← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:27928

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.39853 (beroep) en NL25.39854 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. M.R. Verdoner), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.
  2. Eiser heeft op 22 juli 2025 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het besluit van 21 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening. 1.
  3. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen. Eiser is niet verschenen en heeft een afstandsverklaring ondertekend. Verweerder is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Eerdere procedures
  4. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum]
  5. Op 2 maart 1999 heeft hij in Nederland een asielaanvraag ingediend. Op 24 februari 2003 heeft hij op grond van het categoriaal beschermingsbeleid een verblijfsvergunning asiel gekregen. Vervolgens heeft eiser op 30 september 2005 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Deze vergunning is per 25 november 2005 verleend. Op 30 januari 2013 is deze verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken en is aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd omdat hij meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld vanwege het plegen van misdrijven. Met de uitspraak in het hoger beroep van 18 juni 2019 is de intrekking in rechte vast komen te staan. Eiser heeft daarna nog een aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM gedaan, welke op 18 oktober 2019 is afgewezen. Eiser heeft op 29 maart 2017 en op 18 juni 2019 een terugkeerbesluit opgelegd gekregen. Het asielrelaas
  6. Op 22 juli 2025 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij niet terug kan naar Irak omdat hij daar niemand heeft en hij geen banden heeft met het land. Eiser is verwesterd. Hij vreest dat hij bij terugkeer niet kan zeggen wie hij echt is en wat hij gelooft. Het bestreden besluit
  7. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit het volgende asielmotief:
  8. identiteit, nationaliteit en herkomst. 4.
  9. Verweerder vindt dit asielmotief geloofwaardig, maar verweerder vindt niet dat eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Irak. Uit het landenbeleid volgt niet dat er ten aanzien van eisers geloofsovertuiging of etniciteit sprake is van vervolging of dat zijn geloofsovertuiging en etniciteit worden aangemerkt als risicoprofiel. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege de gestelde verwestering risico loopt. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eisers aanvraag een opvolgende aanvraag is, die niet niet-ontvankelijk is verklaard en omdat eiser op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid vormt. Wat vindt eiser in beroep?
  10. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst vindt eiser dat zijn asielaanvraag niet als een opvolgende aanvraag aangemerkt kan worden omdat hij in 1999 in het kader van gezinshereniging naar Nederland is gekomen. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom zijn persoonlijke omstandigheden niet leiden tot een reëel risico op bij terugkeer. Eiser loopt als soenniet, zonder sociaal netwerk en met een verwesterde identiteit een verhoogd risico op vervolging in Irak. Hij weet niet hoe hij zich daar zou moeten gedragen of uiten en zal door zijn westerse gedragingen, taalachterstand en gemengde religieuze achtergrond direct opvallen. Wat is het oordeel van de rechtbank?
  11. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot haar oordeel is gekomen. Mocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade?
  12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade, vanwege zijn identiteit, nationaliteit of herkomst. 7.
  13. De rechtbank overweegt dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat uit de door eiser overgelegde stukken, verklaringen en algemene landeninformatie niet volgt dat soennieten in Irak enkel vanwege hun religie een reëel risico lopen. Ook heeft eiser geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd die maken dat hij een hoger risico loopt op vervolging vanwege zijn religie. Verder heeft verweerder mogen vinden dat de door eiser gestelde vrees vanwege verwestering niet aannemelijk is. De omstandigheid dat eiser in Irak niet op een vergelijkbare manier kan leven als in Nederland is daarvoor onvoldoende. Verweerder heeft daarbij mogen stellen dat eiser zich, mede gelet op zijn achtergrond en leeftijd, in zekere mate kan aanpassen aan de Iraakse samenleving en zich kan conformeren aan de normen en waarden zoals die gelden in Irak. Dat eiser naar verwachting moeilijkheden zal ondervinden, maakt nog niet dat sprake is van vervolging of schending van artikel 3 van het EVRM. De door eiser ingebrachte landeninformatie over verwestering verandert het oordeel van de rechtbank niet, nu deze voornamelijk ziet op verwesterde vrouwen in Irak. De beroepsgrond slaagt daarom niet. 7.
  14. Voor zover door eiser wordt betoogt dat verweerder had moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM, overweegt de rechtbank dat er twee eerdere asielaanvragen (namens eiser) zijn ingediend. Op 2 maart 1999 heeft eisers moeder namens hem een eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze verblijfsvergunning is op 24 februari 2003 verleend. Vervolgens heeft eiser op 30 september 2005 weer een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd aangevraagd. De onderhavige aanvraag betreft dan ook niet een eerste aanvraag. Artikel 3.6a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb verbindt de ambtshalve toets aan artikel 8 van het EVRM uitdrukkelijk aan de eerste aanvraag. Omdat er geen sprake is van een eerste asielaanvraag, had er geen ambtshalve toets ten aanzien van artikel 8 van het EVRM hoeven plaatsvinden. Daar komt nog bij dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State recentelijk het besluit tot afwijzing van de aanvraag in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft bevestigd. In deze procedure zijn eisers belangen ten aanzien van artikel 8 van het EVRM uitgebreid afgewogen. Verweerder heeft daarbij mogen stellen dat tot op heden niet is gebleken van feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden leiden. Mocht verweerder de asielaanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond?
  15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de asielaanvraag heeft mogen afwijzen als kennelijk ongegrond nu - zoals hiervoor is overwogen - eisers aanvraag een opvolgende aanvraag is, die niet niet-ontvankelijk is verklaard en eiser ook niet heeft betwist dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond dan ook voldoende heeft onderbouwd. Conclusie en gevolgen
  16. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
  17. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
  18. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g en j, van de Vw. Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Op grond van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Op grond van artikel 3 van het EVRM. Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 24 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2815, r.o. 7.2 en Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 27 december 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:10175, r.o. 4.
  19. Vreemdelingenbesluit
  20. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 30 september
  21. Op basis van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g en j, van de Vw.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.