RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL24.52104 en NL24.40118 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om in Nederland te verblijven onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (hierna: de Richtlijn) en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.
- Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 17 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.
- Op 14 oktober 2024 heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank hangende zijn bezwaar tegen het besluit van 17 september 2024 (bekend onder zaaknummer NL24.40118). Omdat de rechtbank nog niet op het verzoek had beslist ten tijde van het beroep, wordt dit behandeld als een verzoek hangende beroep. 1.
- Verweerder heeft zich daags voor de zitting afgemeld. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend in reactie op de beroepsgronden. 1.
- De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 10 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen. Eiser zelf was verhinderd te verschijnen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
- Eiser is geboren op [geboortedatum] 2005 en heeft de Oekraïense nationaliteit. Hij heeft aangegeven in Nederland te willen verblijven onder de Richtlijn en heeft daarbij een (onvolledige) asielaanvraag gedaan door zich in te schrijven bij de gemeente. 2.
- Bij het besluit van 17 september 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor verblijf onder de Richtlijn afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden. Eiser was vóór 27 november 2021 al uit Oekraïne vertrokken, namelijk op 24 augustus
- Hij heeft toen enige tijd in Turkije verbleven en is niet meer naar Oekraïne teruggegaan. Hierdoor is eiser volgens verweerder niet ontheemd geraakt door het conflict en valt hij niet onder de Richtlijn. Bij het bestreden besluit van 2 december 2024 is verweerder bij deze afwijzing gebleven. Omdat hierover geen twijfel bestond heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit daarmee kennelijk ongegrond verklaard. Wat vindt eiser in beroep?
- Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. Hiertoe voert eiser aan dat verweerder ten onrechte ervan heeft afgezien om eiser in bezwaar te horen. Eiser had in een gehoor namelijk kunnen toelichten waarom hij niet terug zou kunnen naar Oekraïne en genoodzaakt is geweest naar Nederland te vluchten. Ook is eiser inmiddels geïntegreerd in de Nederlandse arbeidsmarkt en hij dient daarmee een economisch belang. Tijdens een hoorzitting had eiser daarbij een afstandsverklaring of een asielaanvraag kunnen tekenen, zodat deze meteen zou kunnen worden beoordeeld. Hem terugzetten in de wachtrij voor zijn asielaanvraag is niet efficiënt. Daarnaast bevat het bestreden besluit een standaard motivering waardoor ten onrechte de belangen van eiser en de Nederlandse staat buiten beschouwing zijn gelaten. Hierbij heeft verweerder ten onrechte niet gemotiveerd dat eiser naast de Richtlijn onder geen andere beschermingsgrond viel en dat er geen uitvoerig onderzoek hoefde te worden verricht. Verweerder had op grond van de inherente afwijkingsbevoegdheid moeten beoordelen of eiser voor een andere verblijfsvergunning in aanmerking komt. Wat is het oordeel van de rechtbank?
- Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat het verblijf van eiser in Turkije, zoals door verweerder beschreven, niet wordt betwist. Ook staat niet discussie dat eiser niet aan de voorwaarden van de Richtlijn voldoet. Eiser is echter van mening dat verweerder ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt bij de beoordeling van het bestreden besluit, en niet heeft gekeken naar alternatieve verblijfsrechten (zowel een asielvergunning als andere verblijfsvergunningen) waaronder eiser alsnog rechtmatig verblijf in Nederland zou kunnen behouden. 4.
- Omdat niet ter discussie staat dat eiser niet onder de voorwaarden van de Richtlijn valt, zal de rechtbank dit niet verder behandelen. Ter discussie staat of verweerder eraan gehouden was om een belangenafweging te maken voor de beoordeling van de aanvraag van eiser en of eiser eventueel onder een ander verblijfsrecht in Nederland zou kunnen blijven, en of verweerder niet heeft hoeven horen in bezwaar. 4.
- Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder een belangenafweging had kunnen maken bij deze beoordeling. Het betreft een vaststelling van feiten dat maakt of iemand wel of niet onder de Richtlijn valt. Voldoet een vreemdeling aan de voorwaarden, dan is verweerder gehouden een vreemdeling verblijf onder de Richtlijn toe te kennen, behoudens uitzonderingen om een vreemdeling de tijdelijke bescherming te ontzeggen. Vaststaat dat eiser niet aan de voorwaarden van de Richtlijn voldoet. Een verdere belangenafweging maakt blijkens de Richtlijn geen onderdeel uit van deze beoordeling. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn betoog dat verweerder bij zijn beoordeling rekening had moeten houden met het economisch belang dat eiser dient door in Nederland te werken, zijn redenen om niet terug te kunnen naar Oekraïne of dat verweerder had moeten beoordelen of eiser evenwel op andere gronden een verblijfsstatus zou kunnen krijgen. Om dezelfde redenen slaagt ook het argument van eiser niet dat er sprake is van een motiveringsgebrek omdat er in het bestreden besluit geen rekening is gehouden met zijn belangen. Daar merkt de rechtbank bij op dat eiser nog steeds de mogelijkheid heeft om zijn asielprocedure te doorlopen – waarin hij zijn redenen om niet terug te kunnen naar Oekraïne kenbaar kan maken – en desgewenst een andere aanvraag voor een verblijfsvergunning kan indienen. 4.
- De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder af heeft kunnen zien van horen in bezwaar. De rechtbank verwijst in de eerste plaats naar rechtsoverweging 4.2 waarin al is overwogen dat verweerder geen rekening heeft hoeven houden met de door eiser aangevoerde omstandigheden. Bovendien heeft verweerder voldoende informatie gehad om de beoordeling te kunnen maken en is niet betwist dat eiser niet onder de Richtlijn valt. Niet is gebleken dat een gehoor in bezwaar tot een ander oordeel had kunnen leiden. Verweerder heeft dan ook kunnen concluderen dat er geen twijfel bestond dat eiser niet onder de Richtlijn viel en het bezwaar kennelijk ongegrond kunnen verklaren. 4.
- Voor zover eiser daarbij heeft willen aanvoeren dat er redenen zijn waarom hij niet naar Oekraïne uitgezet kan worden, merkt de rechtbank op dat het bestreden besluit geen terugkeerbesluit inhoudt. Van eiser wordt thans niet verwacht dat hij teruggaat naar Oekraïne, omdat hij zijn asielprocedure in Nederland mag afwachten. Conclusie en gevolgen
- Niet is gebleken dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen of ondeugdelijk is gemotiveerd. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
- Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
- Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Zie artikel 3.9a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV). Zie artikel 3.1a, tweede lid, van het VV. Op grond van artikelen 7:2 en 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.