RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/517 uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juni 2025 in de zaak tussen de vennootschap naar buitenlands recht MHC Jersey Ltd., gevestigd te St. Helier (Jersey), eiseres (gemachtigde: mr. A. Verbruggen), en de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, verweerder (gemachtigden: mr. C. Vijver-van de Pas en mr. S. van den Broek). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaarschrift van 31 augustus 2023. 1.1. Bij brief van 21 juli 2023 heeft verweerder Damen Yachting B.V. (hierna: Damen) meegedeeld dat het jacht ‘ [naam jacht] ’, dat voor onderhoud in haar werf in [plaats] ligt, wordt aangemerkt als een door sancties getroffen goed. 1.2. Met het bestreden besluit van 7 december 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen deze brief niet-ontvankelijk verklaard. 1.3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens eiseres: haar gemachtigde. Namens verweerder waren zijn gemachtigden en mr. C. Ben-Lahcen aanwezig. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat de zaak over? 2. Het jacht ‘ [naam jacht] ’ is in 2021 gebouwd voor [naam 1] , afkomstig uit Rusland, die sinds 15 maart 2022 op de sanctielijst van de Europese Unie staat. De eigendom van dit jacht en de bovenliggende beheersmaatschappij(
- en)zijn op 24 februari 2022, kort na de Russische invasie van Oekraïne, overgedragen aan [naam 2] , een zakenpartner van [naam 1] . 2.1. Bij brief van 21 juli 2023 is aan Damen meegedeeld dat het jacht wordt aangemerkt als een door sancties getroffen goed. Met deze brief is Damen erop gewezen dat het op grond van artikel 1, eerste lid, van de Sanctieregeling verboden is te handelen in strijd met de artikelen 2 en 9 van de Verordening. Overtredingen van dit verbod zijn strafbaar gesteld als economisch delict. In de brief is verder vermeld dat bij signalen van een overtreding van de hiervoor genoemde artikelen handhavend zal worden opgetreden. 2.2. Eiseres is hiervan door Damen op de hoogte gesteld en heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de brief. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief geen besluit is waartegen op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bezwaar en beroep kunnen worden ingesteld. Wat is het standpunt van verweerder? 3. De brief is geen besluit, maar een feitelijke en informatieve mededeling met daarin een waarschuwing. Verweerder heeft toegelicht dat op basis van de hem bekende feiten en omstandigheden is geconcludeerd dat de sancties van toepassing zijn op het jacht. Dit was op 21 juli 2023 een bestaande rechtstoestand. Met de brief is geen verbod gecreëerd; het verbod volgt rechtstreeks uit de Verordening. Daarmee heeft de brief geen rechtsgevolgen en om die reden is het geen beslissing inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. De brief is daarom niet vatbaar voor bezwaar. 3.1. De brief bevat wel een bestuurlijk rechtsoordeel, maar dit kan niet worden gelijkgesteld aan een besluit, omdat geen sprake is van de daarvoor vereiste uitzonderingssituatie. De alternatieve weg om een rechterlijk oordeel te verkrijgen is niet onevenredig bezwarend voor eiseres. Aan het aanvragen van een ontheffing zijn immers geen onredelijke kosten verbonden. Een dergelijke aanvraag levert een besluit op, waartegen eiseres een bestuursrechtelijke procedure kan voeren. Het enkele feit dat eiseres verwacht dat de ontheffing zal worden geweigerd, maakt deze route niet onmogelijk of onevenredig bezwarend. Wat vindt eiseres in beroep? 4. De brief is niet slechts de (informatieve) mededeling van een bestaande rechtstoestand. Het is een besluit in de zin van de Awb. Verweerder heeft onderzoek gedaan naar de eigendomssituatie van het jacht en het resultaat daarvan neergelegd in de brief. Tijdens dit onderzoek heeft verweerder de feiten en het bewijsmateriaal geselecteerd en gewaardeerd met als resultaat dat de juridische status van het jacht is bepaald, namelijk als een door sancties getroffen goed. Hiermee valt het jacht onder de werking van de Verordening. 4.1. Voor zover het niet gaat om een besluit, bevat de brief een bestuurlijk rechtsoordeel dat gelijk kan worden gesteld aan een besluit in de zin van de Awb. Een alternatieve rechtsingang om over dat besluit een rechterlijk oordeel te krijgen, is afwezig en/of onredelijk bezwarend. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank beoordeelt of verweerder het bezwaarschrift van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. 5.1. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Is de brief een besluit in de zin van de Awb? 6. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. 6.1. Bij beantwoording van de vraag of een beslissing een besluit is, is bepalend of die beslissing is gericht op een rechtsgevolg. Dat is het geval als een bestuursorgaan een verandering beoogt in een bevoegdheid, recht, verplichting of status van een persoon of zaak. Van een op rechtsgevolg gerichte beslissing is verder sprake als een bestuursorgaan beoogt een bevoegdheid, recht, verplichting of status van een (rechts)persoon of zaak bindend vast te stellen. 6.2. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog. De rechtbank oordeelt dat de brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen bezwaar openstaat. Het betreft slechts een informatieve mededeling over een volgens verweerder bestaande rechtstoestand die rechtstreeks volgt uit de Verordening. De informatie in de brief behelst niet meer dan de constatering dat, wanneer men met het jacht aan het economische verkeer deelneemt, de Verordening wordt overtreden. De brief is geen voorwaarde om sancties aan eiseres te kunnen opleggen en brengt ook geen wijziging in de rechtspositie van eiseres. De brief is daarom niet op enig rechtsgevolg gericht. Is de brief een bestuurlijk rechtsoordeel dat gelijkgesteld wordt met een besluit? 7. Een bestuurlijk rechtsoordeel is in de regel geen besluit in de zin van de Awb. In uitzonderingssituaties moet echter een bestuurlijk rechtsoordeel als besluit worden aangemerkt. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het voor de betrokkene(
- n)onevenredig bezwarend is om het geschil over de interpretatie van de rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit bij de bestuursrechter aan de orde te stellen. 7.1. De rechtbank volgt verweerder in zijn betoog dat weliswaar sprake is van een bestuurlijk rechtsoordeel, maar de alternatieve weg om een oordeel van een rechter te verkrijgen voor eiseres niet onevenredig bezwarend is. Wanneer eiseres een ontheffing zou aanvragen dan zijn daar geen onredelijke kosten aan verbonden. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat een aanvraag op redelijk korte termijn tot een besluit leidt. Verweerder kan in dat besluit in beginsel ook alsnog tot de conclusie komen dat een ontheffing niet nodig is omdat het jacht niet onder de Sanctieregeling valt. Als dat niet gebeurt kan eiseres rechtsmiddelen tegen dat besluit instellen waarin zij haar inhoudelijke gronden – waaronder het standpunt dat de Sanctieregeling niet op het jacht van toepassing is waardoor geen ontheffing nodig is – aan de orde kan stellen. Deze optie is niet onevenredig bezwarend. Het feit dat eiseres verwacht dat de ontheffing wordt geweigerd of haar stelling dat het vragen om ontheffing kan worden opgevat als een erkenning dat het jacht terecht is aangemerkt als een door sancties getroffen goed, maakt dit niet anders. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzitter, en mr. E.K.S. Mollen en mr. J.L.D. Timmermans, leden, in aanwezigheid van mr.J.R. van Veen, griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op: griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Besluit 2022/429 van de Raad van 15 maart 2022 tot wijziging van Besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, Pb 2022 L 87 I/44. Als bedoeld in de Verordening (EU) 269/2014 van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of Bedreigen (de Verordening), PB 2014 L78/6. Deze verordening is geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Sanctieregeling territoriale integriteit Oekraïne 2014 (de Sanctieregeling). Als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Verweerder wijst op de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 25 augustus 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:2435. Eiseres verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3331. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5136. Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4242.