gedaagde] is op interim basis werkzaam geweest bij AHK, onder meer als Hoofd ICT. In die hoedanigheid heeft [gedaagde] twee zzp’ers geworven en hij is daarmee – zonder medeweten van AHK – een bemiddelingsvergoeding van € 10 per gewerkt uur overeengekomen. [gedaagde] heeft door het overeenkomen en verzwijgen van deze bemiddelingsvergoeding een direct en potentieel gevaar voor belangenverstrengeling in het leven geroepen. [gedaagde] was immers de leidinggevende van de twee zzp’ers en had ten opzichte van AHK een tegengesteld belang bij de (uren)inzet van de zzp’ers. [gedaagde] heeft daarom zijn zorgplicht richting AHK geschonden. 1.
- De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat [gedaagde] zich ook ten koste van AHK heeft verrijkt doordat de bemiddelingsvergoeding in het uurtarief van de zzp’ers aan AHK is doorgelegd. AHK zal daartoe worden toegelaten bewijs te leveren. 2De procedure 2.
- Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 16 januari 2025 met producties 1 tot en met 18, - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7, - het tussenvonnis van 2 april 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, - de akte overlegging aanvullende producties van AHK met producties 19 en 20, - de ter zitting overgelegde productie 8 van [gedaagde] . 2.
- Op 25 juni 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. 3De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 3.
- AHK is een instelling voor hoger onderwijs in de kunsten bestaande uit zes ondernemingen. [gedaagde] is als zzp’er werkzaam in de IT-sector en tevens enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ). [bedrijfsnaam 1] is een onderneming die zich bezighoudt met advisering en ondersteuning op het gebied van onder meer ICT en het heeft de functie van uitleenbureau. 3.
- Op 12 januari 2021 is [gedaagde] door een werving en selectiebureau, [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] ), voorgedragen om binnen AHK werkzaamheden te verrichten op basis van een overeenkomst van opdracht. [gedaagde] heeft vanaf 16 februari 2021 tot en met 31 januari 2024 verschillende ICT-gerelateerde (management)taken uitgevoerd binnen de AHK, onder meer in de functie van Hoofd ICT. 3.
- AHK heeft daartoe steeds een overeenkomst gesloten met [bedrijfsnaam 2] die op haar beurt overeenkomsten met [bedrijfsnaam 1] heeft gesloten. In de overeenkomsten tussen [bedrijfsnaam 2] en AHK stond onder meer opgenomen dat voor de uitvoering van de interim managementopdracht [gedaagde] was gevonden en dat de natuurlijke persoon [gedaagde] de werkzaamheden met betrekking tot de hem gegeven, tijdelijke functie persoonlijk zou verrichten. 3.
- Gedurende de interim opdracht van [gedaagde] bij AHK zijn twee zzp’ers geworven die in opdracht van AHK werkzaam zijn geweest op de ICT-afdeling van AHK. De zzp’ers hebben gedurende hun opdracht bij AHK een uurloon van AHK ontvangen. De zzp’ers hebben in het kader van de opdracht bij AHK aan [bedrijfsnaam 1] een bemiddelingsvergoeding van € 10 per gewerkt uur betaald. [gedaagde] tekende maandelijks namens AHK af op de door de zzp’ers gewerkte uren, waarna de zzp’ers daarvan opgave deden aan [bedrijfsnaam 1] . [bedrijfsnaam 1] factureerde vervolgens de bemiddelingsvergoeding aan de zzp’ers. 3.
- AHK is, nadat de interim opdracht met [gedaagde] van rechtswege was geëindigd, een onderzoek gestart naar het handelen door [gedaagde] en de financiële afspraken die hij met de zzp’ers had gemaakt. 4Het geschil 4.
- AHK vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - [gedaagde] te veroordelen om aan AHK te betalen een schadevergoeding ter hoogte van € 26.849,90 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verzending van de betreffende facturen, althans vanaf 20 juli 2024, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag van de algehele voldoening; - [gedaagde] primair te veroordelen aan AHK te betalen de door AHK gemaakte onderzoekskosten ter hoogte van € 20.354,13, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van deze dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening, dan wel subsidiair, enkel voor zover de daadwerkelijke onderzoekskosten niet volledig worden toegewezen, [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan AHK te voldoen de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.146,68 inclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van deze dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening; - [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure. 4.
- AHK legt aan haar vorderingen – samengevat – ten grondslag dat [gedaagde] onzorgvuldig, dan wel onrechtmatig, heeft gehandeld door zonder medeweten van AHK een bemiddelingsvergoeding met twee door AHK ingehuurde zzp’ers overeen te komen. [gedaagde] heeft daarmee een potentieel risico op belangenverstrengeling in het leven geroepen en zijn handelen heeft tot gevolg gehad dat AHK aan de zzp’ers een te hoog uurtarief heeft betaald. AHK vordert daarom een schadevergoeding van € 26.849,90, gelijk aan de bemiddelingsvergoeding van € 10 per gewerkt uur door de zzp’ers. Ook vordert AHK dat [gedaagde] de door haar gemaakte onderzoekskosten van € 10.317,76, advocaatkosten tot aan het opstellen van de dagvaarding van € 10.036,37 en proceskosten vergoedt. 4.
- [gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van AHK in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente. 4.
- [gedaagde] legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat het werven van zzp’ers geen onderdeel was van zijn interim opdracht, maar het een incidenteel ad hoc verzoek van AHK aan [bedrijfsnaam 1] betrof. Het stond [bedrijfsnaam 1] vrij een bemiddelingsvergoeding met de betreffende zzp’ers af te spreken. Daarbij bestaat er tussen [gedaagde] en de AHK geen (directe) contractuele rechtsverhouding, nu AHK een overeenkomst heeft gesloten met [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 2] op haar beurt heeft gecontracteerd met [bedrijfsnaam 1] . [gedaagde] heeft er tevens op gewezen dat de bemiddelingsvergoeding pas met de zzp’ers is besproken en overeengekomen nadat AHK en de zzp’ers de voorwaarden van de opdracht hadden vastgesteld. Om die reden heeft AHK niet een te hoog uurtarief aan de zzp’ers betaald. Van onzorgvuldig, dan wel onrechtmatig handelen, of schade, is aldus geen sprake, aldus nog steeds [gedaagde] . 4.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling 5.
- De rechtbank komt tot het oordeel dat er geen sprake is geweest van een incidentele, ad hoc opdracht aan [bedrijfsnaam 1] om zzp’ers te werven. [gedaagde] heeft bij het aanzoeken van de zzp’ers gehandeld in het kader van zijn interim opdracht. In dat kader rustte op [gedaagde] een zorgplicht die hij heeft geschonden door – zonder medeweten van AHK – een bemiddelingsvergoeding overeen te komen met zzp’ers die werkten in opdracht van AHK. [gedaagde] heeft daarmee namelijk een direct en potentieel gevaar voor belangenverstrengeling in het leven geroepen. Of het overeenkomen van de bemiddelingsvergoeding ook tot gevolg heeft gehad dat AHK een hoger uurtarief aan de zzp’ers heeft betaald, kan op dit moment niet worden vastgesteld. AHK zal daartoe worden toegelaten bewijs te leveren. De rechtbank licht dit hieronder toe. Er was geen sprake van een ad hoc incidentele opdracht aan [bedrijfsnaam 1] 5.
- In de eerste plaats heeft [gedaagde] aangevoerd dat AHK aan [bedrijfsnaam 1] opdracht zou hebben gegeven zzp’ers te zoeken. [bedrijfsnaam 1] zou deze opdracht hebben uitgevoerd en bemiddelingsovereenkomsten hebben gesloten met de betreffende zzp’ers. Volgens [gedaagde] zou de werving van de zzp’ers dus niet hebben plaatsgevonden in het kader van de uitvoering van zijn interim opdracht als Hoofd ICT. Het stond [bedrijfsnaam 1] vrij met de aangezochte zzp’ers een bemiddelingsvergoeding overeen te komen. Dit zou zelfs gebruikelijk zijn geweest in de sector. Anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd, is de rechtbank echter van oordeel dat geen sprake is geweest van een ad hoc, incidentele opdracht aan [bedrijfsnaam 1] . Zoals ter zitting zelf ook door [gedaagde] verklaard, is nooit uitgesproken dat het om dienstverlening door [bedrijfsnaam 1] zou gaan. Er was voor AHK dan ook geen enkele aanleiding om aan te nemen dat [gedaagde] handelde namens [bedrijfsnaam 1] voor wat betreft het werven van de zzp’ers. AHK behoefde daar ook niet op bedacht te zijn nu, zoals AHK opmerkt, het in de rede ligt dat het hoofd van de ICT-afdeling verantwoordelijkheid draagt voor het personeelsbeleid en de bezetting van de afdeling. Dat zich dat enkel, zoals [gedaagde] naar voren heeft gebracht, zou uitstrekken tot het aannemen van vast personeel, blijkt – zoals AHK terecht heeft opgemerkt – nergens uit. 5.
- Zoals AHK ook terecht heeft opgemerkt, wordt het standpunt van [gedaagde] weersproken doordat uit het dossier blijkt dat [gedaagde] met zijn leidinggevende binnen AHK in de Microsoft Teams-omgeving van AHK afstemming heeft gezocht over de online te plaatsen vacature voor de zzp-opdrachten. Uit het chatgesprek blijkt dat op de vacaturetekst door de leidinggevende van [gedaagde] akkoord wordt gegeven en dat deze leidinggevende expliciet navraagt of ‘ons’ dat wat kost. [gedaagde] antwoordt daarop dat het plaatsen van een vacature op freelance.nl gratis is. Deze handelswijze, waarbij onder meer expliciet wordt nagevraagd of het plaatsen van een vacaturekosten met zich brengt voor AHK, heeft AHK terecht gesterkt in haar verwachting dat het werven van de zzp’ers deel uitmaakte van de interim opdracht die [gedaagde] uitvoerde. 5.
- Kortom, de rechtbank komt tot het oordeel dat AHK in de gegeven omstandigheden uit de verklaringen en gedragingen van [gedaagde] heeft mogen afleiden dat [gedaagde] bij het werven van de zzp’ers handelde in het kader van zijn interim opdracht. Op [gedaagde] rustte een zorgplicht 5.
- De rechtbank is van oordeel dat op [gedaagde] in het kader van zijn interim opdracht de verplichting rustte voldoende zorgvuldig te handelen en daarbij acht te slaan op de gerechtvaardigde belangen van zijn opdrachtgever AHK. De feitelijk uitvoerder van een opdracht is op grond van artikel 7:404 BW immers náást de juridisch opdrachtnemer jegens de opdrachtgever gebonden aan de verplichting de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vak- of beroepsgenoot mag worden verwacht (artikel 7:401 BW). Ten overvloede merkt de rechtbank hierbij op dat ook op grond van artikel 6:162 BW op [gedaagde] een zorgplicht rustte, waarbij niet valt in te zien hoe de zorgplichten die voortvloeien uit de verschillende grondslagen in het onderhavige geval (op relevante punten) van elkaar zouden afwijken. 5.
- Bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde] overeenkomstig zijn zorgplicht heeft gehandeld, komt het aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval. Tot de in deze beoordeling te betrekken factoren behoren in ieder geval de aard van de geschonden norm, de ernst van de geconstateerde schending daarvan en de mate waarin het gevaar van schade redelijkerwijs voorzienbaar was. [gedaagde] heeft niet integer gehandeld, maar verrijking ten koste van AHK kan (nog) niet worden vastgesteld 5.
- Volgens AHK heeft [gedaagde] onzorgvuldig gehandeld door – zonder medeweten van AHK – met twee door AHK in te huren zzp’ers, die [gedaagde] als Hoofd ICT heeft geworven, een bemiddelingsvergoeding af te spreken. [gedaagde] heeft echter in de eerste plaats betwist dat AHK niet op de hoogte was van de overeengekomen bemiddelings-vergoeding. Volgens [gedaagde] heeft hij AHK namelijk op enig moment daarover ingelicht, al staat hem niet meer helder voor de geest wanneer dat was en aan wie hij dat zou hebben medegedeeld. De rechtbank gaat aan deze, van onvoldoende feitelijke grondslag voorziene betwisting voorbij nu deze geen steun vindt in de overgelegde stukken en daaruit juist blijkt dat de bemiddelingsvergoeding geheel via de administratie van [bedrijfsnaam 1] is gelopen. In de correspondentie met de AHK of in de administratie van AHK komt de bemiddelings-vergoeding niet terug. Daarnaast strookt dit standpunt niet met de handelswijze van AHK, nu zij direct een onderzoek heeft ingesteld naar het handelen van [gedaagde] toen zij via de gesprekken met de twee zzp’ers op de hoogte raakte van het bestaan van de bemiddelings-vergoeding. De rechtbank gaat er dus vanuit dat AHK niet op de hoogte was van de overeengekomen bemiddelingsvergoeding. 5.
- Bij de beoordeling van de normschending moet verder in aanmerking worden genomen dat de kickbackbetalingen, zeker omdat de af te dragen vergoeding gebaseerd was op een overeengekomen bedrag van het uurtarief van de ingehuurde zzp’ers, een direct en potentieel gevaar voor belangenverstrengeling opleveren. AHK heeft er immers belang bij dat externen snel en voortvarend hun taken uitvoeren, waar [gedaagde] daarbij een tegengesteld belang heeft. Daarmee is de kans op benadeling van AHK voorzienbaar en potentieel aanwezig. Door vervolgens niet transparant te zijn over deze kickbackbetalingen, heeft [gedaagde] niet integer gehandeld. Zulks geldt temeer gelet op de leidinggevende rol – en de daarbij behorende vrijheid en verantwoordelijkheid – die [gedaagde] als Hoofd ICT vervulde. Dat, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd, hij geen invloed zou hebben gehad op de werkzaamheden en (uren)inzet van de twee zzp’ers, volgt de rechtbank niet. [gedaagde] was immers het hoofd van de afdeling waartoe de twee zzp’ers behoorden en [gedaagde] was namens AHK de persoon die moest aftekenen op het urenoverzicht van de zzp’ers. [gedaagde] bevond zich aldus in een positie die het risico op belangenverstrengeling reëel maakte. Op zichzelf levert het overeenkomen en verborgen houden van de bemiddelingsvergoeding onder die omstandigheden een zorgplichtschending van [gedaagde] richting AHK op. 5.
- Volgens de rechtbank is op dit moment echter niet komen vast te staan dat [gedaagde] zich ook door het overeenkomen van de bemiddelingsvergoeding ten koste van AHK heeft verrijkt. De verklaring van AHK dat de zzp’ers zouden hebben gemeld dat [gedaagde] hen er toe zou hebben aangezet vanwege de bemiddelingsvergoeding een hoger uurtarief met de AHK overeen te komen omdat AHK “toch wel zou betalen”, en dat [gedaagde] daar namens de AHK bij betrokken is geweest, wordt immers door [gedaagde] betwist. Volgens hem is, los van het feit dat het [bedrijfsnaam 1] volgens hem vrijstond een bemiddelingsvergoeding overeen te komen, de bemiddelingsvergoeding pas voor het eerst bij de zzp’ers ter sprake gebracht nadat de voorwaarden van de opdracht al tussen AHK en de zzp’ers waren overeengekomen. Het uurtarief dat AHK heeft betaald aan de zzp’ers is daarom door de bemiddelingsvergoeding niet hoger uitgevallen, aldus [gedaagde] . Daarbij betwist [gedaagde] dat hij namens de AHK ook maar enige bemoeienis heeft gehad bij de uitonderhandeling van het uurtarief. 5.
- Zoals gezegd kan de rechtbank bij deze stand van het feitelijk debat niet vaststellen dat van verrijking ten koste van AHK sprake is geweest. AHK heeft haar stellingen op dit punt immers slechts onderbouwd aan de hand van haar eigen verklaringen omtrent hetgeen de zzp’ers (telefonisch) aan AHK over de totstandkoming van de bemiddelingsvergoeding zouden hebben medegedeeld, en [gedaagde] heeft deze verklaringen gemotiveerd betwist. AHK heeft echter bewijs van haar stellingen aangeboden, waardoor de rechtbank AHK zal toelaten te bewijzen dat het uurtarief zoals tussen AHK en de zzp’ers overeengekomen inderdaad € 10 per uur hoger is uitgekomen dan het geval zou zijn geweest indien [gedaagde] geen bemiddelingsvergoeding overeen zou zijn gekomen met de betreffende zzp’ers. De rechtbank merkt daarbij in dit kader op dat het in de rede ligt dat de zzp’ers als getuigen zullen worden gehoord. 5.
- In het geval dat AHK slaagt in het leveren van het aan haar opgedragen bewijs, zal de rechtbank voor wat betreft de geleden schade van het volgende uitgaan. Het door AHK te veel betaalde uurtarief aan de zzp’ers 5.
- De schade dient te worden vastgesteld door de feitelijke situatie waarin de normschending heeft plaatsgevonden te vergelijken met de hypothetische situatie zonder normschending. Als schade kwalificeert daarom het door AHK aan de zzp’ers meer betaalde bedrag van € 10 per uur ten opzichte van de situatie waarin er geen bemiddelingsvergoeding was overeengekomen. Concreet gaat dat om de gewerkte uren van de ingehuurde zzp’ers vermenigvuldigd met €
- Daarmee zou deze schadepost uit komen op een te veel betaald bedrag van € 7.828,70 aan de eerste zzp’er, HR IT Architect B.V., en een te veel betaald bedrag van € 19.021,20 aan de tweede zzp’er, ADA Consultancy. 5.
- [gedaagde] heeft in dit kader aangegeven dat het schadebedrag ten aanzien van ADA Consultancy niet klopt omdat [bedrijfsnaam 1] in totaal € 17.859,60 zou hebben ontvangen. De rechtbank merkt hierover echter op dat het niet gaat om wat [bedrijfsnaam 1] zou hebben ontvangen, maar wat AHK uiteindelijk te veel heeft betaald. Voor wat betreft het gevorderde bedrag inzake ADA Consultancy blijkt, zoals toegelicht door AHK, uit de overgelegde urenoverzichten dat de zzp’er in totaal 1572 uur heeft gewerkt. Dat houdt een bedrag van €15.720 exclusief BTW in. Inclusief BTW (21%) bedraagt het bedrag €19.021,
- Dit bedrag kwalificeert als schade, en niet het bedrag dat [gedaagde] aan bemiddelingsvergoeding heeft ontvangen. 5.
- AHK heeft tevens gevorderd om bovengenoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW, primair vanaf de datum waarop de (maandelijkse) facturen door de zzp’ers aan AHK zijn verzonden. De rechtbank stelt echter vast dat de eventuele schade, en daarmee de opeisbare vordering op [gedaagde] , steeds pas is ontstaan nadat AHK de betreffende facturen heeft voldaan. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen wanneer deze betalingen zijn gedaan, waardoor de rechtbank zal aansluiten bij de subsidiair gevorderde ingangsdatum, namelijk 20 juli 2024 zijnde de laatste dag van de termijn zoals gesteld in de eerste sommatiebrief van AHK. De onderzoeks- en advocaatkosten 5.
- AHK vordert tevens € 10.317,76 aan onderzoekskosten en € 10.036,37 aan kosten voor de inschakeling van haar raadslieden tot aan het opstellen van de dagvaarding. Op grond van artikel 6:96 lid 2 onder b komt als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Onder de in onderdeel b bedoelde kosten vallen zowel expertisekosten als kosten van juridisch advies en verzameling van bewijs. De rechtbank merkt daarbij expliciet op dat ook intern gemaakte bedrijfskosten, in de vorm van door eigen deskundige medewerkers aan de zaak bestede tijd, in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen. Voor toewijzing is wel vereist dat, in de gegeven omstandigheden, de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en dat de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn. De gemaakte onderzoekskosten moet [gedaagde] vergoeden 5.
- AHK heeft de onderzoekskosten nader gespecificeerd in een overgelegd urenoverzicht. Van de advocaatkosten is een overzicht van declaraties overgelegd. Ter zitting heeft AHK daarbij toegelicht dat na gesprekken met de zzp’ers alarmbellen zijn gaan rinkelen. Vervolgens heeft AHK een grondig onderzoek moeten instellen, waarbij AHK alle (financiële) contacten van [gedaagde] heeft moeten nalopen. AHK heeft daarbij benadrukt dat een dergelijk onderzoek noodzakelijk was ook in het kader van de af te leggen verantwoording en controle door de (externe) accountant, zeker gezien het feit dat een vermoeden van fraude bestond. 5.
- [gedaagde] heeft op zijn beurt de juistheid en noodzakelijkheid van de kosten betwist en daarbij aangegeven dat hij openheid van zaken zou hebben gegeven als AHK bij hem had aangeklopt. Dat laatste doet volgens de rechtbank niet af aan het belang van AHK om zelfstandig onderzoek te doen. AHK zou in het kader van haar eigen zorgplichten ook niet enkel hebben kunnen vertrouwen op de eventuele openheid van zaken door [gedaagde] . De rechtbank is het in dit kader ook met AHK eens dat zij, in het geval van een verdenking van wat in feite fraude zou kunnen inhouden, belang heeft bij het verrichten van grondig onderzoek. De precieze reikwijdte van een dergelijk onderzoek kan begrijpelijkerwijs niet op voorhand worden vastgesteld. Mede gezien het gespecificeerde overzicht van de (interne) onderzoekskosten, zijn er volgens de rechtbank geen aanwijzingen dat het onderzoek niet redelijkerwijs noodzakelijk was en de gemaakte kosten naar hun omvang onredelijk zijn. De rechtbank zal deze kosten daarom toewijzen. Wettelijk genormeerde buitengerechtelijke kosten worden toegewezen 5.
- Voor wat betreft de advocaatkosten kan de rechtbank slechts nagaan welke bedragen de advocaat van AHK heeft gedeclareerd. Ter zitting heeft AHK daarbij wel toegelicht dat de gevorderde kosten zien op begeleiding en advisering in het kader van het (fraude)onderzoek door AHK en de uitkomsten daarvan. Het gaat slechts om kosten tot aan het opstellen van de dagvaarding. De advocaatkosten omvatten tevens de kosten voor het opstellen van de correspondentie namens AHK aan [gedaagde] en zijn advocaat. 5.
- [gedaagde] heeft de uitleg door AHK betwist en aangegeven dat zij op basis van het declaratieoverzicht niet kan nagaan op welke werkzaamheden de advocaatkosten zien en of deze te onderscheiden zijn van buitengerechtelijke werkzaamheden waarvoor een wettelijke normering geldt. [gedaagde] heeft dat terecht opgemerkt. De rechtbank stelt wel vast dat gezien de correspondentie in het dossier en de toelichting van de advocaat van AHK vast is komen te staan dat AHK buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt. Niet is gebleken dat deze kosten niet redelijk zijn en niet in redelijkheid zijn gemaakt. De rechtbank zal daarom de wettelijk genormeerde buitengerechtelijke kosten van € 1.146,68 toewijzen, maar de overige gevorderde advocaatkosten afwijzen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten wordt toegewezen. Wat gebeurt er in het geval AHK niet slaagt in haar bewijsopdracht? 5.
- Indien AHK niet slaagt in het leveren van het aan haar opgedragen bewijs, dan zal de rechtbank de gevorderde schadevergoeding ten aanzien van het te veel betaalde uurtarief afwijzen. Gezien echter de reeds vastgestelde zorgplichtschending, kunnen de gevorderde onderzoeks- en advocaatkosten – indachtig hetgeen hiervoor overwogen – naar verhouding en in redelijkheid worden toegewezen. Conclusie 5.
- De rechtbank komt tot het oordeel dat [gedaagde] door het overeenkomen en verborgen houden van de bemiddelingsvergoeding een direct en potentieel gevaar voor belangenverstrengeling in het leven heeft geroepen. [gedaagde] was immers de leidinggevende van de twee zzp’ers en had ten opzichte van AHK een tegengesteld belang bij de (uren)inzet van de zzp’ers. [gedaagde] heeft daarom zijn zorgplicht richting AHK geschonden. De rechtbank heeft echter (nog) niet vast kunnen stellen dat [gedaagde] zich ook ten koste van AHK heeft verrijkt doordat de bemiddelingsvergoeding tot een hoger uurtarief van de zzp’ers heeft geleid. AHK zal daartoe worden toegelaten bewijs te leveren. 5.
- Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 6De beslissing De rechtbank 6.
- draagt AHK op te bewijzen dat het uurtarief zoals tussen AHK en de zzp’ers overeengekomen € 10 per uur hoger is uitgekomen dan het geval zou zijn geweest indien [gedaagde] geen bemiddelingsvergoeding overeen zou zijn gekomen met de betreffende zzp’ers, 6.
- bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 20 augustus 2025 voor uitlating door AHK of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel, 6.
- bepaalt dat, als AHK geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen, 6.
- bepaalt dat, als AHK getuigen wil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober 2025 tot en met december 2025 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald, 6.
- bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. N. Hengeveld, in het paleis van justitie te Den Haag, Prins Clauslaan 60, 6.
- bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen, 6.
- houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. N. Hengeveld en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus
- MvA II, Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1,7,9 en 14 1991, p.
- HR 1 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1036, NJ 1995/150 (Staat/Stichting NCB) en HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1278 (Staat/Neerijnen). MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 337; HR 16 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2740, NJ 1999/196 (AMEV/Staat) en HR 20 december 2013, NJ 2014/35 (M./UWV)).