RECHTBANK Den Haag Team Handel Zaaknummer: C/09/671764 / HA ZA 24-737 Vonnis van 26 maart 2025 in de zaak van [naam 1] te [woonplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [naam 1] , advocaat: mr. T.H. Liebregts, te Arnhem, tegen HOOGHEEMRAADSCHAP VAN SCHIELAND EN KRIMPENERWAARD te Rotterdam, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: HHSK, advocaat: mr. G.J.M. de Jager, te Rotterdam. 1Waar gaat deze zaak over? 1.1. HHSK is eigenaar van een watergang met oever in [plaats] . [naam 1] is erfpachter van een perceel dat aan de achterkant grenst aan het perceel van HHSK. [naam 1] heeft een strook grond langs de oever van de watergang bij haar tuin getrokken. Met een beroep op verkrijgende en bevrijdende verjaring vordert [naam 1] een verklaring voor recht dat zij erfpachter van de strook grond geworden. 2De procedure 2.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 26 juli 2024, met producties 1 tot en met 9: - het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 augustus 2024, waarbij de zaak is verwezen naar de rechtbank Den Haag; - de conclusie van antwoord met eis in reconventie van 16 oktober 2024, met producties 1 tot en met 16; - het tussenvonnis van 6 november 2024, waarin een mondelinge behandeling is bepaald; - de conclusie van antwoord in reconventie van 8 januari 2025, met productie 10; - de mondelinge behandeling van 28 januari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 28 januari 2025. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt. 2.3. Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald. 3De feiten 3.1. [naam 1] is erfpachter van een perceel grond met kadastrale aanduiding [kadastrale aanduiding 1] , plaatselijk bekend als de [adres 1] te [plaats] (hierna: [perceel 1] ). HSSK is eigenaar van dit perceel. Op het perceel staat een woning, waarin [naam 1] woont. 3.2. HHSK is ook eigenaar van het perceel met kadastrale aanduiding [kadastrale aanduiding 2] (hierna: [perceel 2] ), dat aan de zuidkant van [perceel 1] grenst. Op [perceel 2] liggen een groenstrook en (een deel van) de sloot. Op onderstaande kadastrale tekening zijn de [perceel 1] en [perceel 2] zichtbaar, waarbij de rechtbank op de onderstaande tekening ter verduidelijking het perceelnummer [perceel 2] heeft toegevoegd): 3.3. In 2009 heeft [naam 1] heeft het erfpachtrecht van [perceel 1] onder algemene titel verkregen na het overlijden van haar echtgenoot de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [naam 2] heeft het erfpachtrecht in 1990 op grond van een koopovereenkomst verkregen van de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ). [naam 3] is (vanaf 1983) de eerste erfpachter van [perceel 1] en bewoner van de woning. 3.4. HHSK heeft [naam 1] per brief van 4 november 2021 onder meer geschreven: “Het hoogheemraadschap heeft onlangs onderzoek gedaan naar het gebruik van grond in diens gebied. Uit dit onderzoek blijkt dat verschillende inwoners en bedrijven gebruikmaken van grond waar het hoogheemraadschap eigenaar van is. Wij vermoeden dat u ook grond van het hoogheemraadschap gebruikt. (…) Volgens onze gegevens gebruikt u grond van het hoogheemraadschap aan de achterkant van uw woning aan de [adres 1] te (3056 LB) [plaats] .” 3.5. Nadat een landmeter van HHSK de percelen 588 en 1589 heeft opgemeten, heeft HHSK [naam 1] per brief van 3 februari 2022 onder meer geschreven: “Uit de meting op locatie is gebleken dat u aan de achterkant van uw woning aan de [adres 1] grond van het hoogheemraadschap in gebruik heeft. De oppervlakte van deze grond is in totaal 15 m2.” In deze brief heeft HHSK [naam 1] aangeboden om de strook grond die is gelegen tussen de kadastrale grens aan de zuidkant van [perceel 1] en de sloot (hierna: de strook grond), te huren voor een bedrag van € 1,66 per m2 (met jaarlijkse indexatie). 3.6. Op de onderstaande afbeelding is de strook grond als een blauw vlak aangegeven. 3.7. De strook grond is bij de tuin van [naam 1] betrokken. Er is een beschoeiing geplaatst, de grond is geëgaliseerd, er is worteldoek geplaatst en er is een houten raster met daarop een houten terras geplaatst. [perceel 1] en de strook grond zijn niet afgesloten (geweest) aan de zijde van de sloot. 3.8. [naam 1] heeft aanvankelijk in correspondentie met HHSK het standpunt ingenomen dat zij door verjaring eigenaar van de strook grond is geworden. Later heeft [naam 1] zich op het standpunt gesteld dat zij door verjaring erfpachter is geworden. HHSK heeft het beroep op verjaring afgewezen. 4Het geschil in conventie 4.1. [naam 1] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad (verkort weergegeven): primair: i. een verklaring voor recht dat [naam 1] door verjaring erfpachter is geworden van de strook grond; ii. dat HHSK moet meewerken aan de inschrijving in de openbare registers; subsidiair: iii. een verklaring voor recht dat de vordering van HHSK tot opheffing van de onrechtmatige toestand is verjaard; in alle gevallen: iv. HHSK te veroordelen in de proceskosten. 4.2. [naam 1] legt aan de vordering – samengevat – ten grondslag dat sprake is van verkrijgende of bevrijdende verjaring ex artikel 3:99 van het Burgerlijk Wetboek (BW) respectievelijk artikel 3:105 lid 1 BW jo. 3:306 BW. [naam 1] is daardoor erfpachter van de strook grond geworden. Subsidiair stelt [naam 1] dat HHSK ex artikel 3:314 lid 1 BW jo. 3:306 BW geen opheffing meer kan vorderen van een onrechtmatige toestand. 4.3. HHSK voert verweer. HHSK concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [naam 1] in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [naam 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [naam 1] in de kosten van deze procedure, eventueel vermeerderd met wettelijke rente. Op de stellingen van partijen zal bij de beoordeling – voor zover van belang – nader worden ingegaan. in reconventie 4.4. HHSK vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad (verkortweergegeven): primair: i. [naam 1] te veroordelen om de strook grond binnen 30 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen; ii. [naam 1] te veroordelen tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 124,50; subsidiair, onder de voorwaarde dat de conventionele vordering inzake de verklaring voor recht wordt toegewezen: iii. een verklaring voor recht dat op de strook grond dezelfde algemene erfpachtvoorwaarden van toepassing zijn als op [perceel 1] ; iv. [naam 1] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.483,50 aan canon; in alle gevallen: v. [naam 1] te veroordelen in de proceskosten. 4.5. HHSK legt aan de vordering – samengevat – ten grondslag dat geen sprake is van verjaring. De strook grond wordt zonder recht of titel door [naam 1] gebruikt, zodat HHSK ontruiming van de strook grond en een gebruiksvergoeding vordert die gelijk is aan de voorgestelde huurprijs. Voor zover sprake is van verjaring, moeten volgens HHSK dezelfde algemene erfpachtvoorwaarden op de strook grond van toepassing worden verklaard en moet canon worden betaald voor de strook grond. 4.6. [naam 1] voert verweer. [naam 1] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van HHSK in zijn vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van HHSK, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van HHSK in de kosten van deze procedure, eventueel vermeerderd met wettelijke rente. Op de stellingen van partijen zal bij de beoordeling – voor zover van belang – nader worden ingegaan. 5De beoordeling in conventie Wat is de kern van deze zaak? 5.1. Het geschil tussen partijen draait om de vraag of [naam 1] door verjaring erfpachter van de strook grond is geworden, doordat zij en haar rechtsvoorgangers de grond meer dan tien dan wel twintig jaar in bezit hebben gehad. De rechtbank komt hierna tot het oordeel dat [naam 1] de strook grond meer dan tien jaar in bezit heeft gehad en door verkrijgende verjaring een erfpachtrecht op de strook grond heeft verkregen. Beoordelingskader 5.2. Diegene die te goeder trouw een onroerende zaak voor meer dan tien jaar onafgebroken in zijn bezit heeft, wordt op grond van verjaring rechthebbende (artikel 3:99 lid 1 BW). Degene die een onroerende zaak voor meer dan twintig jaar in bezit heeft, wordt na twintig jaar op grond van bevrijdende verjaring rechthebbende (artikel 3:105 BW jo artikel 3:306 BW) De vraag of sprake is van bezit moet worden beoordeeld naar de verkeersopvattingen op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Dit is een objectieve maatstaf en alle relevante omstandigheden van het geval moeten daarbij in aanmerking worden genomen. Het bezit moet openbaar en ondubbelzinnig zijn. Dit betekent dat de bezitter zich op een manier moet gedragen dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert rechthebbende te zijn (vgl. Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309). Bezit wordt onder andere verkregen door feitelijke machtsverschaffing (artikelen 3:112 en 3:113 lid 1 BW). Wanneer het goed in bezit is van een ander, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen daarvoor onvoldoende (artikel 3:113 lid 2 BW). Er moet sprake zijn van een zodanige machtsuitoefening dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet wordt gedaan (vgl. Hoge Raad 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743). De drempel voor het aannemen van inbezitneming van een onroerend goed is hoog (conclusie AG Rank-Berenschot van 30 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:876, ro. 4.25). 5.3. In deze zaak geldt dat [naam 1] erfpachter van het [perceel 2] is, hetgeen betekent dat zij nooit een grotere pretentie dan erfpachter van de strook grond kan hebben. Erfpacht is een beperkt recht. Doorgaans wordt aangenomen dat bezit van beperkte rechten niet te snel aangenomen kan worden. De gedachte is dan dat de machtsuitoefening van iemand die zich gedraagt als gerechtigde tot een beperkt recht (bijv. een erfdienstbaarheid) in de praktijk niet goed te onderscheiden is van de machtsuitoefening van iemand die op grond van een persoonlijk recht gebruik maakt van de onroerende zaak. Dit geldt echter niet voor de inbezitneming van een recht van erfpacht. Immers, de bezitshandelingen van een gerechtigde van een recht van erfpacht zijn in de praktijk dezelfde handelingen als die van een gerechtigde van een eigendomsrecht. De rechtbank zal dan de gestelde bezitsdaden van [naam 1] en haar rechtsvoorgangers dan ook op dezelfde manier beoordelen als ware zij eigenaar geweest van [perceel 1] . Ondubbelzinnig bezit van (de rechtsvoorgangers van) [naam 1] 5.4. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rusten op [naam 1] , die zich op het rechtsgevolg verjaring beroept, de stelplicht en zo nodig de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat zij en haar rechtsvoorgangers bezitter van de strook grond zijn geworden en dit gedurende de verjaringstermijn zo is gebleven. [naam 1] heeft in dat verband gesteld dat de strook grond sinds 1983, althans in ieder geval voor een onafgebroken periode van meer dan twintig onafgebroken in bezit is geweest van haarzelf en haar rechtsvoorgangers. 5.5. Ter onderbouwing van haar vordering beroept [naam 1] zich op de volgende stukken: - een schriftelijke verklaring van de heer [naam 4] , de buurman die sinds 1983 in de woning op het naastgelegen perceel ( [adres 2] te [plaats] ) woont. Hij heeft verklaard dat in de tuinen achter de woningen en op de strook grond aanvankelijk stenen en riet aanwezig waren. Samen met [naam 3] heeft [naam 4] de beschoeiing, het houten frame en het terras / vlonder (hierna: het terras) geplaatst; - een foto van 14 april 2004, de dag waarop [naam 1] met [naam 2] in het huwelijk getreden is. Op de foto is het terras zichtbaar. [naam 1] en [naam 2] zitten op een stoel op het terras, voorafgaand aan de huwelijksvoltrekking. [naam 1] heeft aangevoerd dat op het moment dat deze foto genomen is de planken van het terras (ongeveer) een jaar eerder zijn vervangen; - diverse foto’s van de tuin en het terras. Hierop is zichtbaar dat één zijkant van de tuin (aan de zijde van [adres 2] te [plaats] ) is afgesloten met een hoge schutting. De andere zijkant van de tuin is afgesloten met een hekwerk. De planken van het houten terras zijn (veel) nieuwer dan het houten frame waarop de planken van het terras rusten; en - twee luchtfoto’s uit 1981 en 1986. Op de luchtfoto uit 1981 is volgens [naam 1] het bouwterrein achter de woning zichtbaar. Op de luchtfoto uit 1986 is volgens [naam 1] een driehoek/structuur van het terras zichtbaar. 5.6. HHSK betwist dat sprake is van ondubbelzinnig bezit. Het aanbrengen van de beschoeiing levert volgens HHSK geen bezitsdaad op, omdat de beschoeiing alleen is bedoeld om de overige grond te beschermen tegen het water en omdat de beschoeiing vanwege het terras niet zichtbaar is geweest voor HHSK. Ook kan geen sprake van bezit zijn omdat – hoewel de tuin inclusief de strook grond niet vanaf de zijkanten kan worden betreden – HHSK altijd toegang tot de strook grond heeft gehad vanaf het water, aldus HHSK. Aan de waterzijde is de strook grond niet afgeschermd. 5.7. De rechtbank oordeelt over het beroep op verjaring als volgt. 5.8. Een belangrijk geschilpunt tussen partijen betreft de omstandigheid dat de strook grond aan de zijde van de sloot niet is afgesloten met een (hoog) hekwerk. Hierdoor heeft HHSK nog steeds een mogelijkheid om toegang te krijgen tot de strook grond vanaf de sloot. De rechtbank acht het in dit verband relevant dat de sloot, die niet is aangesloten op ander (openbaar) (vaar)water, een natuurlijke afscheiding van de strook grond vormt. Het belemmert derden de toegang tot de strook grond. Ook HHSK kan zich uitsluitend toegang verschaffen tot de strook grond via een schip of ponton dat aan de overzijde van de sloot te water gelaten wordt. Toegang tot de strook grond vanaf [perceel 2] ter hoogte van de percelen die naast [perceel 1] gelegen zijn, is niet mogelijk. De rechtbank acht het ontbreken van een (hoog) hek onder deze omstandigheden niet doorslaggevend voor de vraag of [naam 1] en haar rechtsvoorgangers de strook grond in bezit genomen hebben en sprake is van bezitsverlies aan de zijde van HHSK. Bezitsverlies vereist namelijk niet dat de oorspronkelijk eigenaar/bezitter feitelijk geen enkele macht meer kan uitoefenen of dat een stuk grond geheel is afgesloten. Het is voldoende dat de machtsuitoefening van de nieuwe bezitter zodanig is dat deze het bezit van de oorspronkelijke bezitter naar verkeersopvattingen teniet doet. Of dat het geval is, zal de rechtbank hierna beoordelen. 5.9. [naam 1] heeft zich beroepen op drie bezitsdaden: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.