RECHTBANK Den Haag Team handel - voorzieningenrechter Zaaknummer: C/09/676560 / KG ZA 24-1119 Vonnis in kort geding van 10 januari 2025 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eiser, advocaat: mr. A.A. Marcus te Capelle aan den IJssel, tegen H.B.C. PLANONTWIKKELING B.V., te Schoonhoven, gedaagde, advocaat: mr. W. van Leuveren te Alphen aan den Rijn. Partijen worden hierna ‘de notaris’ en ‘HBC’ genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met de daarbij overgelegde producties; - de conclusie van antwoord met producties;- de mondelinge behandeling van 20 december 2024. 2De feiten 2.1. De notaris exploiteert een notariskantoor in Rotterdam. 2.2. HBC is een beleggingsvennootschap die zich, onder andere, bezig houdt met de verhuur van onroerend goed. 2.3. HBC heeft uit hoofde van een vonnis van 21 juni 2023 van de rechtbank Gelderland een vordering op de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). 2.4. Op 20 juli 2023 heeft op initiatief van de hypotheekhouder de executoriale verkoop van de woning van [naam 1] aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaatsnaam] (hierna: de woning) ten overstaan van de notaris plaatsgevonden. 2.5. HBC heeft op 25 juli 2023 ten laste van [naam 1] executoriaal beslag gelegd op de woning. Daarnaast hebben ook twee andere schuldeisers, [naam 2] en [naam 3] (hierna samen: [naam 2] ), ten laste van [naam 1] beslag op de woning gelegd. 2.6. Het notarieel transport van de woning heeft op 2 augustus 2023 plaatsgevonden. Na voldoening van de hypotheekhouder resteerde er € 11.204,56 aan executieopbrengst. Dit bedrag is in depot gesteld op de kwaliteitsrekening bij de notaris. 2.7. HBC heeft bij de rechtbank Gelderland een verzoek ingediend tot het treffen van een rangregeling. Nadat de griffier de belanghebbenden op 18 juni 2024 in de gelegenheid heeft gesteld om eventuele vorderingen aan te melden, heeft HBC een vordering van € 19.408,85 aangemeld en [naam 2] een vordering van € 13.757,47. 2.8. De rechtbank Gelderland heeft vervolgens op 16 augustus 2024 een staat van verdeling afgegeven waarin is bepaald dat HBC en [naam 2] , naar rato van de omvang van hun vorderingen, uit het restant van de executieopbrengst worden voldaan. 2.9. De notaris heeft de deurwaarder van HBC, de heer B.E.J. Caminada van Caminada & Van Leeuwen Gerechtsdeurwaarders & Incasso te Alphen aan de Rijn (hierna: de deurwaarder), bij e-mailbericht van 28 augustus 2024 geschreven dat HBC naar rato van haar vordering een bedrag van € 6.556,88 toekomt uit de executieopbrengst. De notaris heeft HBC verzocht zich te identificeren in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) middels een PEP en UBO-verklaring. Daarnaast is de deurwaarder om legitimatie gevraagd. 2.10. De deurwaarder heeft bij e-mailbericht van 30 augustus 2024 laten weten dat niet aan het verzoek tot identificatie zal worden voldaan, omdat HBC noch de deurwaarder cliënten van de notaris zijn en daarom geen grondslag bestaat voor het verrichten van een (cliënt)onderzoek. De deurwaarder heeft daarnaast verzocht het bedrag van € 6.556,88 per ommegaande over te maken op zijn derdengeldenrekening. 2.11. Partijen hebben daarna verder gediscussieerd over de vraag of HBC en/of de deurwaarder gehouden zijn medewerking te verlenen aan het (cliënt)onderzoek door de notaris. 2.12. De rechtbank Gelderland heeft op verzoek van HBC op 11 oktober 2024 een bevelschrift (hierna: het bevelschrift) op grond van artikel 485 Rechtsvordering (Rv) afgegeven. De notaris is daarin gelast om de nog niet eerder voldane kosten uit de netto-executieopbrengst te voldoen en tot uitbetaling aan HBC (en [naam 2] ) over te gaan. 2.13. Na opgave van de door de notaris gevraagde gegevens is aan de familie [naam 2] hun aandeel in de opbrengst uitbetaald. Het resterende bedrag dat de notaris van de executieopbrengst onder zich houdt ziet op de vordering van HBC. 2.14. HBC heeft het bevelschrift op 20 november 2024 aan de notaris laten betekenen en daarbij een betalingsbevel gedaan. De notaris is niet tot uitbetaling aan HBC overgegaan. 2.15. Nadien hebben (de advocaten van) partijen nog verder gecorrespondeerd. Dit heeft niet tot een minnelijke oplossing geleid. 2.16. Op grond van het bevelschrift heeft HBC op 27 november 2024 ten laste van de notaris in privé executoriaal beslag gelegd onder ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO) en de Coöperatieve Rabobank U.A. (hierna: Rabobank). De deurwaarder heeft ABN AMRO en Rabobank diezelfde dag verzocht de eventueel onder het beslag getroffen gelden te beperken tot € 10.000,00. Het beslag onder Rabobank heeft doel getroffen voor € 10.000,00. 3Het geschil 3.1. De notaris vordert, samengevat, na wijziging van eis, dat de voorzieningenrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: alle door HBC op grond van het bevelschrift ten laste van de notaris gelegde executoriale beslagen ten laste van de notaris opheft, althans HBC gebiedt binnen 24 uur na betekening van dit vonnis alle beslagen op te heffen, op straffe van een dwangsom; HBC te verbieden executoriale beslagen te leggen op grond van het bevelschrift, op straffe van een dwangsom; althans een passende voorziening treft; met veroordeling van HBC in de werkelijke proceskostenkosten ter hoogte van € 11.434,50. 3.2. De notaris legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. De door HBC ten laste van de notaris gelegde beslagen zijn onrechtmatig en dienen te worden opgeheven. De notaris heeft de uitbetaling aan HBC terecht opgeschort, omdat hij het cliëntonderzoek niet heeft kunnen voltooien als gevolg van de weigering van HBC daaraan mee te werken. Ook zijn de gelegde beslagen disproportioneel. Verder is er ten onrechte beslag gelegd op het privévermogen van de notaris; een geldige executoriale titel daarvoor ontbreekt. Nu HBC zich daarvan bewust is, dient zij te worden veroordeeld in de werkelijke proceskosten. 3.3. HBC voert verweer. HBC concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de notaris, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de notaris , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de notaris in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling Spoedeisend belang 4.1. Het spoedeisend belang van de notaris volgt uit de aard van zijn vorderingen. Algemeen 4.2. De onderhavige zaak is te herleiden tot de discussie die partijen (en de deurwaarder) voeren over de vraag of in de situatie – zoals hier aan de orde – waarbij executoriaal beslag is gelegd op de opbrengst van de executoriale verkoop van een woning, de beslaglegger gehouden is om zich te identificeren in het kader van de Wwft alvorens een notaris tot uitbetaling van (het aan de beslaglegger toekomende deel van) de executieopbrengst aan de beslaglegger kan overgaan. 4.3. De notaris stelt zich op het standpunt dat hij de uitbetaling aan HBC terecht opschort, omdat hij het cliëntenonderzoek niet heeft kunnen voltooien. De notaris legt hieraan ten grondslag dat hij op grond van artikel 1a, lid 4, sub d, onder 1º Wwft is aangewezen als instelling in de zin van de Wwft indien hij bijstand verleend bij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.