← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:27926

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL24.8360 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. A.A. Hardoar), en de Minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit. 1.
  2. Verweerder heeft met het besluit van 7 februari 2024 aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming eindigt per 4 maart 2024 en aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Verweerder heeft met het besluit van 22 juli 2025 het eerdere terugkeerbesluit ingetrokken en aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Verweerder heeft bepaald dat eiser binnen vier weken na 4 september 2025 Nederland dient te verlaten. 1.
  3. Verweerder heeft op 13 oktober 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep op 27 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en A. Fawzy als tolk. Verweerder is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
  5. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Egyptische nationaliteit. Eiser verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Van 25 augustus 2022 tot 4 maart 2024 heeft eiser rechtmatig verblijf in Nederland gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.
  6. Op 7 februari 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt per 4 maart 2024, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan derdelanders die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Met hetzelfde besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Dit besluit is vervangen door het besluit van 22 juli
  7. Wat vindt eiser in beroep?
  8. Eiser voert aan dat de hem verleende tijdelijke bescherming ten onrechte is beëindigd en dat verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Verweerder heeft de beëindiging van de tijdelijke bescherming van eiser gebaseerd op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 januari 2024, waarin het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie op verkeerde wijze is uitgelegd. Uit het arrest Kaduna en Abkez volgt dat het eerder beëindigen van facultatieve tijdelijke bescherming alleen is toegestaan indien er door de lidstaat geen toezegging is gedaan dat de facultatieve bescherming niet eerder zal worden beëindigd dan de verplichte tijdelijke bescherming. De Afdeling heeft deze toets in haar drie uitspraken van 23 april 2025 weg gelaten. Zo lang niet is onderzocht of Nederland de bewuste toezegging heeft gedaan, is het terugkeerbesluit prematuur. Verder heeft verweerder ten onrechte niet getoetst aan artikel 3 van het EVRM en heeft verweerder in strijd met het evenredigheids-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel geen individuele belangenafweging gedaan. Tot slot, had verweerder eiser moeten horen alvorens het terugkeerbesluit op te leggen. Wat is het oordeel van de rechtbank? Het beroep gericht tegen het besluit 7 februari 2024 (verblijfsbeëindiging)
  9. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of het besluit voor zover gericht op de verblijfsbeëindiging van 7 februari 2024 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 5.
  10. Met betrekking tot eisers standpunt dat de Afdeling in haar uitspraak van 17 januari 2024 tot een onjuist oordeel is gekomen, heeft deze rechtbank in haar uitspraken van 27 maart 2024 geconcludeerd dat de conclusie van de Afdeling juist is. De Afdeling heeft geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van vreemdelingen zoals eiser op 4 maart 2024 van rechtswege is afgelopen. Verweerder heeft eiser van de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming op de hoogte gesteld door middel van een brief. Deze brief is niet op rechtsgevolgen gericht, maar is slechts van informatieve aard. De mededeling van 7 februari 2024 is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen de verblijfsbeëindiging om die reden niet-ontvankelijk verklaren. Het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024
  11. Nu verweerder het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen dit terugkeerbesluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Omdat het beroep terecht was ingesteld tegen het op 7 februari 2024 prematuur opgelegde terugkeerbesluit, ziet de rechtbank aanleiding om proceskosten te vergoeden voor het instellen van het beroep. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging
  12. Het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit van 22 juli 2025
  13. Uit de uitspraken van de Afdeling en het arrest Kaduna en Abkez volgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 22 juli 2025 en verweerder daarom bevoegd en verplicht is om een terugkeerbesluit op te leggen. 7.
  14. De rechtbank volgt eiser namelijk niet in zijn betoog dat verweerder de aan hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming niet heeft kunnen beëindigen per 4 maart
  15. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart
  16. In die uitspraken heeft de Afdeling wel degelijk geoordeeld dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming net zo lang zou duren als de verplichte tijdelijke bescherming. Eisers standpunt dat niet is onderzocht of de Nederlandse overheid de bewuste toezegging heeft gedaan, is daarom onjuist.
  17. Bovendien heeft de Afdeling in haar uitspraken geconcludeerd dat schending van het Unierechtelijke rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel niet aan de orde is. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Daarnaast is de rechtbank, evenals de Afdeling van oordeel dat aan het evenredigheidsbeginsel niet wordt toegekomen omdat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 van rechtswege afloopt. Daarom is voor een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in een individueel geval geen plaats. Eisers betoog dat er in strijd met het evenredigheidsbeginsel geen individuele belangenafweging heeft plaatsgevonden, slaagt daarom eveneens niet.
  18. Ten aanzien van eisers betoog dat verweerder bij het opleggen van het terugkeerbesluit had moeten toetsen of eiser bij terugkeer naar Egypte te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met het verbod op refoulement, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het arrest Ararat volgt dat verweerder verplicht is om het beginsel van non-refoulement in alle fasen van de terugkeerprocedure te eerbiedigen. De terugkeerprocedure is echter niet de plaats om een diepgaand onderzoek uit te voeren. De asielprocedure van eiser is buiten behandeling gesteld, waarbij eiser niet heeft gereageerd op de vraag of hij gehoord wilde worden en niet heeft gereageerd op het voornemen tot afwijzing. Eiser heeft ook niet in de zienswijze aangevoerd dat hij vreest voor een reëel risico van schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Egypte. In beroep heeft eiser enkel gesteld dat hij niet terug kan naar Egypte vanwege de militaire dienst. De rechtbank oordeelt dat uit het door eiser aangevoerde niet aanstonds en zonder diepgaand onderzoek onmiskenbaar blijkt dat sprake is van een risico op refoulement bij terugkeer naar Egypte. Zoals verweerder terecht heeft aangegeven, staat het eiser vrij om een asielaanvraag in te dienen, waarbij er onderzoek kan worden verricht naar eisers asielmotieven.
  19. De rechtbank overweegt tot slot dat verweerder af heeft kunnen zien van het horen van eiser. Uit arresten van het Hof van Justitie volgt dat eiser in staat moet worden gesteld om zijn standpunten over het terugkeerbesluit kenbaar te maken alvorens dat wordt opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser daartoe voldoende in staat heeft gesteld, nu hij met een zienswijze heeft kunnen reageren op het voornemen van verweerder om een terugkeerbesluit op te leggen. Het is de rechtbank daarbij niet duidelijk welke informatie verweerder niet heeft kunnen betrekken in de besluitvorming omdat eiser niet is gehoord. Conclusie en gevolgen
  20. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 is niet-ontvankelijk.
  21. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 22 juli 2025 is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het terugkeerbesluit van 22 juli 2025 terecht heeft opgelegd.
  22. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk; verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 22 juli 2025 ongegrond; veroordeelt verweerder tot betaling in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen. ECLI:NL:RVS:2024:
  23. Van 19 oktober
  24. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (arrest Kaduna en Abkez). Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 april 2025, ECLI: NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:
  25. Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. ECLI:NL:RVS:2024:
  26. ECLI:NL:RBDHA:2024:4264 en ECLI:NL:RBDHA:2024:
  27. ECLI:NL:RVS:2024:32, r.o. 9.
  28. Zie ECLI:NL:RVS:2025:
  29. Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:
  30. ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:
  31. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32, r.o. 10.
  32. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:
  33. Rechtbank Den Haag, van 25 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:18300, r.o. 10.
  34. Zie het arrest van 8 mei 2018, EU:C:2018:308 en het arrest van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.