← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:27929

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.47941 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres 1], [V-nummer 1], geboren op [geboortedatum 1] 1980, eiseres 1, mede namens haar minderjarige kinderen [eiser 1], [V-nummer 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014, eiser 1, [eiseres 2], [V-nummer 3], geboren op [geboortedatum 2] 2014, eiseres 2, [eiser 2], [V-nummer 4], geboren op [geboortedatum 3] 2017, eiser 2, tezamen aangeduid als eisers, (gemachtigde: mr. S. de Schutter), en de Minister van Asiel en Migratie, verweerder, ([gemachtigde]). Procesverloop

  1. Eisers hebben op 7 januari 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 25 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 1.
  2. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.
  3. De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres 1, de gemachtigde van eisers, M. de Wit als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas
  4. Eiseres 1 heeft de Israëlische nationaliteit en zij is geboren op [geboortedatum 1]
  5. Eiseres 1 behoort tot de Russische bevolkingsgroep. Zij is samen met haar kinderen vertrokken uit Israël vanwege de oorlog. Eiseres 1 heeft verklaard dat er regelmatig bombardementen hebben plaatsgevonden in haar woonplaats, wat ook van invloed was op het welzijn van haar kinderen. Het bestreden besluit
  6. Het asielrelaas van eiseres 1 bevat volgens verweerder het volgende asielmotief:
  7. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres
  8. 3.
  9. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres 1 geloofwaardig. Verweerder vindt dat eiseres 1 bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, omdat de problemen die zij heeft ervaren vanwege haar etnische afkomst onvoldoende zijn om haar als vluchteling aan te merken. Verder vindt verweerder dat eiseres 1 bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, omdat er in Israël geen sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict zoals bedoeld in artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Tot slot krijgen eisers geen reguliere vergunning op basis van humanitaire gronden, maar wel uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet, omdat de minderjarige kinderen van eiseres 1 onder behandeling staan bij [zorginstantie]. Wat vindt eiseres 1 in beroep?
  10. Eiseres 1 vindt dat zij bij terugkeer naar Israël risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM. Eiseres 1 heeft aangevoerd dat er vanwege de oorlog in haar woonplaats bombardementen zijn, dat er verschillende huizen zijn geraakt door raketten en dat er een wapenfabriek in de buurt is die doelwit is voor raketten. Verweerder heeft deze aspecten onvoldoende betrokken in het bestreden besluit en hierdoor onvoldoende gemotiveerd waarom er geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Tot slot heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom er geen sprake zou zijn van bijzondere, individuele omstandigheden. Gelet op de begeleiding van het hele gezin is er geen sprake van enkel medische problematiek. Eiseres 1 heeft vanwege de gedragsproblemen van haar kinderen een ambulante begeleider die helpt bij de opvoeding. Wat is het oordeel van de rechtbank?
  11. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Mocht verweerder vinden dat eisers geen reëel risico lopen op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM?
  12. Volgens artikel 4, eerste en tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn is het in eerste instantie aan de vreemdeling om door middel van zijn verklaringen en documentatie en in samenwerking met verweerder alle elementen ter staving van zijn verzoek om internationale bescherming naar voren te brengen. Verweerder moet dan vervolgens op grond van artikel 4, derde lid van de Kwalificatierichtlijn aan de hand van wat de vreemdeling naar voren heeft gebracht, alle mogelijke relevante omstandigheden en factoren vaststellen en bij de beoordeling betrekken. Volgens Afdelingsjurisprudentie moet verweerder daarna de door de vreemdeling naar voren gebrachte omstandigheden beoordelen in het licht van de veiligheidssituatie in het gebied waar een vreemdeling vandaan komt. Daarbij moet verweerder een gemotiveerde beoordeling maken en betrekken of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de relevante elementen ook daadwerkelijk zorgen voor een verhoogd risico op ernstige schade. Verweerder dient daarbij te motiveren waarom het samenstel van de naar voren gebrachte omstandigheden, in het licht van de veiligheidssituatie, niet voldoende is voor het aannemen van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. 6.
  13. Bij de beoordeling of er willekeurig geweld binnen een gewapend conflict is moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen. Daarbij moet onder meer gekeken worden naar de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, maar ook naar de geografische spreiding van het willekeurig geweld, de bestemming van een vreemdeling bij terugkeer en de vragen of, waar en hoe vaak de strijdende partijen opzettelijk geweld plegen tegen burgers. 6.
  14. Gelet op het voorgaande, oordeelt de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er in Israël geen sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict zoals bedoeld in artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Eiseres 1 heeft aangevoerd dat er sprake is van een gewapend conflict in Israël en dat er in haar woonomgeving raketaanvallen zijn. Daarnaast heeft eiseres 1 op zitting toegelicht dat de situatie is veranderd, nu er ook een conflict is tussen Iran en Israël. Verweerder had in zijn besluit kenbaar moeten motiveren waarom de door eiseres 1 naar voren gebrachte omstandigheden, in het licht van de veiligheidssituatie in Israël, niet voldoende is voor het aannemen van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Verweerder had daarbij ook hetgeen overwogen onder 6.1 moeten betrekken. Nu verweerder dit heeft nagelaten, heeft hij in strijd gehandeld met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank oordeelt dat hetgeen verweerder op zitting naar voren heeft gebracht, onvoldoende is om het motiveringsgebrek te repareren, nu verweerder slechts enkele bronnen heeft genoemd. Mocht verweerder vinden dat eisers geen recht hebben op een reguliere vergunning op basis van humanitaire gronden?
  15. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers geen recht hebben op een reguliere vergunning op basis van humanitaire gronden. In het bestreden zijn weliswaar de documenten over de zorg van de kinderen genoemd, maar verweerder heeft niet inzichtelijk gemotiveerd hoe deze documenten zijn meegenomen in de beoordeling. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit enkel genoemd dat de zorg en begeleiding die het gezin ontvangt voorzieningen zijn die in Nederland breder beschikbaar zijn en er daarom geen sprake is van een uitzonderingssituatie. De rechtbank is het met eiseres 1 eens dat hiermee onvoldoende is gemotiveerd waarom het geheel aan omstandigheden in onderlinge samenhang bezien niet bijzonder genoeg is om in aanmerking te komen voor een reguliere vergunning op basis van humanitaire gronden. Verweerder heeft daarom in strijd gehandeld met artikel 3:46 van de Awb. Conclusie en gevolgen
  16. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
  17. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814,-. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 25 september 2025; draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Richtlijn 2011/95/EU. Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927, r.o. 6.3 en 6.
  18. Arrest Hof van Justitie, van 10 juni 2021, CF en DN tegen Bundesrepublik Deutschland, ECLI:EU:C:2021:472, punten 43 en
  19. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927, r.o. 5.
  20. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.