← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:27986

RECHTBANK Den Haag Team Handel Zaaknummer: C/09/608766 / HA ZA 21-251 Vonnis van 19 februari 2025 in de zaak van [eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres, advocaat: mr. L.C. van den Berg, te Den Haag, tegen DE PROVINCIE ZUID-HOLLAND, te Den Haag, gedaagde, advocaten: mr. M.S. Houweling en mr. B.T. Tonino, te Den Haag. Partijen zullen hierna [eiseres] en de provincie worden genoemd. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 8 november 2023; - de conclusie na tussenvonnis, tevens houdende vermindering, vermeerdering en wijziging van eis van [eiseres] , met producties 79 tot en met 117; - de conclusie na tussenvonnis van de provincie, met producties 31 tot en met 41; - de akte na kostenbegroting deskundige van de zijde van de provincie; - de antwoordakte van de zijde van [eiseres] . 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.
  3. Voor de feiten, de vorderingen en de stellingen van partijen verwijst de rechtbank naar haar tussenvonnis van 8 november 2023 (hierna: het tussenvonnis). De rechtbank blijft bij wat zij in het tussenvonnis heeft overwogen en beslist. 2.
  4. De rechtbank heeft – samengevat – in het tussenvonnis geoordeeld dat: - partijen op 16 december 2020 een gewijzigde aannemingsovereenkomst hebben gesloten voor de uitvoering van MMW 196-a met een termijnverlenging tot en met 15 april 2021; - het werk MMW196-a op grond van paragraaf 14 UAV in onvoltooide staat is beëindigd door de provincie en dat er moet worden afgerekend conform de bepalingen van paragraaf 14 lid 10 UAV; - de rechtbank vorderingen XVIII en XXVII bij eindvonnis zal afwijzen; - de rechtbank vordering XIX bij eindvonnis zal toewijzen; - [eiseres] bewijs moet leveren van haar vorderingen onder 5.1 B. III tot en met XIV van het tussenvonnis; - partijen zich uit mogen laten over de persoon van een te benoemen deskundige ten behoeve van de vaststelling van de eindafrekening en over de aan de deskundige te stelen vragen; - partijen zich uit mogen laten over de persoon van een te benoemen deskundige ten behoeve van de vaststelling van de afrekening risicoregeling tot einde werk en over de aan de deskundige te stellen vragen; - [eiseres] bewijs moet leveren van haar vorderingen onder 5.1 B. XX, XXII, XXIII, XXIV, XXVI en XXVIII van het tussenvonnis; - partijen zich uit mogen laten over de persoon van een te benoemen deskundige in verband met de beoordeling van haar vordering onder 5.1 B. XXV van het tussenvonnis en de aan de deskundige te stellen vragen. 2.
  5. [eiseres] heeft bij conclusie na tussenvonnis haar eis op meerdere punten gewijzigd. Samengevat vordert [eiseres] : A. I. een verklaring voor recht dat [eiseres] het werk uiterlijk 15 april 2021 mocht opleveren conform de overeenkomst van 16 december 2020 en recht heeft op termijnverlenging conform par. 8 lid 4 UAV; II. een verklaring voor recht dat de overeenkomst van 16 december 2020 niet rechtsgeldig door de provincie is ontbonden maar dat sprake is van beëindiging van het werk in onvoltooide staat en dat de provincie gehouden is de kosten op grond van par. 14 UAV te vergoeden; B. de provincie te veroordelen tot betaling van: III. € 54.612,00 voor misgelopen opbrengst grond op grond van par. 14 lid 10 UAV; VII. € 199.285,20 voor stilstand eigen personeel en materieel op grond van par. 14 lid 10 UAV; VIII. € 293.883,60 voor de beëindiging van de overeenkomst met Ballast Nedam op grond van par. 14 lid 10 UAV; IX. € 25.486,20 voor beëindiging overeenkomst CityTec op grond van par. 14 lid 10 UAV; X. € 47.217,00 ter zake beëindiging goedgekeurd meerwerk op grond van par. 14 lid 10 UAV; XI. € 4.534,04 voor niet overgenomen materialen op grond van par. 14 lid 10 UAV; XIII. € 31.154,09 voor beëindiging overeenkomst groenvoorziening op grond van par. 14 lid 10 UAV; XIV. € 15.668,54 voor beëindiging overeenkomst straatwerk op grond van par. 14 lid 10 UAV; XVII. € 591.478,64 voor de staat van afrekening; XVIII. € 723.824 voor MMW 183; XIX. € 246.813,57 voor MMW 163-e; XX. € 2.518,80 voor MMW 165-a; XXI. € 149.422,34 voor afrekening risicoregeling tot einde werk; XXII. € 90.363,66 voor MMW 128; XXIV. € 3.662,51 voor MMW 226; XXV. € 166.019,45 voor MMW 202; XXVI. € 21.538,49 voor MMW 194; XXVII. € 10.913,00 voor MMW 167-a; XXVIII. € 2.727,69 voor MMW 110, en XXIX. de proceskosten met rente, inclusief de verhoging van 2% op grond van paragraaf 45 lid 2 UAV. C. [eiseres] vordert bij III tot en met XIV alle voorgaande bedragen te vermeerderen met de daarover verschuldigde omzetbelasting, althans een door de rechtbank in redelijkheid te bepalen bedrag, te verhogen met de wettelijke handelsrente vanaf 12 januari 2021 tot het moment van algehele voldoening. D. [eiseres] vordert bij XVII tot en met XXIII alle voorgaande bedragen te vermeerderen met de daarover verschuldigde omzetbelasting, althans een door de rechtbank in redelijkheid te bepalen bedrag, te verhogen met de wettelijke handelsrente vanaf het moment van dagvaarden tot het moment van algehele voldoening. 2.
  6. De rechtbank zal weer een tussenvonnis wijzen. Zij blijft bij haar voornemen vordering XIX bij eindvonnis toe te wijzen, maar zal op grond van wat partijen hebben aangevoerd de vorderingen III, VII, VIII, IX, X, XI, XIII, XIV, XX, XXII, XXIV, XXV, XXVI en XXVIII bij eindvonnis afwijzen. Voor de verdere beoordeling van de vorderingen XVII, XXI en XXV zal de rechtbank een deskundige aanwijzen. De rechtbank licht haar oordeel hierna toe. Afrekening op grond van paragraaf 14 lid 10 UAV 2.
  7. De rechtbank heeft [eiseres] in het tussenvonnis toegelaten bewijs voor haar vorderingen III tot en met XIV te leveren. [eiseres] heeft daartoe een conclusie na tussenvonnis ingediend. De rechtbank zal deze vorderingen (voor zover deze nog worden gehandhaafd na de eiswijziging) hierna langslopen. Vordering III - Mislopen opbrengst grond 2.
  8. [eiseres] stelt dat uit het samenstel van bepalingen uit het bestek volgt dat bij het werk vrijkomende grond – van de klasse ‘wonen’– aan haar zou vervallen. Als gevolg van een bestekwijziging is een hoeveelheid van 7.000 m3 grond aan iemand anders vervallen dan aan [eiseres] , zo stelt [eiseres] . Omdat [eiseres] deze hoeveelheid als gevolg van een bestekwijziging en een tweede partij van 11.000 m3 als gevolg van de beëindiging van het werk in onvoltooide staat niet meer heeft kunnen afvoeren, maakt zij aanspraak op de bestekvergoeding voor deze hoeveelheden. 2.
  9. De provincie meent dat er voor een vergoeding voor deze af te voeren grond geen plaats is, al is het maar omdat [eiseres] ten bewijze van deze vordering alleen een schadeopstelling van eigen hand heeft overgelegd. Daarnaast voert de provincie aan dat [eiseres] voor de partij van 7.000 m3 de mogelijkheid heeft gehad deze zelf af te voeren. 2.
  10. Daargelaten welke gevolgen de beëindiging van het werk in onvoltooide staat heeft gehad voor de grond die aan [eiseres] zou vervallen, is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] door alleen een schadeopstelling van eigen hand te overleggen haar vordering niet heeft bewezen. Bovendien wijst de provincie er terecht op dat met die schadeopstelling niet is aangetoond dat er causaal verband bestaat tussen de beëindiging van het werk en het niet kunnen afvoeren van de grond, welk causaal verband de provincie betwist. Vordering III zal daarom bij eindvonnis worden afgewezen. Vordering VII - Stilstand eigen materieel/personeel 2.
  11. [eiseres] stelt dat zij ten tijde van de uitvoering van het werk geen andere opdrachten had en dat het als gevolg van de coronapandemie niet eenvoudig was die te verkrijgen. Toen het werk uiteindelijk helemaal stilviel, is [eiseres] er niet in geslaagd ander werk te verkrijgen. [eiseres] heeft wel geprobeerd haar personeel uit te lenen. Het geld dat zij hiermee heeft bespaard, brengt zij in mindering op haar vordering. Wat [eiseres] niet aan materieel- en personeelskosten heeft kunnen besparen, heeft zij nader willen bewijzen met een herziene kostenopstelling, een weekstaat over week 48 van 2020 en een e-mailbericht van de directievoerder van de provincie die deze weekstaat goedkeurt. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat het op grond van paragraaf 14 lid 10 UAV vervolgens aan de provincie is dit gemotiveerd te betwisten. 2.
  12. De provincie heeft aangevoerd dat – anders dan [eiseres] meent – materieel en personeel dat (eerder) vrijkwam door beëindiging van het werk, juist een besparing is conform de UAV. Ook wijst de provincie erop dat [eiseres] op zijn minst al één ander werk had verkregen waar zij materieel en personeel kon inzetten. Verder voert de provincie aan dat het werk eigenlijk al 6 december 2020 had moeten worden opgeleverd. Kosten die na dat moment zijn gemaakt, zijn voor rekening en risico van [eiseres] . Ten slotte heeft de provincie aangevoerd dat het niet voor de hand ligt dat de coronapandemie het faillissement van [eiseres] heeft veroorzaakt, maar eerder privéuitgaven van de bestuurder van [eiseres] , alsmede zijn overlijden. Maar bovenal heeft de provincie aangevoerd dat [eiseres] helemaal geen personeel in dienst zou hebben. Het personeel is volgens de provincie namelijk in dienst bij een andere vennootschap. 2.
  13. De rechtbank komt op grond van wat door partijen is aangevoerd tot het oordeel dat zij niet vast kan stellen of en zo ja, in hoeverre [eiseres] schade heeft geleden door stilstand van eigen materieel en of personeel. Op basis van de door de provincie ingediende brief van 21 augustus 2017 lijkt het er veeleer op dat werknemers waren ondergebracht in [bedrijf 1] B.V. en werden ingehuurd door [eiseres] (productie 38). Van stilstand van eigen personeel is dan geen sprake. Ook heeft [eiseres] niet bewezen dat zij daadwerkelijk schade heeft geleden in verband met (stilstand van) materieel. Het vereiste bewijs heeft [eiseres] niet geleverd, zodat vordering VII bij eindvonnis zal worden afgewezen. In dit verband wijst de rechtbank er nog op dat [eiseres] ten onrechte de gevolgen van de coronapandemie voor rekening van de provincie wil laten komen. Vordering VIII – Beëindiging Ballast Nedam 2.
  14. Ten bewijze van haar vordering op grond van de post ‘asfaltwerken’ overlegt [eiseres] een herziene kostenopstelling en e-mailberichten van haar onderaannemer Ballast Nedam. Verder geeft [eiseres] aan dat zij als gevolg van haar faillissement geen eigen betalingsbewijzen kan overleggen die bevestigen welk bedrag zij aan Ballast Nedam heeft moeten betalen en wat zij volgens de systematiek van paragraaf 14 lid 10 UAV van de provincie kan vorderen als gevolg van de beëindiging van het werk in onvoltooide staat. 2.
  15. De provincie betwist dat uit de overgelegde stukken blijkt welke betalingen aan Ballast Nedam zijn gedaan als gevolg van de beëindiging van het werk in onvoltooide staat. De provincie onderbouwt dit (onder meer) door erop te wijzen dat de kostenopstelling van de hand van [eiseres] zelf is, dat de kostenopstelling een datum bevat van na het faillissement, dat de kosten opstelling niet is ondertekend en zeker niet is goedgekeurd door de provincie. Maar bovenal blijkt uit de overgelegde stukken niet dat het betalingen zijn die zien op MMW 196-a. Dat is niet uit de e-mails, afschriften en het kostenoverzicht herleidbaar, aldus de provincie. 2.
  16. Hoewel de rechtbank in een e-mail van Ballast Nedam kan lezen dat er een bedrag ter finale kwijting is overeengekomen voor het ‘project Melissant’, is niet te zien hoe dit zich verhoudt tot de gestelde besparingen op grond van de UAV. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de eigen kostenopstelling – mede in het licht van het gemotiveerde verweer door de provincie – onvoldoende bewijs vormt voor de kosten die eventueel onder de systematiek van paragraaf 14 lid 10 UAV voor vergoeding in aanmerking zouden komen. Vordering VIII zal bij eindvonnis worden afgewezen. Vordering IX – Beëindiging CityTec 2.
  17. Omdat de provincie CityTec als opvolgend aannemer alsnog opdracht heeft gegeven, heeft [eiseres] deze vordering verminderd tot het bedrag van haar niet gerealiseerde aannemersvergoeding en gemist inkoopvoordeel. [eiseres] overlegt een goedgekeurde meerwerkopstelling, een offerte, een overzicht van uitgevoerde werkzaamheden en een opstelling die inzichtelijk moet maken welk deel van haar aannemersvergoeding nog moet worden betaald naar de stand van het werk. 2.
  18. De provincie betwist – samengevat – dat de kosten die [eiseres] opvoert, die zien op het aanbrengen van verlichting, verband houden met de beëindiging van MMW 196-a, namelijk opbreekwerkwerkzaamheden en asfaltverharding. Daarnaast is de door [eiseres] gehanteerde ‘stand van het werk’ niet de maatstaf voor de kosten, maar moet worden gekeken naar wat er daadwerkelijk is betaald, aldus de provincie. Dit heeft [eiseres] niet inzichtelijk gemaakt volgens de provincie. Er zijn geen betalingsbewijzen overgelegd, alleen stukken van eigen hand van [eiseres] . 2.
  19. De rechtbank is – met de provincie – van oordeel dat [eiseres] met de stukken die zij heeft overgelegd er niet in is geslaagd haar vordering te bewijzen. Zij had – mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de provincie – haar vorderingen aan de hand van voldoende onafhankelijke bewijsstukken moeten aantonen. De rechtbank zal vordering IX bij eindvonnis afwijzen. Vordering X – Beëindiging goedgekeurd meerwerk 2.
  20. [eiseres] vordert onder deze post een bedrag aan gemiste ‘Algemene kosten en winst’ voor aan haar opgedragen meewerken die niet meer zijn uitgevoerd. Zij vordert die kosten nog voor de volgende meerwerken: - opdracht MMW 038 (duiker vervangen); - opdracht MMW 045a (frezen asfalt Julianaweg); - opdracht MMW 92 (fasering Staakweg); - opdracht MMW 196a. 2.
  21. Volgens de provincie heeft [eiseres] ook in dit geval niet duidelijk gemaakt wat het verband is met deze meerwerken en de beëindiging van MMW 196-a. Daarnaast wijst de provincie erop dat de omvang van de inmiddels bijna gehalveerde vordering ook niet klopt. MMW 92 is bijvoorbeeld al voor een deel uitgevoerd en betaald. Dat laatste geldt ook voor MMW 199-a6 en 199-a
  22. 2.
  23. Met betrekking tot opdracht MMW-038 heeft de provincie gesteld dat die meerwerkopdracht niets van doen heeft met de beëindiging van meerwerkopdracht MMW 196-a. De rechtbank kan dit verweer niet volgen. [eiseres] heeft een door de provincie goedgekeurde meerwerkopdracht in het geding gebracht. Op grond daarvan maakt de meerwerkopdracht onderdeel uit van de aanneemsom en heeft [eiseres] op grond van artikel 14 lid 10 UAV recht op gemiste ‘Algemene kosten en winst’. Gesteld noch gebleken is dat dit werk ondanks de beëindiging van meerwerkopdracht MMW 196-a is uitgevoerd of – zoals de provincie betoogt – door aan [eiseres] toe te rekenen omstandigheden niet is uitgevoerd, welke omstandigheden zouden meebrengen dat [eiseres] geen recht meer zou hebben op vergoeding van de gemiste ‘Algemene kosten en winst’. Het bedrag van € 1.133,39 komt dan ook bij eindvonnis voor vergoeding in aanmerking. 2.
  24. Met betrekking tot opdracht MMW 045a geldt hetzelfde, zodat de rechtbank ook het gevorderde bedrag van € 240,80 bij eindvonnis zal toewijzen. 2.
  25. Ook voor opdracht MMW 92 geldt het voorgaande. [eiseres] erkent (en dit volgt ook uit termijnstaat 38 (productie 35, p. 28 bij conclusie na tussenvonnis van de zijde van de provincie) dat tot aan de termijnstaat 38 een bedrag van € 544.947,30 voor deze meerwerkopdracht is betaald. Weliswaar stelt de provincie dat ook termijnstaat 38 is betaald, maar daarop staat geen bedrag voor deze meerwerkopdracht. Nu [eiseres] aan de hand van de door de provincie goedgekeurde meerwerkopdracht heeft aangetoond dat voor dit meerwerk een aanneemsom van € 568.321,60 was overeengekomen, maakt [eiseres] terecht aanspraak op € 3.309,94 aan gemiste ‘Algemene kosten en winst’. Dit bedrag zal de rechtbank bij eindvonnis daarom toewijzen. 2.
  26. Met betrekking tot opdrachten MMW 196a heeft [eiseres] betoogd dat op die meerwerkopdracht de uitgevoerde meerwerken MMW 199a-6 en MMW 199a-7 in mindering moeten worden gebracht. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] door de provincie goedgekeurde meerwerkopdrachten heeft overgelegd in verband met MMW 199a-6 en MMW 199a-
  27. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] deze vordering onvoldoende heeft bewezen. De rechtbank kan de onderbouwing van [eiseres] van deze post – mede in het licht van het door de provincie gevoerde verweer – niet volgen. Terecht wijst de provincie erop dat [eiseres] in de berekening voor de meerwerken MMW 199a-6 en MMW 199a-7 ten onrechte bedragen in mindering brengt zonder de door de provincie betaalde aannemersvergoeding, terwijl onduidelijk blijft waarom (alleen) deze meerwerken in mindering worden gebracht. Bovendien blijkt uit termijnstaat 38 dat in totaal € 168.385,31 is betaald in verband met post 199a1 (afvoer verontreinigde hoogovenslakken), terwijl [eiseres] slechts € 99.325,21 in mindering brengen. Zonder toelichting die [eiseres] niet heeft gegeven, valt niet in te zien waarom dit eerstgenoemde totaalbedrag buiten de berekening is gebleven. En ook de onderbouwing en herkomst van het bedrag van € 531.660,75 is voor de rechtbank onvoldoende duidelijk. De toelichting bij de productie 94 bij conclusie na tussenvonnis van [eiseres] kan de rechtbank evenmin volgen. Deze vordering zal de rechtbank in een eindvonnis dan ook als niet bewezen afwezen. 2.
  28. Het voorgaande leidt ertoe dat er in verband met vordering X bij eindvonnis in totaal een bedrag van € 4.684,13 zal worden toegewezen. Vordering XI – Niet overgenomen materialen 2.
  29. [eiseres] vordert vergoeding van materialen die waren ingekocht en al aanwezig waren op de bouwplaats. De afvoerkosten van deze materialen, en de kosten van de materialen zelf, die de provincie niet over heeft willen nemen, komen voor vergoeding in aanmerking op grond van paragraaf 14 lid 10 UAV, aldus [eiseres] . 2.
  30. De provincie betwist dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. In de eerste plaats bestaat er volgens de provincie geen grond waarop de provincie verplicht is de materialen voor de aangeboden prijs over te nemen, zoals [eiseres] stelt. Deze materialen zijn al onderdeel van de aanneemsom. Daarnaast had [eiseres] de materialen ook op andere projecten kunnen inzetten. Ook heeft [eiseres] niet aangetoond dat deze kosten verband houden met beëindiging van MMW 196-a en zijn eventuele afvoerkosten niet met voldoende bewijsstukken aangetoond. De provincie voert verder aan dat zij onverplicht wel materialen heeft overgenomen, waarvoor ze als het ware al dubbel heeft betaald, omdat ze al in de aanneemsom horen te zijn meegenomen. 2.
  31. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] in het licht van de gemotiveerde betwisting van de provincie onvoldoende heeft gesteld over de grondslag van de verplichte overname van materialen na beëindiging van MMW 196-a. Wel is de rechtbank van mening dat eventuele afvoerkosten voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen, ware het niet dat [eiseres] in verband daarmee geen bewijsstukken in het geding heeft gebracht, terwijl de provincie als verweer heeft gevoerd dat zij bepaalde materialen wel onverplicht heeft overgenomen voor in totaal € 5.086,00 en daarvoor – naar het oordeel van de rechtbank is dit juist – dubbel heeft betaald. Feitelijk heeft [eiseres] dus al een compensatie voor de afvoerkosten ontvangen. [eiseres] heeft haar vordering niet bewezen. De rechtbank zal vordering XI bij eindvonnis dus afwijzen. Vordering XIII – Beëindiging overeenkomst groenvoorziening 2.
  32. [eiseres] heeft haar eis voor deze vordering verminderd. [eiseres] heeft verder een deel van haar inschrijfstaat en de overeenkomst van onderaanneming ten behoeve van de groenvoorziening overgelegd. [eiseres] stelt recht te hebben op vergoeding van haar niet gerealiseerde inkoopvoordeel. 2.
  33. De provincie betwist in de eerste plaats dat er een onderaannemingsovereenkomst tot stand is gekomen, omdat er geen ondertekende overeenkomst is overgelegd. Maar ook los daarvan is van het bestaan of de uitvoering van deze overeenkomst niet gebleken, aldus de provincie. Ook in dit geval meent de provincie dat [eiseres] onvoldoende heeft gesteld over het verband van deze vordering met de beëindiging van MMW 196-a. Ten slotte heeft de provincie aangevoerd dat ook deze gevorderde kosten al in de aanneemsom zijn verdisconteerd. 2.
  34. Het meest verstrekkende verweer van de provincie is dat er geen onderaannemingsovereenkomst is gesloten. De rechtbank is op grond van wat [eiseres] hierover heeft gesteld van oordeel dat het bestaan van een onderaannemingsovereenkomst voor groenvoorziening en de daadwerkelijke uitvoering daarvan inderdaad niet is vast komen te staan. De rechtbank zal vordering XIII bij eindvonnis afwijzen. Vordering XIV – Beëindiging overeenkomst straatwerk 2.
  35. Ook in dit geval vermindert [eiseres] haar vordering en legt zij een gewijzigde kostenopstelling over. [eiseres] vordert het verschil tussen de inschrijfprijs en de overeenkomst met de uitvoerder van het straatwerk als niet-bespaarde kosten. 2.
  36. De provincie voert aan dat zij nooit opdracht heeft gegeven voor dit meerwerk. Er is ook geen getekende meerwerkopdracht. Daarnaast stelt [eiseres] ook in dit geval niets over het verband met de beëindiging van MMW 196-a en blijkt ook nergens uit dat een betaling is verricht aan de onderaannemer, aldus de provincie. 2.
  37. De rechtbank kan niet vaststellen dat de provincie opdracht heeft gegeven tot dit meerwerk. De nauwelijks leesbare afbeelding onder randnummer 47 van de conclusie na tussenvonnis van [eiseres] is daarvoor onvoldoende. De rechtbank zal vordering XIV bij eindvonnis afwijzen. Eindafrekening 2.
  38. De rechtbank heeft in het tussenvonnis het voornemen geuit een deskundige aan te wijzen voor de vorderingen die betrekking hebben op de (eind)afrekening van het totale werk, daaronder begrepen de afrekening risicoregeling van vordering XXI. Bezwaren van de provincie tegen de benoeming van de deskundige 2.
  39. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 20 december 2023 kenbaar gemaakt in verband met welke vorderingen zij een deskundige wilde laten benoemen en heeft partijen de gelegenheid gegeven zich over de naam van de te benoemen deskundige(n) en de te stellen vragen uit te laten. 2.
  40. [eiseres] heeft daarop ingestemd met de door de rechtbank voorgestelde deskundige en het door de deskundige voorgestelde voorschot. De provincie heeft bezwaar gemaakt in de akte na kostenbegroting deskundige tegen de persoon van de deskundige, het voorschot en de noodzaak van een deskundigenbericht in verband met bepaalde vorderingen. 2.
  41. De provincie voert allereerst aan dat zij in haar conclusie van 17 juli 2024 ten aanzien van meerdere vorderingen heeft aangevoerd dat een deskundigenbenoeming niet aangewezen is. Om die reden kan de provincie niet op de kostenbegroting reageren. De rechtbank volgt de provincie niet in dit betoog. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis duidelijk kenbaar gemaakt in verband met welke vorderingen zij een deskundige wil benoemen en in verband daarmee aan partijen verzocht zich uit te laten over de naam van de te benoemen deskundige en de te stellen vragen. Dat de provincie het daar niet mee eens is, doet daar niet aan af. Het is aan de rechtbank om te beslissen in verband met welke onderdelen van de ingestelde vorderingen zij zich nader wenst te laten voorlichten door een gerechtsdeskundige. De provincie wist dan ook, althans had er gezien het tussenvonnis van 8 november 2023 van uit kunnen en ook moeten gaan dat de deskundige zou worden benoemd in verband met de door de rechtbank in voornoemd tussenvonnis genoemde vorderingen. 2.
  42. Bovendien is van belang dat de rechtbank partijen de gelegenheid heeft geboden om vragen te formuleren aan de deskundige. De provincie heeft dit slechts in verband met Vordering XXV gedaan en de rechtbank zal die vragen ook overnemen (zie hierna). Van beide (professionele) partijen mag verwacht worden dat zij in staat zijn om in verband met de vorderingen waarvoor de rechtbank een deskundige zal benoemen te beoordelen welke vragen de deskundige in verband daarmee dient te beantwoorden en een inschatting te maken van de werkzaamheden die de deskundige in verband daarmee dient uit te voeren. Dat de provincie dat om haar moverende redenen in verband met Vorderingen XVII en XXI heeft nagelaten, doet daar niet aan af. Om die reden kan de provincie in redelijkheid niet betogen dat zij als gevolg daarvan nu niet in staat is om de kostenbegroting te beoordelen. In dit verband wijst de rechtbank erop dat [eiseres] daar wel toe in staat is gebleken. 2.
  43. Bovendien is van belang dat slechts sprake is van een begroting, en dat het bedrag dat daaruit volgt bovendien door [eiseres] moet worden voorgeschoten. Uiteindelijk zal de deskundige na afronding van zijn werkzaamheden een gespecificeerde factuur moeten indienen en zal vervolgens beoordeeld worden of de gemaakte kosten terecht in rekening zijn gebracht en aan de deskundige dienen te worden vergoed door de partij die in het ongelijk wordt gesteld. Anders dan de provincie stelt, wordt met het voorschot geen mandaat gegeven voor het onnodig maken van kosten. In dit verband is tevens van belang dat het partijen vrij staat de deskundige in redelijkheid vragen te stellen en suggesties te doen, ook in verband met de wijze van uitvoering van het onderzoek. 2.
  44. De provincie stelt zich op het standpunt dat de rechtbank een arbiter benoemt. Dat is onjuist. De heer ir. J.T. Bresters wordt benoemd als gerechtsdeskundige en niet als arbiter. Met die benoeming verwordt de gerechtelijke procedure – anders dan de provincie lijkt te betogen – niet tot een arbitrale procedure, zodat de door de provincie gestelde vrees ongegrond is. De deskundige dient zijn taak uit te voeren met inachtneming van de Leidraad deskundigen in civiele zaken. De rechtbank gaat voorbij aan het bezwaar van de provincie tegen de persoon van de deskundige. In dit verband is mede van belang dat de rechtbank partijen in de gelegenheid heeft gesteld om voorstellen te doen voor een te benoemen deskundige en de provincie dat heeft nagelaten. 2.
  45. Voor zover de provincie stelt dat het onduidelijk is met welke entiteit een overeenkomst wordt gesloten, blijkt uit de begroting dat – zoals te doen gebruikelijk – de opdracht aan de deskundige wordt verstrekt en dat een juridisch secretaris van de Raad voor Arbitrage uitsluitend secretariële bijstand verleent. Op zijn werkzaamheden verklaart de deskundige de standaardregeling “De Nieuwe Regeling (DNR) 2011” van toepassing. 2.
  46. De rechtbank is van oordeel dat de begroting van het voorschot van de deskundige voldoet aan de eisen die daaraan onder de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld. Anders dan de provincie stelt, hoeft in een begroting niet op vraagniveau te worden gespecificeerd. 2.
  47. Uiteindelijk bepaalt de rechtbank de hoogte van het voorschot. De rechtbank zal, om enigszins tegemoet te komen aan de bezwaren van de provincie de hoogte van het voorschot, met inachtneming van de door de rechtbank aan de deskundige te stellen vragen (zoals hierna opgenomen onder randnummer 2.49, 2.52 en 2.65 van dit vonnis) vaststellen op € 50.000, waarbij de rechtbank erop wijst dat de deskundige indien nodig om een aanvullend voorschot kan vragen. Voor de goede orde merkt de rechtbank nog op dat de deskundige te kennen heeft gegeven voor de zekerheid wat ruim te hebben begroot. 2.
  48. Voor zover de provincie zich afvraagt of het heer ir. J.T. Bresters vrijstaat om als deskundige op te treden, heeft de deskundige dit (uiteraard) aan de rechtbank bevestigd alvorens de begroting op te stellen. De deskundige heeft kenbaar gemaakt dat hij zal proberen om een eerste concept gereed te hebben voor zijn afwezigheid in de maanden mei en juni 2025, wanneer hij eind februari 2025 een aanvang kan maken met zijn werkzaamheden. Partijen kunnen dan tijdens zijn afwezigheid hun op- en/of aanmerkingen maken. Vervolgens kan de deskundige dan in juli-augustus 2025 het deskundigenbericht definitief maken. Voorwaarde is dan wel dat het voorschot door [eiseres] zo spoedig mogelijk wordt voldaan en de benodigde stukken door [eiseres] zo spoedig mogelijk aan de deskundige worden toegestuurd. Vordering XVII – Staat van afrekening 2.
  49. Beide partijen hebben na het tussenvonnis nieuwe berekeningen gemaakt van wat er volgens de eindafrekening nog aan [eiseres] zou toekomen. Volgens [eiseres] komt dat neer op € 793.795,17 exclusief btw. De provincie erkent daar een groot deel van, namelijk een bedrag van € 683.801,79 exclusief btw, welk deel de rechtbank om die reden in een eindvonnis zal toewijzen. 2.
  50. De rechtbank ziet zich genoodzaakt een deskundige te benoemen om een beslissing te kunnen nemen over de vraag of in verband met vordering XVII aanvullend op het door de provincie erkende bedrag nog een (extra) bedrag moet worden toegewezen. 2.
  51. [eiseres] heeft de voorkeur uitgesproken voor het benoemen van de heer [naam 1] van [bedrijf 2] B.V., die tevens arbiter is in de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen. Tevens spreekt [eiseres] haar voorkeur uit voor het benoemen van de heer [naam 2] van Samenwerkende ingenieurs B.V. Als derde alternatief noemt [eiseres] het benoemen van een arbiter van de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen. Over de aan een deskundige te stellen vragen heeft [eiseres] zich niet uitdrukkelijk uitgelaten. 2.
  52. De provincie heeft bezwaar gemaakt tegen [naam 1] en [naam 2] omdat zij beiden werkzaam zijn geweest bij een bevriende aannemer, waarmee [eiseres] vaak heeft samengewerkt. Bovendien blijkt uit de overgelegde stukken niet dat zij bijzondere kennis hebben die nodig is voor de beantwoording van de voorliggende vraag. 2.
  53. Partijen zijn het dus niet met elkaar eens over de te benoemen deskundige. De rechtbank heeft daarom zelf een deskundige gezocht en zal de heer ir. J.T. Bresters als deskundige te benoemen in het kader van de beantwoording van de vraag wat er op grond van de staat van afrekening nog aan [eiseres] toekomt. Partijen hebben zich niet uitgelaten over de aan de deskundige te stellen vragen. De rechtbank zal de volgende vragen aan de deskundige stellen:
  54. Kunt u de posten van de eindafrekening beoordelen waarover partijen van mening verschillen? U dient daarbij de berekeningen van partijen te betrekken (de berekening van [eiseres] sluit op € 793.795,17 exclusief btw en de berekening van de provincie op € 683.801,79 exclusief btw).
  55. Kunt u toelichten welk bedrag aan elk van die posten dient te worden toegekend?
  56. Kunt u – voor zover een hoger bedrag dient te worden toegekend dan de provincie in haar berekening heeft opgenomen – motiveren waarom een hoger bedrag voor vergoeding in aanmerking komt, waarbij dat hogere bedrag niet hoger mag zijn dan het door [eiseres] berekende bedrag? Vordering XXI – Afrekening risicoregeling 2.
  57. In het tussenvonnis heeft de rechtbank het voornemen geuit voor de beantwoording van de vragen omtrent de afrekening risicoregeling een deskundige te benoemen. [eiseres] heeft naast de al eerder genoemde deskundigen ook CROW, het kennisplatform dat de onderliggende besteksystematiek uitgeeft, en in het bijzonder de heer [naam 3] als deskundige voorgesteld. Over de aan de deskundige voor te leggen vragen heeft [eiseres] zich niet uitgelaten. 2.
  58. De provincie heeft in het kader van deze vordering primair het standpunt ingenomen dat het benoemen van een deskundige niet is aangewezen, omdat [eiseres] niet zou hebben voldaan aan de stelplicht. Subsidiair heeft de provincie ook in dit geval bezwaar geuit tegen benoeming van [naam 1] en [naam 2] , omdat zij niet objectief zouden zijn. De provincie behoudt zich het recht voor zich nog uit te laten over de deskundige als de vraagstelling bekend is. 2.
  59. Partijen zijn het dus niet met elkaar eens over de te benoemen deskundige. De rechtbank heeft daarom zelf een deskundige gezocht en zal de heer ir. J.T. Bresters als deskundige te benoemen in het kader van de beantwoording van vragen omtrent de afrekening risicoregeling. Partijen hebben zich niet uitgelaten over de aan de deskundige te stellen vragen. De rechtbank zal de volgende vragen aan de deskundige stellen:
  60. Kunt u op basis van de in het RAW-bestek RAW0019-10478 Bestek en voorwaarden voor het uitvoeren van ‘Omleiding Melissant in de gemeente Dirksland’ opgenomen risicoregeling (0104 BETALINGSREGELINGEN:RISICOREGELING) berekenen welk bedrag de provincie in het kader van de risicoregeling verschuldigd is aan [eiseres] ? U dient daarbij de berekeningen van partijen te betrekken (de berekening van [eiseres] sluit op € 358.753,92 exclusief btw en de berekening van de provincie op € 213.666,95 exclusief btw).
  61. Kunt u toelichten hoe dit bedrag tot stand is gekomen?
  62. Kunt u – voor zover een hoger bedrag dient te worden toegekend dan de provincie in haar berekening heeft opgenomen – motiveren waarom een hoger bedrag voor vergoeding in aanmerking komt, waarbij dat hogere bedrag niet hoger mag zijn dan het door [eiseres] berekende bedrag? Vorderingen uit meerwerken 2.
  63. De Rechtbank heeft [eiseres] bij tussenvonnis toegelaten tot bewijslevering van haar vorderingen op grond van meerwerken. Vordering XX – MMW 165-a 2.
  64. In aanvulling op wat zij daarover bij dagvaarding al heeft gesteld, legt [eiseres] een e-mailbericht over van de toezichthouder waaruit blijkt dat deze werkzaamheden in het bestek niet waren voorzien. Ook legt zij de melding over van de aanvullende werkzaamheden zoals die op 25 juni 2020 is gedaan. 2.
  65. De provincie heeft tegen wat [eiseres] (nader) heeft gesteld – samengevat – aangevoerd dat er geen juridische grondslag is voor vergoeding van deze gevorderde kosten, omdat [eiseres] in de dagvaarding (randnummer 62) al heeft erkend dat de buis niet in rekening is gebracht. Daarnaast voert de provincie aan dat de opgevoerde kosten niet het gevolg zijn van een andere afmeting van de buis, maar van het op een verkeerde plek plaatsen van de buis. Voor zover [eiseres] meent dat dit meerwerk zou zijn, wijst de provincie er ten slotte op dat [eiseres] niet aan haar waarschuwingsplicht heeft voldaan en dat dit ook geen situatie is waarbij kan worden gezegd dat de provincie zelf had hoeven begrijpen dat dit een prijsverhoging tot gevolg zou hebben. Ook daardoor is er al geen sprake van een vergoedingsverplichting van de provincie. 2.
  66. De rechtbank zal deze vordering bij eindvonnis afwijzen. Zij komt tot dit oordeel, omdat uit de overgelegde producties 107 en 108 niet duidelijk is op te maken dat dit inderdaad meerwerk betreft, laat staan dat [eiseres] er op grond van de bepalingen omtrent meerwerk in de UAV een kostenverhoging voor in rekening mag brengen. Vordering XXII – MMW 128 2.
  67. Ook in dit geval vermindert [eiseres] haar vordering zoals gedaan bij dagvaarding. Als productie 109 en 110 legt [eiseres] ten bewijze van haar vordering twee bankafschriften over van betalingen aan Bouwstoffenhandel Rivierendriesprong Papendrecht B.V. (hierna: Rivierendriesprong). 2.
  68. De provincie voert als eerste betwisting van deze vordering aan dat dit geen meerwerk betreft. Bovendien laat de eigen kostenopstelling van [eiseres] niet zien dat deze werkzaamheden daadwerkelijk voor Rivierendriesprong zijn uitgevoerd voor die kosten, aldus de provincie. Ten slotte tonen de overgelegde bankafschriften niet aan dat er is betaald voor werkzaamheden door Rivierendriesprong met betrekking tot de betreffende staalslakken, aldus nog steeds de provincie. 2.
  69. De rechtbank zal vordering XXII bij eindvonnis afwijzen, omdat [eiseres] deze vordering – in het licht van hetgeen de provincie heeft aangevoerd – niet heeft bewezen. De rechtbank kan – kort gezegd – op grond van de overgelegde stukken niet vaststellen dat [eiseres] de gestelde kosten heeft gemaakt voor dit specifieke – betwiste – meerwerk. Vordering XXIV – MMW 226 2.
  70. Als bewijs van deze vordering legt [eiseres] een conceptfactuur van Buko en een bankafschrift over. Voor de onder deze post opgenomen kosten van Ballast Nedam verwijst [eiseres] naar wat zij hierover bij vordering XIII heeft aangevoerd. 2.
  71. De provincie heeft daartegen ingebracht dat uit wat [eiseres] heeft overgelegd vooral niet blijkt wat de link is tussen die betalingen en het onderzoek. Maar bovenal bestaat er volgens de provincie geen grond voor vergoeding van dit ‘meerwerk’, omdat die grond alleen zou bestaan als een en ander te wijten was aan de provincie. Uit de door de provincie als productie 41 overgelegde e-mail zou juist blijken dat van een fout van de provincie geen sprake was. 2.
  72. Wat er ook zij van de over en weer gestelde vergoedingsafspraken omtrent dit ‘meerwerk’, kan de rechtbank – gelet op de gemotiveerde betwisting van de provincie – niet vaststellen dat de bedragen zoals die zijn weergegeven in de eigen kostenopstelling van [eiseres] daadwerkelijk door haar zijn betaald voor het desbetreffende werk. Ook vordering XXIV heeft [eiseres] niet bewezen en zal de rechtbank dus bij eindvonnis afwijzen. Vordering XXV – MMW 202 2.
  73. In het tussenvonnis heeft de rechtbank het voornemen geuit voor de beoordeling van deze vordering een deskundige te benoemen. Zonder zich verder uit te laten over aan de deskundige te stellen vragen, heeft [eiseres] voorgesteld ook in dit geval de heer [naam 1] of [naam 2] aan te stellen als deskundige. 2.
  74. De provincie heeft zich in het kader van deze vordering primair op het standpunt gesteld dat [eiseres] sowieso te weinig heeft gesteld, zodat aan een benoeming van een deskundige niet wordt toegekomen. Dit is geen overeengekomen meerwerk, aldus de provincie. Daarnaast heeft zij haar bezwaar tegen benoeming van deze twee voorgestelde deskundigen herhaald. Wel heeft de provincie – subsidiair – een voorstel gedaan voor aan een deskundige te stellen vragen. 2.
  75. Partijen zijn het dus niet met elkaar eens over de te benoemen deskundige. De rechtbank heeft daarom zelf een deskundige gezocht en zal de heer ir. J.T. Bresters als deskundige te benoemen in het kader van de beantwoording van vragen omtrent de afrekening risicoregeling. Uitsluitend de provincie heeft zich uitgelaten over de aan de deskundige te stellen vragen. De rechtbank zal de volgende vragen aan de deskundige stellen:
  76. Tot welke beschoeiingswerkzaamheden is [eiseres] gehouden op basis van het Bestek?
  77. In hoeverre moest [eiseres] bij de uitvoering van die beschoeiingswerkzaamheden rekening houden met eventuele eisen uit een watervergunning?
  78. Volgt het werk zoals dat is uitgevoerd ten behoeve van MMW 202 door [eiseres] noodzakelijkerwijs uit het Bestek? Of zijn de werkzaamheden die [eiseres] in opstellingen ten behoeve van MMW 202 aan de provincie heeft voorgehouden een rechtstreeks gevolg van de eisen uit de watervergunning (productie 60 dagvaarding) terwijl die op basis van het Bestek niet hoefden te worden verricht?
  79. Vervolgvraag op 3: Was er een alternatieve manier van uitvoering van de werkzaamheden denkbaar waarop [eiseres] aan de eisen uit het Bestek had kunnen voldoen en waarbij zij ook aan eisen uit de watervergunning had kunnen voldoen?
  80. Vervolgvraag op 4: Had van [eiseres] mogen worden verwacht – bijvoorbeeld omdat zulks gebruikelijk is in de praktijk van een aannemer zoals [eiseres] – dat die alternatieve werkwijze was gevolgd en had die werkwijze tot minder kosten geleid? Zo ja, hoeveel? Vordering XXVI – MMW 194 2.
  81. Deze vordering betreft door [eiseres] gemaakte calculatiekosten voor meerwerk. [eiseres] legt ten bewijze van deze vordering correspondentie en aanbiedingen over. De provincie erkent dat [eiseres] recht heeft op deze vordering en voert geen verweer. Wel meent zij dat vergoeding van deze post plaats moet vinden in het kader van de eindafrekening van het werk. De rechtbank zal vordering bij eindvonnis toewijzen, al dan niet als onderdeel van de eindafrekening. Vordering XXVIII – MMW 110 2.
  82. Deze vordering ziet eveneens op door [eiseres] gemaakte calculatiekosten voor meerwerk. De provincie erkent dat [eiseres] recht heeft op deze vordering en voert geen verweer. Wel meent zij dat vergoeding van deze post plaats moet vinden in het kader van de eindafrekening van het werk. De rechtbank zal vordering bij eindvonnis toewijzen, al dan niet als onderdeel van de eindafrekening. Slotsom vorderingen en hoogte voorschot 2.
  83. De rechtbank blijft bij haar voornemen vordering XIX bij eindvonnis toe te wijzen, maar zal op grond van wat partijen hebben aangevoerd de vorderingen III, VII, VIII, IX, X, XI, XIII, XIV, XX, XXII, XXIV, XXV, XXVI en XXVIII bij eindvonnis afwijzen. Voor de verdere beoordeling van de vorderingen XVII, XXI en XXV zal de rechtbank een deskundige aanwijzen. 2.
  84. De rechtbank zal de hoogte van het voorschot van de deskundige in verband met het antwoord op de vragen opgenomen in randnummer 2.49, 2.52 en 2.65 van dit vonnis vaststellen op € 50.
  85. De rechtbank zal bepalen dat dit voorschot door [eiseres] moet worden betaald. 3De beslissing De rechtbank 3.
  86. beveelt een onderzoek door een deskundige; 3.
  87. benoemt voor de beoordeling van Vorderingen XVII, XXI en XXV tot deskundige: de heer ir. J.T. Bresters; p.a. Raad van Arbitrage in bouwgeschillen [adres] [telefoonnummer] [e-mailadres] 3.
  88. verzoekt de deskundige een onderzoek in te stellen en een schriftelijk en met redenen omkleed antwoord te geven op de vragen opgenomen in randnummer 2.49, 2.52 en 2.65 van dit vonnis; 3.
  89. bepaalt dat [eiseres] als voorschot op de kosten van de deskundige een bedrag van € 50.000 (inclusief BTW) dient te deponeren na ontvangst van een desbetreffende factuur van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR); 3.
  90. bepaalt dat de deskundige de rechtbank zal verzoeken om vaststelling van een nader voorschot indien en zodra hem in de loop van het onderzoek blijkt dat dit meer gaat kosten dan oorspronkelijk begroot; 3.
  91. bepaalt dat het voorschot en in het voorkomend geval het nadere voorschot binnen drie weken na ontvangst van de factuur dienen te worden voldaan en dat, indien de voorschotten niet tijdig worden voldaan, de zaak wordt verwezen naar de rol voor conclusie wegens niet ontvangen deskundigenbericht; 3.
  92. bepaalt dat de deskundige zijn werkzaamheden pas behoeft aan te vangen nadat de griffier van deze rechtbank hem zal hebben bevestigd dat het in 2.69 vermelde voorschot door het LDCR is ontvangen; 3.
  93. wijst de deskundige erop dat hij voor aanvang van het onderzoek moet kennisnemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie); 3.
  94. bepaalt dat [eiseres] binnen twee weken na een verzoek daartoe van de deskundige, met een kopie aan de rechtbank, alle stukken ter beschikking dient te stellen; 3.
  95. bepaalt voorts dat, indien bedoelde kopie van alle stukken niet tijdig aan de rechtbank ter beschikking is gesteld, de zaak na sommatie door de rechtbank, waarbij [eiseres] een termijn van twee weken zal worden gegund om de stukken alsnog ter beschikking te stellen, wordt verwezen naar de rol voor conclusie wegens niet ontvangen deskundigenbericht; 3.
  96. bepaalt dat de deskundige het concept van zijn schriftelijke en gemotiveerde rapport binnen drie maanden (de afwezigheid van de deskundige gedurende de maanden mei en juni 2025 niet meegerekend) nadat de griffier hem heeft meegedeeld dat het voorschot is voldaan, zal doen toekomen aan de civiele griffie van deze rechtbank, Prins Clauslaan 60 (Postbus 20302, 2500 EH) te Den Haag, met vermelding van het zaak- en rolnummer van deze zaak; 3.
  97. bepaalt dat de griffier de conceptrapportage van de betreffende deskundige aan partijen zal zenden en dat partijen zich uiterlijk binnen drie weken na ontvangst bij akte kunnen uitspreken over deze conceptrapportage; 3.
  98. bepaalt dat de griffier de hiervoor bedoelde akten aan de deskundige zal toezenden en dat de deskundige, uiterlijk drie weken na ontvangst van deze akten, zijn schriftelijke, gemotiveerde en ondertekende rapport, met een gespecificeerde declaratie, zal doen toekomen aan de civiele griffie van deze rechtbank, Prins Clauslaan 60 (Postbus 20302, 2500 EH) te Den Haag, met vermelding van het zaak- en rolnummer van deze zaak; 3.
  99. bepaalt dat de deskundige zijn onderzoek zelfstandig zal verrichten, indien van toepassing, ter plaatse en op tijdstippen als hem goeddunkt en dat hij in zijn rapport zal vermelden op welke wijze hij partijen in de gelegenheid heeft gesteld om opmerkingen te maken en verzoeken te doen alsmede of van die gelegenheid gebruik is gemaakt en, zo ja, wat dergelijke opmerkingen en verzoeken hebben ingehouden; 3.
  100. bepaalt dat de griffier een afschrift van dit vonnis aan de deskundige zal zenden; 3.
  101. bepaalt dat twee weken nadat het deskundigenbericht bij de griffie van deze rechtbank is ingeleverd en nadat de griffier exemplaren daarvan heeft toegezonden aan partijen, de zaak op de rol wordt gebracht voor uitlaten partijen over conclusie na deskundigenbericht dan wel het vragen van vonnis, met bepaling dat indien partijen kiezen voor een conclusie na deskundigenbericht, zij gelijktijdig dienen te concluderen; 3.
  102. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten, mr. M. Warmerdam en mr. M.A. Schueler en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.