← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:5393

RECHTBANK DEN HAAG Jeugd- en Zorgrecht Zaaknummer: C/09/679703 / JE RK 25-216 Datum uitspraak: 4 maart 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. R. Shahbazi te Den Haag, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 1] , [de grootmoeder] , zijnde de grootmoeder moederszijde, hierna te noemen: de grootmoeder, wonende in [woonplaats 2] . 1Het verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 februari 2025; - het verweerschrift van de moeder met bijlagen van 13 februari 2025, ontvangen op 27 februari
  2. 1.
  3. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 maart
  4. Daarbij waren aanwezig: [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling; de advocaat van de moeder; de vader; de grootmoeder, ondersteund door haar partner als toehoorder. De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen. 2De feiten 2.
  5. [minderjarige] is erkend door de vader. 2.
  6. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.
  7. [minderjarige] woont bij de grootmoeder en haar partner. 2.
  8. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 april 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 17 april 2025 en voor dezelfde duur een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkvoorziening voor pleegzorg. 3Het verzoek 3.
  9. De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van een jaar. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
  10. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Wegens het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer heeft de gecertificeerde instelling nog onvoldoende kunnen werken aan de door de rechtbank gegeven opdracht. Vanaf januari 2025 is er een vaste jeugdbeschermer gestart binnen het gezin. De gecertificeerde instelling wil de problematiek binnen het gezin de komende periode in kaart brengen en onderzoeken wat nodig is om de bestaande patronen te doorbreken. Ook moet er de komende periode zicht komen op de opvoedsituatie bij beide ouders en is het belangrijk dat er hulpverlening wordt ingezet om de onderlinge verstandhouding tussen de betrokkenen te verbeteren. [minderjarige] kampt met een ontwikkelingsachterstand. Momenteel wordt onderzocht waar deze ontwikkelingsachterstand vandaan komt en wat er nodig is om deze zoveel mogelijk in te lopen. [minderjarige] heeft het nodige meegemaakt in zijn leven en mogelijk speelt dit ook een rol. Er wordt ook gezocht naar een passende school voor [minderjarige] , aangezien hij over een aantal maanden vier jaar wordt. Omdat [minderjarige] al geruime tijd niet bij (een van) de ouders woont, is het nodig dat er de komende periode duidelijkheid komt over zijn opvoedperspectief. De gecertificeerde instelling zal daartoe onderzoek verrichten naar de opvoedvaardigheden van beide ouders en de opvoedbehoeften van [minderjarige] . Tot er meer duidelijkheid is over waar [minderjarige] moet opgroeien, is het belangrijk dat hij bij de grootmoeder blijft wonen. Daar heeft hij een veilige en stabiele basis. De gecertificeerde instelling verzoekt daarom een verlenging van beide kinderbeschermingsmaatregelen voor de duur van een jaar. 4De standpunten 4.
  11. Namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek. Ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling is aangevoerd dat er het afgelopen jaar niets is gebeurd door het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer. Hoewel het positief is dat er sinds januari 2025 een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is, is het wel noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling nu voortvarend te werk gaat met het inzetten van hulpverlening. De moeder verzoekt daarom de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van zes maanden en het verzoek voor het overige af te wijzen. De moeder heeft ook verweer gevoerd tegen de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. De moeder verzoekt primair om de verlenging van de machtiging af te wijzen. Daartoe heeft de moeder aangevoerd dat niet aan de gronden voor een uithuisplaatsing wordt voldaan. De voornaamste zorg ten tijde van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] was de problematische verstandhouding tussen de moeder en de vader. Inmiddels is er echter sprake van een stabiele relatie. De vader volgt behandeling bij de Waag en heeft hulp gehad vanuit [instelling] voor zijn verslavingsproblematiek. De moeder voert al enige tijd gesprekken met een psycholoog van PsyQ en zij heeft hier baat bij. Het gaat goed met de moeder: zij heeft een vaste woonplek en haar draagkracht en draaglast zijn inmiddels weer in balans. De moeder vindt het kwalijk dat er door het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer nog geen hulpverlening is ingezet om de relatie tussen de moeder en de grootmoeder te verbeteren. Dit mag haar echter niet tegengeworpen worden. De gecertificeerde instelling heeft voldoende tijd gehad om zicht te krijgen op de opvoedsituatie bij de moeder. De moeder heeft zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de grootmoeder. De grootmoeder is veelal afwezig door werk, waardoor [minderjarige] vaak naar de kinderopvang moet. Daarbij komt dat de moeder [minderjarige] er vaak onverzorgd uit vindt zien en dat de grootmoeder dreigt de noodzakelijke logopedie stop te zetten. De moeder meent dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij wordt teruggeplaatst bij haar. De moeder heeft genoeg tijd en aandacht om [minderjarige] te verzorgen en op te voeden. Zij kan hem een stabiele en rustige basis geven, wat [minderjarige] juist zo nodig heeft vanwege zijn ontwikkelingsachterstand. De moeder verzoekt daarom primair de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing af te wijzen. Subsidiair verzoekt de moeder het verzoek slechts voor de duur van drie maanden toe te wijzen of in ieder geval voor een kortere duur dan is verzocht. 4.
  12. De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij niet de dupe mag worden van het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer. Hij wil én kan voor [minderjarige] zorgen. De vader vindt dat hij [minderjarige] op dit moment veel te weinig ziet, namelijk om de week een weekend. Volgens de vader heeft hij voldoende bewezen dat hij voor [minderjarige] kan zorgen, nu de omgang in de weekenden altijd goed verloopt. Verder geeft de vader aan dat hij bij de Waag aan zichzelf heeft gewerkt en dat hij zijn behandeling positief heeft afgerond. De vader heeft een stabiel leven: hij heeft een woning en een baan. Dat de communicatie met de grootmoeder moeizaam verloopt, is niet aan de vader te wijten. De vader biedt regelmatig zijn hulp aan om de grootmoeder te ontlasten, maar daar wordt niet op gereageerd. 4.
  13. De grootmoeder heeft ingestemd met het verzoek. De grootmoeder heeft het gevoel dat zij niets goed kan doen in de ogen van de moeder en de vader. De grootmoeder vindt het belangrijk dat zij, de vader en de moeder op een normale manier met elkaar kunnen communiceren over [minderjarige] . Het is verder belangrijk dat beide ouders tijdig toestemming geven voor praktische en medische zaken, zodat dingen voor [minderjarige] geregeld kunnen worden. [minderjarige] heeft namelijk een ontwikkelingsachterstand en het is belangrijk dat de juiste hulp voor hem wordt ingezet. Aangezien er veel (medische) zaken voor [minderjarige] (gaan) lopen, is het belangrijk dat de taken tussen alle betrokkenen worden verdeeld. De grootmoeder is blij dat er inmiddels een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is. Zij heeft het afgelopen jaar alles zelf moeten regelen en dat heeft de grootmoeder zwaar gevonden. De grootmoeder staat dan ook achter de inzet van pleegzorgbegeleiding. De grootmoeder meent dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij voorlopig bij haar blijft wonen. 5De beoordeling 5.
  14. Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar. 5.
  15. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Door het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer voor [minderjarige] zijn de zorgen zoals beschreven in de beschikking van 20 maart 2024 nog onverminderd aanwezig. Vaststaat dat het de moeder, de vader en de grootmoeder niet lukt om de zorgen over [minderjarige] zelfstandig weg te nemen. Hun onderlinge relatie is dusdanig verstoord dat niet te verwachten valt dat zij er in onderling overleg voor kunnen zorgen dat de juiste hulpverlening wordt ingezet. Een verlenging van de ondertoezichtstelling is daarom noodzakelijk. Sinds januari 2025 is er een vaste jeugdbeschermer beschikbaar voor het gezin. Gelet op het feit dat er nog gestart moet worden met (individuele) hulpverlening en er sprake is van een complexe gezinsdynamiek, vindt de kinderrechter de verzochte duur van een jaar passend en geboden. De kinderrechter wijst de verlenging van de ondertoezichtstelling dan ook toe als verzocht. Het is noodzakelijk dat de jeugdbeschermer nu wel met voortvarendheid aan de slag gaat met de zorgen die er zijn. De komende tijd is het in ieder geval van belang dat er hulpverlening wordt ingezet om de onderlinge verstandhouding tussen de betrokkenen te verbeteren. Ook dient er zicht te komen op de opvoedsituatie en opvoedvaardigheden van beide ouders. Verder is het noodzakelijk dat er (verder) onderzocht wordt waar de ontwikkelingsachterstand van [minderjarige] vandaan komt en wat er nodig is om deze achterstand weg te nemen. 5.
  16. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. 5.
  17. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Sinds november 2023 verblijft [minderjarige] bij de grootmoeder en haar partner, samen met zijn halfbroer en -zus. [minderjarige] heeft bij de grootmoeder een veilige en stabiele basis en zij sluit aan bij zijn opvoedbehoeften. Aangezien er nog onvoldoende zicht is op de opvoedvaardigheden van en de opvoedsituatie bij beide ouders, is een thuisplaatsing van [minderjarige] bij (een van) de ouders op dit moment geen optie. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] en de tijd waarin hij in onzekerheid kan verkeren over zijn opvoedperspectief, is het wel van belang dat er de komende maanden wordt onderzocht of een thuisplaatsing van [minderjarige] bij (een van) de ouders (op termijn) tot de mogelijkheden behoort. De kinderrechter is van oordeel dat een termijn van zes maanden daar in beginsel passend en geboden voor is. Tot die tijd dient [minderjarige] bij de grootmoeder te blijven wonen. De kinderrechter zal het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing dan ook toewijzen voor de duur van zes maanden en het verzoek voor het overige aanhouden. Weliswaar vermeldt het verzoek dat wordt verzocht om een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening, maar de kinderrechter begrijpt op basis van het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht dat het de bedoeling is dat [minderjarige] bij de grootmoeder blijft wonen en leest het verzoek van de gecertificeerde instelling dan ook zo, dat wordt verzocht om een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg. Over zes maanden zal wederom naar de situatie van [minderjarige] worden gekeken en moet beoordeeld worden of een langere uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is. In dat kader verzoekt de kinderrechter de gecertificeerde instelling uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen zitting een schriftelijke update aan de rechtbank en de belanghebbenden te zenden, waarin in ieder geval is opgenomen of het verzoek wordt gehandhaafd of niet. 5.
  18. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
  19. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 17 april 2026; 6.
  20. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 17 oktober 2025; 6.
  21. verklaart de beslissingen onder punt 6.1 en 6.2 uitvoerbaar bij voorraad; 6.
  22. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 17 oktober 2025 bij mr. E.E. Schotte, en gelast de griffier tegen voornoemde zitting op te roepen: de gecertificeerde instelling; de moeder; de advocaat van de moeder: mr. R. Shahbazi; de vader; de oma; 6.
  23. bepaalt dat de gecertificeerde instelling uiterlijk twee weken vóór voornoemde zitting een schriftelijke update aan de rechtbank en de belanghebbenden dient te zenden. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2025 door mr. E.E. Schotte, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier, en op schrift gesteld op 11 maart
  24. Voor zover in deze beschikking eindbeslissingen staan, kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag. Artikel 1:260, eerste lid, BW. Artikel 1:265c, tweede lid, BW.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.