RECHTBANK Den Haag Team Handel zaak- / rolnummer: 09/684402 / HA ZA 25-369 Vonnis van 17 december 2025 in de zaak van [eiser] te [plaats 1], eiser, advocaat: mr. J. de Koning, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN te Den Haag, gedaagde, advocaat: mr. M. Beekers. Partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘de Staat’ genoemd. 1De procedure 1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: de dagvaarding van 22 april 2025; de akte overlegging producties van [eiser] met producties 1 tot en met 64; de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 13; de akte overlegging producties van de Staat met producties 14 tot en met 21. 1.2. Op 28 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. [eiser] was hier niet bij aanwezig, hij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn advocaten. De Staat heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn advocaat. Bij de mondelinge behandeling waren verder aanwezig mw. [naam 1] (behandelend arts van [eiser]), mw. [naam 2] (juridisch medewerker DJI) en dhr. [naam 3] (senior jurist CJIB). 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. De rechtbank bespreekt eerst de vaststaande feiten met betrekking tot de ontnemingsprocedure en vervolgens de vaststaande feiten met betrekking tot de medische situatie van [eiser]. De ontnemingsprocedure 2.2. Op 16 mei 2012 is [eiser] door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, valsheid in geschrifte en oplichting. Het cassatieberoep van [eiser] tegen de beslissing is op 18 februari 2014 verworpen. De detentie van [eiser] is op 27 augustus 2014 aangevangen. 2.3. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek is ten laste van [eiser] conservatoir beslag gelegd op een vordering op [bedrijf 1] B.V., een vennootschap in handen van ene [naam 4]. [eiser] heeft in een eerder stadium aan [bedrijf 1] B.V. en [naam 4] medegedeeld dat hij deze vordering heeft overgenomen van [bedrijf 2] Ltd., dat toebehoorde aan [naam 5]. Tot zekerheid van betaling van deze vordering zijn hypotheekrechten gevestigd op vijf panden op de [stadsgebied] (die ook bekendstaan als de zogenaamde ‘gokhallen van [naam 6]’, hierna: ‘de [panden]’). 2.4. Bij arrest van 13 februari 2018 heeft het gerechtshof Amsterdam [eiser] een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 24.492.121,78. Deze ontnemingsmaatregel is na verwerping van het cassatieberoep op 12 februari 2019 onherroepelijk geworden. Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) is vervolgens aangevangen met de tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel. Dit heeft onvoldoende opgeleverd. 2.5. Het Openbaar Ministerie (OM) heeft op 13 juli 2022 een machtiging tot gijzeling van [eiser] gevorderd als bedoeld in artikel 6:6:25 lid 1 onder b van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De rechtbank Amsterdam heeft de vordering behandeld op de zittingen van 29 november 2022 en 22 augustus 2023. In het standpunt van het OM voor de zitting van 29 augustus 2024 staat onder meer het volgende : “Strafrechtelijke procedure TERREL Vanaf 30 september a.s. vangt de inhoudelijke behandeling van de strafzaak TERREL aan, die, zoals u weet, gaat over witwassen van kadastrale nummers in Amsterdam, die kort kunnen worden aangeduid met “de gokhallen van [naam 6]”. Of deze daadwerkelijk van [naam 6] zijn en of deze zijn gefinancierd met crimineel geld, zal de rechtbank nog moeten vaststellen. Het OM zal vragen om te komen tot bewezenverklaring met verbeurdverklaring van de panden. De panden zijn gefinancierd met een lening/hypotheek van [eiser], waarbij zo merkt het OM nu vast op, [eiser] de financiering overnam van [naam 5]. Per saldo is er geen euro bij [naam 4] terechtgekomen. Er was in het geheel geen geldstroom. [eiser] kreeg de vorderingen “om niet”. Toch is door het OM destijds al beslag gelegd op deze vordering van [eiser]. Een uitgesproken verbeurdverklaring raakt veroordeelde. Want het was al illusoir dat [naam 4] ooit met betaling zou komen, maar na verbeurdverklaring is dit gelegd beslag niets meer waard. Of dit en zo ja welke consequentie dit moet hebben voor de aan [eiser] opgelegde ontnemingsmaatregel, zal afhangen van de bewoordingen in het strafvonnis. Hierop vooruitlopen, is voorbarig. Conclusie na verdere uitwinning van gelegd beslag Er is tot op heden 9,4 miljoen euro uit beslag geïncasseerd. Er staat nog zo’n 15 miljoen euro open. Rekening houdend met de diverse door het CJIB geschetste onzekerheden en geschetste beslagomstandigheden en de geschatte resterende beslagwaarde (8,3 miljoen) is het ondenkbaar dat de opgelegde ontnemingsmaatregel volledig uit beslagopbrengsten kan worden voldaan. Het lijkt erop dat er zo’n 6,7 miljoen euro door de veroordeelde moet worden bijbetaald. Dit is de (gelijk gebleven) kern van de vordering machtiging gijzeling. Na de geleverde inspanning van verdere beslaguitwinning is de conclusie dat het eerdere standpunt van de verdediging dat er voldoende beslag zou liggen om de volledige ontnemingsmaatregel te betalen niet houdbaar is. Dat is de reden dat ik de rechtbank vraag om de vordering machtiging gijzeling nu inhoudelijk te behandelen.” 2.6. Bij beschikking van 12 september 2024 heeft de rechtbank Amsterdam de door de officier van justitie gevorderde machtiging tot gijzeling van [eiser] voor de duur van 365 dagen toegewezen. De rechtbank heeft aan dit oordeel in de kern ten grondslag gelegd dat niet aannemelijk is dat [eiser] niet in staat is om aan zijn betalingsverplichting te voldoen, zodat er dus geen sprake is van betalingsonmacht aan zijn kant. 2.7. Bij vonnis van 11 november 2024 heeft de rechtbank Amsterdam [naam 4] vrijgesproken in de strafzaak TERREL. Aan de vordering tot verbeurdverklaring van de vijf [panden] is de rechtbank daarom niet toegekomen. 2.8. [eiser] is op 8 januari 2025 in gijzeling genomen. 2.9. Op 13 januari 2025 heeft [eiser] bij de rechtbank Amsterdam een verzoek ingediend om hem in vrijheid te stellen en de gijzeling te beëindigen in verband met gestelde nieuwe omstandigheden. 2.10. Op 15 januari 2025 heeft [eiser] het CJIB het verzoek gedaan de gijzeling te beëindigen. Dit verzoek heeft hij op 23 januari 2025 ook aan de minister van Justitie en Veiligheid gezonden. Het CJIB heeft dit verzoek (namens de minister) op 24 januari 2025 afgewezen. 2.11. Bij tussenvonnis van 12 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de Staat gelast om uiterlijk op 19 maart 2025 een aanvullend medisch advies uit te brengen over de detentie(on)geschiktheid van [eiser] en [eiser] gedetineerd te houden in het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg (JCvSZ) in de PI [plaats 2] tot in ieder geval het moment dat het nadere advies van de medisch adviseur beschikbaar is. 2.12. Bij vonnis van 3 april 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de gijzeling van [eiser] geschorst wegens detentieongeschiktheid, totdat de rechtbank in een bodemprocedure (ter verkrijging van een verklaring voor recht dat [eiser] detentieongeschikt
- is)heeft beslist dan wel de gijzeling op een eerder moment wordt beëindigd. Daarbij is bepaald dat [eiser] uiterlijk binnen één maand na de datum van het vonnis in kort geding de dagvaarding in de bodemprocedure dient aan te brengen, bij gebreke waarvan de schorsing vervalt. De medische situatie van [eiser] 2.13. [eiser] lijdt al geruime tijd aan onder meer hypertensie (hoge bloeddruk) en hij heeft al geruime tijd een verwijde aorta. Nadat [eiser] vanwege de hem opgelegde gevangenisstraf werd gedetineerd, heeft hij meerdere keren en in verschillende procedures zijn detentiegeschiktheid ter discussie gesteld. Dat heeft onder meer geleid tot een beslissing tot strafonderbreking (18 december 2015), de beslissing van de Staat tot tijdelijke detentieongeschiktheid van [eiser] (12 februari 2016), de beslissing tot hervatting van de tenuitvoerlegging van de straf in het JCvSZ (24 oktober 2016), afspraken over detentiefasering (gemaakt op 9 maart 2017) en de beslissing om [eiser] per direct in een penitentiair programma te plaatsen waarbij geen sprake is van insluiting, maar verblijf op zijn huisadres (8 juni 2017). 2.14. Nadat hij op 8 januari 2025 in gijzeling werd genomen verbleef [eiser] aanvankelijk in de PI [plaats 3]. Bij binnenkomst kreeg [eiser] een medische intake en werd hij door een huisarts gezien. In de nacht werd hij ieder uur gecontroleerd. Er is medische informatie ingewonnen en er is overlegd over de behandeling met zijn behandelend specialist. Op 12 februari 2025 werd [eiser] naar het Amsterdam UMC gebracht en ’s avonds werd hij weer vervoerd naar de PI [plaats 3]. Half februari 2025 werd [eiser] met het oog op strikte monitoring van de behandeling (in het bijzonder het innemen van de voorgeschreven medicatie) overgebracht naar het JCvSZ in de PI [plaats 2]. 2.15. Het hoofd Zorg van de PI [plaats 3] verzocht op 3 februari 2025 aan het Bureau Individuele Medische Advisering (BIMA) om advies uit te brengen over de detentie(on)geschiktheid van [eiser]. Op 24 februari 2025 heeft de medisch adviseur van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) een voorlopig advies uitgebracht. Hierin staat onder meer het volgende: “(…) Bij de beoordeling van detentie(on)geschiktheid wordt de vraag beantwoord of de benodigde zorg in of vanuit detentie geleverd kan worden en of er onevenredige schade door detentie opgetreden is of te verwachten valt. Deze beoordeling vindt plaats o.b.v. schriftelijke informatie van behandela(a)r(en). Het onderstaande advies is gebaseerd op de volgende informatiebronnen: 1. Inzage Microhis dossier PI [plaats 3] en medisch (arts)dossier JCvSZ d.d. 24-2-2025 (Tijdelijk) Advies Ik acht betrokkene op medische gronden detentiegeschikt totdat ik over meer informatie beschik. Ik heb onvoldoende informatie over de bijdrage van de afzonderlijke oorzakelijke factoren aan de verhoogde bloeddruk. Tevens lijken er nog onbenutte opties te bestaan om de bloeddruk te verlagen. Ik verwacht over enkele weken meer informatie te hebben en opnieuw een advies te kunnen uitbrengen. Conclusie De benodigde zorg en behandelingen kunnen in en/of vanuit detentie geleverd worden. Bezoeken aan specialisten kunnen vanuit detentie plaatsvinden. Voor de beoordeling of er onevenredige gezondheidsschade door detentie te verwachten valt, beschik ik nog over onvoldoende informatie.” 2.16. Naar aanleiding van het tussenvonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 12 maart 2025 heeft de medisch adviseur van de DJI op 19 maart 2025 een aanvullend advies over de detentie(on)geschiktheid van [eiser] uitgebracht. Daarin staat onder meer het volgende: “(…) Bij de beoordeling van detentie(on)geschiktheid wordt de vraag beantwoord of de benodigde zorg in of vanuit detentie geleverd kan worden en of er onevenredige schade door detentie opgetreden is of te verwachten valt. Deze beoordeling vindt plaats o.b.v. schriftelijke informatie van behandela(a)r(en). (…) Advies Ik kan u helaas niet van een sluitend advies voorzien omdat ik de vraag, of er onevenredige schade door de detentie te verwachten is, niet kan beantwoorden. Het is voor mij onmogelijk gebleken om te beoordelen welk aandeel de stress van de detentie en welk aandeel betrokkene zelf heeft in het niet onder controle kunnen brengen van de bloeddruk. Het is niet uitgesloten dat, indien betrokkene alle aangeboden extra behandelopties zou omarmen de bloeddruk wel op een acceptabel niveau zou kunnen komen. (…) In de onderbouwing van mijn advies richt ik mij alleen op de hart-vaatproblematiek. Voor de andere chronische aandoeningen kan de zorg in en/of vanuit detentie geleverd worden en is er geen gezondheidsschade door detentie te verwachten. De belangrijkste hart-vaatproblemen zijn een verhoogde bloeddruk, een verwijding in de lichaamsslagader (aorta) dicht bij het hart en twee vernauwde hartvaten. Om verdere verslechtering van de bloedvaten te voorkomen wordt ernaar gestreefd de systolische bloeddruk onder een bepaalde waarde te houden. De belangrijkste gezondheidsrisico’s van een langdurig verhoogde bloeddruk bij betrokkene zijn
- i)toename van de verwijding in de aorta met het risico dat het vat scheurt,
- ii)bloedingen in combinatie met de bloed verdunnende medicatie die betrokkene slikt en iii) schade aan organen (nieren, ogen, hart). Bloeddruk en medicatie Betrokkene gebruikte voor zijn detentie twee verschillende bloeddrukverlagende tabletten waarvan één tablet een combinatiepreparaat is van drie middelen. Met die medicatie was de bloeddruk buiten detentie goed gereguleerd en onder de streefwaarde. Stress heeft bij betrokkene een zeer grote invloed op de bloeddruk en direct bij aanvang van de detentie op 8-1-2025, begint de bloeddruk op te lopen. In PI [plaats 3] worden op advies van dr. [naam 1] daarom twee bloeddrukverlagende middelen toegevoegd. Dr. [naam 1] adviseert ook een kalmerend middel maar deze medicatie weigert betrokkene. De bloeddruk daalt met de aanvullende medicatie echter niet en dr. [naam 1] adviseert ophoging van de dosering van de laatste twee toegevoegde middelen maar dit weigert betrokkene ook. Twee weken later schrijft dr. [naam 1] een derde extra middel voor en adviseert zij één van de laatst voorgeschreven middelen te stoppen. Vanwege de fors verhoogde bloeddruk wordt betrokkene op 19-2-2025 overgeplaatst naar het JCvSZ ter observatie en beoordeling of er nog aanvullende behandelopties bestaan. Bij overplaatsing naar het JCvSZ gebruikt betrokkene vier bloeddrukverlagende middelen: twee middelen welke hij reeds gebruikte voor detentie en twee toegevoegd in detentie. De medicatie wordt in het JCvSZ onder toezicht ingenomen maar er wordt niet gecontroleerd of de medicatie daadwerkelijk wordt doorgeslikt. In het JCvSZ heeft betrokkene een zoutloos dieet en psychologische ondersteuning aangeboden gekregen. Betrokkene heeft aangegeven hier geen gebruik van te willen maken. Er is in het JCvSZ geen rustgevende medicatie meer aangeboden. Betrokkene is aangemeld bij de sport en kan 2x per week sporten. De verwachting is dat de genoemde aanvullende opties, indien geïmplementeerd, een beperkte bijdrage zullen leveren aan de verlaging van de bloeddruk. In het JCvSZ wordt 3x per dag de bloeddruk gemeten. Het komt regelmatig voor dat deze extreem hoog is. Door dr. [naam 1] wordt vervolgens nog een extra middel geadviseerd dat de hartslag vertraagt maar weinig effect heeft op de bloeddruk. Het middel is vooral bedoeld om het hart en de aorta te sparen. Betrokkene heeft vanwege negatieve ervaringen met het middel deze medicatie tot nu toe niet willen slikken. Dr, [naam 1] is ervan overtuigd dat de verhoogde bloeddruk het gevolg is van het verhoogde stressniveau bij betrokkene door de detentie. Het is opvallend dat met de toevoeging van de twee aanvullende middelen, die betrokkene wel accepteert, de bloeddruk in het geheel niet daalt en er worden regelmatig extreem hoge bloeddrukken gemeten waaraan gezondheidsrisico’s verbonden zijn. Betrokkene geeft aan geen ophoging van de dosering van de aanvullende middelen te accepteren en ook niet de laatste door dr. Pinto voorgeschreven medicatie of andere aanvullende medicatie te willen slikken. Betrokkene vertelt op 20-2-2025 aan de arts na het meten van een verhoogde bloeddruk van 200 mmHg dat hij alleen een hoge bloeddruk heeft in detentie en zich geen zorgen maakt omdat hij geen klachten heeft en zal aangegeven wanneer dat wel het geval is. Hij zegt de risico’s van het niet slikken te begrijpen, zijn lichaam goed te kennen en zelf te weten wat voor medicatie hij wel en niet nodig heeft. Hij geeft aan deze risico’s zelf af te wegen. Gezondheidsrisico’s door hoge bloeddruk Een hoge bloeddruk is in combinatie met een verhoogd cholesterol, hetgeen bij betrokkene het geval is, schadelijk voor alle bloedvaten in het lichaam inclusief de reeds vernauwde bloedvaten in het hart. De verhoogde bloeddruk geeft in combinatie met de bloed verdunnende medicatie die betrokkene gebruikt, een (fors) verhoogde kans op bloedingen, in het bijzonder op een hersenbloeding. Een zeer hoge bloeddruk (>200 mm Hg) kan ook tot een crisissituatie leiden waarbij directe schade aan organen kan ontstaan. Onder een voortdurend verhoogde bloeddruk kan de verwijding in de aorta groeien waarmee het risico op een scheur in de aorta toeneemt. De overlevingskans is bij een scheur in de aorta klein. De laatste jaren is de verwijding in de aorta met een goed gereguleerde bloeddruk stabiel gebleven. Conclusie Het is gedurende de detentie niet gelukt de bloeddruk onder controle te krijgen en er worden regelmatig gevaarlijk hoge bloeddrukken gemeten welke tot gezondheidsschade leiden. Het is niet uitgesloten dat, indien betrokkene alle aangeboden extra behandelopties zoals het ophogen van de dosering van de bloeddrukverlagende medicatie, aanvullende medicatie en dieet zou accepteren, de bloeddruk wel op een acceptabel niveau zou kunnen komen. De benodigde zorg in de vorm van medicatie, dieet, hulpmiddelen, onderzoeken en behandelingen door specialisten, kunnen in en/of vanuit detentie geleverd worden. De vraag, of er onevenredige schade door de detentie te verwachten is, kan ik niet beantwoorden omdat het voor mij onmogelijk is gebleken te beoordelen welk aandeel de stress van de detentie en welk aandeel betrokkene zelf heeft in het niet onder controle kunnen brengen van de bloeddruk. (…)” 2.17. Op 21 maart 2025 werd [eiser] opgenomen in het AUMC in verband met een hypertensief spoedgeval. In het AUMC daalde de bloeddruk en op 23 maart 2025 werd hij teruggebracht naar het JCvSZ. Daar werden bloeddrukken gemeten van 198/94 op 24 maart 2025, 202/104 op 25 maart 2025, 183/109 op 26 maart 2025, 200/99 op 27 maart 2025, links 203/98 en rechts 216/109 op 28 maart 2025, 194/109 op 29 maart 2025 en onder meer 221/107, 244/114 (rechts) en 231/101 (links) op 30 maart 2025. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: voor recht verklaart dat [eiser] detentieongeschikt is; voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door [eiser] op 8 januari 2025 in te sluiten en van 8 januari 2025 tot en met 3 april 2025 ingesloten te houden; voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de wijze waarop de gijzeling ten uitvoer is gelegd, waaronder de inadequate medische verzorging die [eiser] heeft ontvangen; e Staat veroordeelt tot vergoeding van de schade die [eiser] door en als gevolg van zijn insluiting van 8 januari 2025 tot en met 3 april 2025 en inadequate verzorging tijdens zijn insluiting heeft geleden en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; de Staat te verbieden de ten uitvoerlegging van de gijzeling te hervatten, althans [eiser] in te sluiten; de Staat te gebieden om tot uitwinning van de door hem beslagen vordering, waarvoor een hypothecair zekerheidsrecht op de [panden] aan [eiser] is gegeven over te gaan, althans om de vordering waarvoor een hypothecair zekerheidsrecht op de [panden] is gegeven te beschouwen als valabele zekerheid en de vordering te rekenen tot de totale beslagwaarde. de Staat te veroordelen in de proceskosten. 3.2. De Staat voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser]. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de burgerlijke rechter, ook als hij bevoegd is omdat de eisende partij zijn vordering op onrechtmatige daad heeft gebaseerd, zich van een oordeel onthoudt waar de wet een bijzondere, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengesteld waarin eiser een vergelijkbaar resultaat kan bereiken. Deze regel is weliswaar vooral tot ontwikkeling gekomen met het oog op de samenloop van civiel- en bestuursrechtelijke rechtsbescherming, maar er is geen reden daaraan gelding te ontzeggen in gevallen waarin het strafprocesrecht in een oplossing voorziet. Dit geldt eveneens in kort geding, zij het dat de voorzieningenrechter als ‘restrechter’, ondanks het openstaan van een andere en met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, de eisende partij in haar vordering kan ontvangen, als de ‘andere’ rechtsgang niet in de mogelijkheid van noodzakelijke en met de vereiste spoed te treffen voorlopige maatregelen voorziet. 4.2. In beginsel is de bevoegdheid van de voorzieningenrechter daarmee gegeven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de voorzieningenrechter in kort geding fungeert als ‘restrechter’ in alle zaken met een spoedeisend karakter. De aanwijzing van een andere bevoegde rechter of van een speciale rechtsgang maakt de voorzieningenrechter in beginsel niet onbevoegd. Wanneer echter de andere aangewezen rechter of rechtsgang voldoende rechtsbescherming biedt, is de weg naar de voorzieningenrechter afgesloten en dient de eisende partij niet-ontvankelijk te worden verklaard. In dat verband moet worden getoetst of in spoedeisende gevallen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat, waarin de eiser een met het kort geding vergelijkbaar resultaat kan bereiken (vlg. HR 16 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1053). 4.3. De rechtbank overweegt verder dat de rechtbank Amsterdam bij de beschikking van 12 september 2024, waarbij de machtiging tot gijzeling is verleend, heeft geoordeeld dat [eiser] betalingsonwillig is, en niet zozeer betalingsonmachtig. Daarmee heeft [eiser] het eerst en vooral zelf in de hand om een einde aan zijn gijzeling te maken. Dat kan door betaling van de nog openstaande hoofdsom of door het treffen van een betalingsregeling met het CJIB. Voor zover [eiser] betoogt dat er geen sprake is van betalingsonwil, maar betalingsonmacht, bestaat voor hem de mogelijkheid om op de voet van artikel 6:6:26 Sv een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de ontnemingsmaatregel in te dienen bij de strafrechter. Gelet op het bestaan van die rechtsingang is er voor de burgerlijke rechter ter zake geen rol weggelegd. 4.4. De rechtbank zal eerst de vorderingen van [eiser] bespreken die zijn gebaseerd op zijn medische situatie (de vorderingen genoemd in 3.1 onder a tot en met e). Daarna wordt de vordering besproken met betrekking tot de gelegde conservatoire beslagen (genoemd in 3.1 onder
- f)en tot slot de proceskosten (genoemd in 3.1 onder g). De medische situatie van [eiser] 4.5. Tussen partijen is in geschil of de medische situatie van [eiser] blijvend aan de tenuitvoerlegging van de gijzeling in de weg staat, of de Staat een onaanvaardbaar risico heeft aanvaard door [eiser] op 8 januari 2025 in te sluiten en tot en met 3 april 2025 ingesloten te houden en of de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld bij de tenuitvoerlegging van de gijzeling. Daarbij staat vast dat [eiser] bekend is met hypertensie (hoge bloeddruk) en een aneurysma (verwijding) van de aorta. Een verdere verhoging van de bloeddruk brengt voor [eiser] het risico van een verdere verwijding van de aorta met zich, waardoor een (mogelijk levensgevaarlijke) bloeding kan ontstaan. 4.6. In dit kader stelt [eiser] – samengevat – dat hij ten gevolge van de insluiting op 8 januari 2025 herhaaldelijk een gevaarlijk hoge bloeddruk heeft gehad en dat hij daarbij inadequate medische verzorging heeft ontvangen, waardoor de Staat een onaanvaardbaar risico op verdere verwijding van zijn aorta in het leven heeft geroepen en [eiser] onevenredige gezondheidsschade heeft geleden. Uit het gegeven dat de Staat er niet in is geslaagd de gevaarlijk hoge bloeddruk van [eiser] tijdens zijn insluiting onder controle te krijgen, blijkt volgens [eiser] dat de voor hem noodzakelijke zorg niet in detentie kan worden geboden. De medische situatie van [eiser] staat blijvend aan de tenuitvoerlegging van de gijzeling in de weg. Dat moet, gelet op het verloop van zijn eerdere detentie van 2014 tot en met 2017, geacht worden bij de Staat reeds bij aanvang van de gijzeling bekend te zijn geweest. De Staat had er daarom van af moeten zien de gijzeling ten uitvoer te leggen. Medische zorg in detentie 4.7. De rechtbank overweegt dat een gedetineerde op grond van artikel 42 lid 1 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) recht heeft op verzorging door een aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger. Op grond van artikel 71b en 71c Pbw kan een gedetineerde een klacht en (vervolgens) een beroepschrift indienen tegen het medisch handelen van de aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger. Het beroepschrift wordt op grond van artikel 71d Pbw behandeld door de beroepscommissie van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (hierna: ‘de RSJ’). Op grond van artikel 71f lid 3 Pbw verklaart de RSJ het beroep gegrond indien – kort gezegd – sprake is van een handelen of nalaten in strijd met de zorg die de inrichtingsarts, de verpleegkundige dan wel andere hulpverleners die bij de zorg voor de gedetineerde zijn betrokken behoren te betrachten. Indien de klacht door de beroepscommissie geheel of gedeeltelijk gegrond wordt geacht, bepaalt de beroepscommissie of enige tegemoetkoming aan de gedetineerde geboden is. Zij stelt de tegemoetkoming, die geldelijk van aard kan zijn, vast. 4.8. Dit betekent dat de vraag of [eiser] gedurende de gijzeling voldoende adequate medische verzorging heeft ontvangen en of hem op die grond schadevergoeding toekomt moet worden voorgelegd aan de RSJ, aangezien daarvoor een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat bij de RSJ op grond 71b Pbw. De rechtbank zal in deze civiele procedure niet zelf onderzoeken of het medisch handelen van de betrokken artsen en verpleegkundigen voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Waar [eiser] zijn vorderingen baseert op de (door de Staat betwiste) stelling dat de zorg daar niet aan voldeed, kan de rechtbank dat niet vaststellen, omdat niet is gesteld of gebleken dat [eiser] een klacht en (vervolgens) een beroepschrift heeft ingediend over het handelen van de artsen en verpleegkundigen in de PI [plaats 3] en zijn beroep gegrond is verklaard. Detentieongeschiktheid 4.9. Detentie(on)geschiktheid is een feitelijk begrip dat zich niet goed leent voor een verklaring voor recht. Met een verklaring voor recht doet de rechter immers een uitspraak over de rechtsverhouding tussen partijen (artikel 3:302 BW), niet een feitelijke vaststelling. De rechtbank begrijpt de vorderingen van [eiser] aldus, dat hij met de vorderingen onder a en onder e beoogt te bewerkstelligen dat de Staat afziet van de verdere tenuitvoerlegging van de gijzeling, omdat zijn medische situatie daar blijvend aan in de weg zou staan. 4.10. De rechtbank overweegt in dat verband ten overvloede nog dat op grond van artikel 6:7:1 lid 1 onder b Sv gratie kan worden verzocht en verleend ter zake van een door de Nederlandse strafrechter onherroepelijk opgelegde maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. In artikel 2:2 lid 5 van de Beleidsregels tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen 2021 (hierna: ‘de beleidsregels’) is bepaald dat, indien de medisch adviseur van de DJI adviseert dat de veroordeelde blijvend niet detentiegeschikt is, de veroordeelde een gratieverzoek kan indienen. De burgerlijke rechter kan beoordelen of een afwijzende beslissing op een gratieverzoek, mede in het licht van artikel 3 EVRM, onrechtmatig is. Die beoordeling richt zich met name op de motivering van die beslissing. De burgerlijke rechter dient bij dit oordeel terughoudendheid in acht te nemen. 4.11. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] geen zelfstandig belang heeft bij de door hem gevorderde verklaring voor recht dat hij (blijvend) detentieongeschikt is, omdat aan deze vaststelling geen directe rechtsgevolgen kunnen worden verbonden. Uit de beleidsregels leidt de rechtbank af dat de vaststelling dat een veroordeelde blijvend detentieongeschikt is, aanleiding kan zijn om een gratieverzoek in behandeling te nemen. Daarmee is echter niet gegeven dat gratie ook ongeclausuleerd moet worden verleend bij gebleken blijvende detentieongeschiktheid. Voordat op een gratieverzoek wordt beslist, moet immers enerzijds op grond van artikel 4 van de Gratiewet advies worden ingewonnen van het gerecht dat de straf of maatregel heeft opgelegd en anderzijds kunnen er op grond van artikel 13 van de Gratiewet voorwaarden worden verbonden aan een eventuele gratieverlening. Daarnaast is denkbaar dat bij gebleken detentieongeschiktheid in eerste instantie wordt volstaan met (eventueel opeenvolgende) strafonderbrekingen. Dat betekent dat nadere besluitvorming noodzakelijk is voordat er rechtsgevolgen kunnen worden verbonden aan de vaststelling dat een veroordeelde tijdelijk of blijvend detentieongeschikt is. Indien [eiser] meent dat de medisch adviseur van de DJI ten onrechte niet heeft geconcludeerd dat hij blijvend detentieongeschikt is, dan kan hij dit ter discussie stellen in het kader van een gratieverzoek. Zonder voorafgaande beslissing op een gratieverzoek ziet de rechtbank geen aanleiding om te beoordelen of de Staat op goede gronden heeft kunnen concluderen dat [eiser] niet blijvend detentieongeschikt is. 4.12. Verder heeft de Staat ter zitting uiteengezet dat er sinds het kortgedingvonnis nieuwe beslagen ten laste van [eiser] zijn gelegd, dat de Staat deze beslagen aan het uitwinnen is en dat de Staat niet voornemens is de gijzeling te hervatten voordat is gebleken dat de uitwinning van deze beslagen onvoldoende, of onvoldoende voortvarend, resultaat oplevert. De rechtbank concludeert hieruit dat [eiser] ook in zoverre geen belang heeft bij de door hem gevorderde verklaring voor recht. 4.13. De vordering genoemd in 3.1 onder a wordt afgewezen. 4.14. Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond voor het door [eiser] gevorderde verbod de ten uitvoerleging van de gijzeling te hervatten, althans [eiser] in te sluiten. Ook de vordering genoemd in 3.1 onder e wordt afgwezen. Heeft de staat onrechtmatig gehandeld jegens [eiser]? 4.15. De vraag die nog voorligt is of de staat onrechtmatig heeft gehandeld door [eiser] op 8 januari 2025 in te sluiten, door hem van 8 januari 2025 tot en met 3 april 2025 ingesloten te houden of door de wijze waarop de gijzeling ten uitvoer is gelegd. De vraag of de aan [eiser] verleende medische verzorging voldoende adequaat is geweest, zal daarbij buiten beschouwing worden gelaten vanwege het openstaan van een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de RSJ. 4.16. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] zijn stelling dat hij ten gevolge van de gijzeling onevenredige gezondheidsschade heeft geleden, onvoldoende heeft onderbouwd. Daarvoor is van belang dat de medisch adviseur in haar aanvullend advies van 19 maart 2025 naar voren heeft gebracht dat zij de vraag of er onevenredige schade door de detentie te verwachten is niet kan beantwoorden, aangezien het voor haar onmogelijk is gebleken om te beoordelen welk aandeel de stress van de detentie en welk aandeel [eiser] zelf heeft in het niet onder controle kunnen brengen van de bloeddruk. Bij die stand van zaken ligt het op de weg van [eiser] om zijn stelling dat hij ten gevolge van de gijzeling onevenredige gezondheidsschade heeft geleden, nader te onderbouwen. [eiser] heeft geen verdere objectief verifieerbare informatie over zijn medische situatie verstrekt waaruit blijkt dat hij specifieke onevenredige gezondheidsschade heeft geleden en dat dit moet worden toegerekend aan de tenuitvoerlegging van de gijzeling. De rechtbank betrekt daarbij eveneens dat [eiser], steeds wanneer zijn bloeddruk in detentie te hoog opliep, naar het ziekenhuis is overgebracht, waarna de bloeddruk snel weer daalde en er geen verdere gezondheidsschade is geconstateerd. 4.17. De rechtbank is verder van oordeel dat [eiser] ook zijn stelling dat de Staat vanwege zijn medische situatie had moeten afzien van tenuitvoerlegging van de gijzeling onvoldoende heeft onderbouwd. Het gegeven dat het oplopen van de bloeddruk van [eiser] het risico van verdere verwijding van de aorta met zich brengt, is hiervoor niet voldoende. Reeds omdat niet kan worden vastgesteld dat het gevaarlijk oplopen van de bloeddruk het directe gevolg is van de gijzeling, kan niet worden geconcludeerd dat de Staat vanwege dat risico op voorhand had moeten afzien van tenuitvoerlegging van de gijzeling. Ook uit het verloop van de eerdere detentie van [eiser] kan dit, anders dan [eiser] voorstaat, niet worden afgeleid, nu de Staat onweersproken heeft aangevoerd dat [eiser] zijn eerdere detentie uiteindelijk heeft uitgezeten tot aan de detentiefasering. Daarbij komt dat er sinds de detentiefasering in 2017 en de tenuitvoerlegging van de gijzeling in 2025 een geruime tijd is verstreken, terwijl de vraag in hoeverre de medische situatie verenigbaar is met detentie – zoals de Staat ook onweersproken heeft aangevoerd – eerst en vooral aan momentopname betreft. 4.18. De vorderingen genoemd in 3.1 onder b, c en d worden afgewezen. De ontnemingsvordering 4.19. [eiser] heeft ter zitting toegelicht dat zijn vordering zoals genoemd in 3.1 onder f tweeledig is; [eiser] wenst primair een gebod tot uitwinning van de onder [naam 4] gelegde beslagen te verkrijgen en subsidiair een gebod dat de gelegde beslagen worden beschouwd als valabele zekerheid en dat de waarde daarvan tot de totale beslagwaarde wordt gerekend. [eiser] heeft aangevoerd dat de door het OM beslagen vordering op [bedrijf 1] B.V., waarvoor een hypotheekrecht op de [panden] is gevestigd, de resterende ontnemingsvordering overtreft. Nu geen verbeurdverklaring is gevolgd in de strafzaak tegen [naam 4], heeft het OM voldoende beslagen gelegd om de ontnemingsvordering volledig te verhalen. 4.20. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat er geen wettelijke verplichting is om een vermogensbestanddeel waarop conservatoir beslag is gelegd uit te winnen. Dat betekent dat de primaire vordering van [eiser], een gebod tot uitwinning van de gelegde beslagen, zal worden afgewezen. 4.21. De rechtbank overweegt verder dat het, tegen de achtergrond van het feit dat gijzeling op grond van artikel 6:6:25 Sv enkel mogelijk is indien verhaal op beslagen goederen niet mogelijk blijkt, onrechtmatig kan zijn om de gijzeling voort te zetten op het moment dat het aannemelijk is dat er voldoende beslagen zijn gelegd om de ontnemingsvordering volledig op te verhalen. De rechtbank begrijpt de subsidiaire vordering van [eiser] aldus, dat hij wenst dat de Staat er op basis van de beslagen vordering op [bedrijf 1] B.V. vanuit gaat dat er voldoende beslagen zijn gelegd om de (resterende) ontnemingsvordering uit te voldoen en de grond aan de gijzeling is komen te ontvallen. 4.22. De rechtbank is van oordeel dat niet vast staat dat de ontnemingsvordering daadwerkelijk kan worden verhaald op de vordering van [eiser] op [bedrijf 1] B.V. waarop beslag is gelegd. Het OM heeft immers hoger beroep heeft ingesteld in de strafzaak tegen [naam 4] en in die procedure kunnen de [panden] alsnog verbeurd worden verklaard. Daarnaast is onzeker wat het resultaat zal zijn van de eventuele uitwinning van de beslagen vordering, zodat niet kan worden vastgesteld dat de resterende ontnemingsvordering volledig uit de opbrengst daarvan kan worden voldaan. Bij die stand van zaken zijn er onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat de grond aan de gijzeling is komen te ontvallen. 4.23. Ook de vordering genoemd in 3.1 onder f wordt afgewezen. Proceskosten 4.24. [eiser] moet de proceskosten van de Staat vergoeden. Deze worden begroot op: - griffierecht € 714,00 - salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten x tarief II ad € 614,00) - nakosten € 178,00 (plus verhoging bij betekening) Totaal € 2.120,00 4.25. De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen zoals uitgewerkt in de beslissing. 5De beslissing De rechtbank: 5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af; 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de Staat, tot op heden begroot op € 2.120,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 5.3. verklaart deze kostenveroordeling tot zover uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025. Type: 3390.