Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-6402 Zaaknummer: C/09/690570 Datum beschikking: 28 mei 2026 Gezag en omgang Beschikking op het op 20 augustus 2025 ingekomen verzoek van: [de moeder] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. A. Hayaty in ‘s-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader] , de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. Als informant wordt aangemerkt: Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling. Procedure De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het bericht van 28 augustus 2025 van de moeder; de berichten van 29 augustus 2025 van de moeder; de brief van de vader van 15 september 2025; het bericht van 11 maart 2026 van de moeder; het bericht van 7 mei 2026 van de moeder. Op 19 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder bijgestaan door haar advocaat; [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad); [naam 2] namens de gecertificeerde instelling (de jeugdbeschermer). De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De minderjarige [de minderjarige] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek. Feiten Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind: - [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] . De vader en de moeder zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast, ingevolge een aantekening in het gezagsregister van 19 mei
- [de minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder. Bij beschikking van deze rechtbank van 2 juni 2016 is, voor zover hier aan de orde, bepaald dat: - [de minderjarige] eens in de drie weken van vrijdag tot en met zondag bij de vader zal zijn. Verzoek en verweer De moeder verzoekt: om de moeder voortaan met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten. de omgangsregeling, zoals bepaald in de beschikking van deze rechtbank van 2 juni 2016 tussen de vader en [de minderjarige] voor onbepaalde tijd aan de vader zal worden ontzegd, dan wel in het geval gezamenlijk gezag in stand blijft voor de duur van 2 jaar zal worden opgeschort, althans voor de duur zoals de rechtbank juist acht. De vader heeft geen verweer gevoerd. Beoordeling Gezag Wettelijk kader Op grond van artikel 1:253n, eerste lid Burgerlijk Wetboek (BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag worden beëindigd, als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, BW, hierop ook van toepassing. Het gezamenlijk gezag kan daarom worden beëindigd als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Inhoudelijke beoordeling De moeder stelt dat de vader kampt met ernstige persoonlijke problematiek waardoor hij niet in staat het gezag op verantwoorde wijze uit te oefenen. Ten tijde van de eerdere procedure kampte de vader met een alcoholverslaving en inmiddels kampt hij met suïcidale klachten en verstuurd hij verontrustende berichten aan Jeugdbescherming West. De vader is vaak slecht of niet bereikbaar waardoor belangrijke beslissingen waarvoor gezamenlijke toestemming vereist is, zoals schoolkeuzes of medische behandelingen, vertraagd of niet tot stand komen. Daarnaast is de vader is al jaren niet meer betrokken bij de opvoeding, verzorging en ontwikkeling van [de minderjarige] en geen invulling geeft aan zijn rol als gezaghebbende ouder. De instabiele thuissituatie en de onvoorspelbare signalen van vader hebben bij [de minderjarige] gedragsproblemen veroorzaakt. De vader volgt vaak een patroon waarbij hij eerst toestemming geeft voor behandelingen of schoolkeuzes, maar deze vervolgens zonder duidelijke reden weer intrekt. Daarbij verbindt hij vaak voorwaarden, zoals dat de moeder schuld moet erkennen of excuses moet maken, alvorens hij opnieuw toestemming verleent. Ook zeg hij afspraken vaak op het laatste moment af. Hierdoor voert de vader zijn taken als gezaghebbende ouder niet naar behoren uit, met alle gevolgen van dien, die [de minderjarige] direct in zijn fysieke en emotionele welzijn schaden. Daarnaast heeft de moeder twee herseninfarcten gehad door de spanningen met vader en is daardoor arbeidsongeschikt geraakt. Er is inmiddels dan ook geen enkel contact meer tussen de ouders. De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting en uit de stukken is gebleken dat de vader niet of slecht bereikbaar is, waardoor belangrijke beslissingen ten aanzien van [de minderjarige] , zoals voor medische behandelingen, niet tot stand kunnen komen. Het enige wat [de minderjarige] op dit moment weerhoudt van onderwijs volgen via Back to School is de toestemming van de vader. Ook voor die toestemming is de vader onbereikbaar. Het volgen van onderwijs is voor alle kinderen van groot belang, en voor [de minderjarige] misschien nog wel meer. De rechtbank is van oordeel dat [de minderjarige] klem of verloren is geraakt tussen de ouders en verwacht niet dat dit binnen afzienbare tijd zal veranderen. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat de vader st al jaren niet meer betrokken is bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] en vervult daarmee niet zijn rol als gezaghebbende ouder. Hij heeft blijkens de brief van 15 september 2026 ook geen bezwaar tegen het eenhoofdig gezag van de moeder over [de minderjarige] . De rechtbank heeft geen vertrouwen dat de vader in de toekomst zijn rol als gezaghebbende ouder op zich zal nemen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder toewijzen en haar met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] belasten. Omgang Wettelijk kader Op grond van het eerste lid van artikel 1:377a van het BW heeft het kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang ontzegt. Op grond van het derde lid van dit artikel ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien: a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of c. het kind dat twaalf jaar of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouders of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. Inhoudelijke beoordeling De moeder stelt dat de omgangsregeling die bij beschikking van deze rechtbank van 2 juni 2016 is vastgesteld, feitelijk niet meer wordt uitgevoerd sinds
- [de minderjarige] voelt zich onveilig bij zijn vader en vader heeft aangegeven dat [de minderjarige] niet meer welkom is. [de minderjarige] is bang dat zijn vader hem onverwacht zal benaderen en dat hij alsnog gedwongen zou kunnen worden de omgang te hervatten. Deze aanhoudende vrees heeft grote negatieve gevolgen voor hem, zowel lichamelijk in de vorm van spannings- en stressklachten als op school, waar zijn prestaties en ontwikkeling onder lijden. De moeder voert daarbij aan dat omgang leidt tot ernstig nadeel voor de lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] , de vader kennelijk niet in staat kan worden geacht tot omgang en [de minderjarige] zelf ernstige bezwaren heeft tegen omgang met de vader. De rechtbank overweegt als volgt. De moeder en de jeugdbeschermer hebben op de zitting toegelicht dat het voor [de minderjarige] belangrijk is dat de regeling zoals vastgesteld in de beschikking van 2 juni 2016 niet meer zal gelden. De moeder verzoekt daartoe ontzegging van de omgang. De rechtbank neemt in aanmerking dat het recht op omgang een fundamenteel onderdeel van het in art. 8 EVRM verankerde recht op ‘family life’ is. Gezien het fundamentele karakter van het omgangsrecht dient de motivering waarbij het recht op omgang wordt ontzegd aan hoge eisen te voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in deze zaak onvoldoende concrete feiten en omstandigheden die een ontzegging van de omgang rechtvaardigen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat [de minderjarige] , voor zover zij uit de stukken opmaakt, vooral stress lijkt te ervaren door wisselende gedrag van de vader, waarbij hij telkens toestemming geeft en vervolgens weer intrekt, alsmede de gedachte aan omgang met de vader. De stress van het geven van toestemming en weer intrekken zal worden weggenomen doordat de rechtbank de moeder eenhoofdig met het gezag zal belasten. De vader heeft tot op heden geen enkel initiatief genomen tot omgang met [de minderjarige] . Vorig jaar is door de jeugdbeschermer een ultieme poging tot een afspraak voor contactherstel gedaan. Die afspraak is door de vader kort van te voren afgezegd. Ook blijkt uit de brief van de vader dat hij geen contact wenst met [de minderjarige] . Dat alles maakt dat ontzegging van de omgang nu niet aan de orde is. Tijdens de zitting is door de moeder en de jeugdbeschermer toegelicht dat het voor [de minderjarige] het allerbelangrijkst is dat de omgangsregeling van 2 juni 2016 beëindigd wordt. De rechtbank De rechtbank betrekt hierbij mede het feit dat de vader tot op heden geen enkel initiatief heeft genomen tot omgang met [de minderjarige] . De rechtbank is van oordeel, net als de moeder en de jeugdbeschermer, dat de omgangsregeling zoals vastgesteld in de beschikking van 2 juni 2016 moet worden beëindigd. De rechtbank acht ontzegging van de omgang hiertoe een te ver strekkend middel. De rechtbank zal daarom niet de omgang ontzeggen als bedoeld in artikel 1:377a BW, maar volstaan met beëindiging van de huidige omgangsregeling. BeslissingDe rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 2 juni 2016 –: * bepaalt dat voortaan aan de moeder het eenhoofdig gezag toekomt over de minderjarige; * bepaalt dat er tussen de vader en de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] geen omgangsregeling zal gelden; * verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; * wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei
- Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NLHR:2026:61