RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL24.39359 en NL24.39360 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiser, en [naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer 2] , eiseres, hierna tezamen te noemen: eisers (gemachtigde: mr. D. de Heuvel), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C. van der Zijde). Procesverloop Bij afzonderlijke besluiten van 8 oktober 2024 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd (asielaanvragen) in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen op 15 januari 2025 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Khudaida. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Inleiding 1. Eisers zijn broer en zus. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 2000 en eiseres is geboren op [geboortedatum 2] 2006. Eisers hebben de Iraakse nationaliteit, zijn afkomstig uit de Sinjar-regio in Irak en zijn Jezidi’s. Zij hebben op 20 oktober 2022 asiel aangevraagd in Nederland. De asielrelazen 2.1. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Na de inval door IS in de Sinjar-regio in 2014 is eiser met zijn familie (onder wie eiseres) naar de bergen gevlucht, waar zij acht dagen hebben verbleven. Daarna is eiser met zijn familie naar de Koerdische Autonome Regio (KAR) gevlucht, waar zij eerst in een schoolgebouw en later in een tentenkamp hebben verbleven. In 2018 is eiser met zijn familie teruggekeerd naar hun dorp Dugure in Sinjar-regio. Als Jezidi heeft eiser veel discriminatie en meerdere andere problemen ondervonden. Eiser is onder andere door vijf medestudenten van de universiteit bedreigd en mishandeld, waarbij hij gewond is geraakt. Daarnaast is eiser in februari 2022 in de buurt van zijn woonplaats benaderd door de PKK met het oog op rekrutering. Bij terugkeer naar Irak vreest eiser voor een nieuwe genocide, voor problemen en geweld vanwege zijn Jezidi-afkomst en voor gedwongen rekrutering of ontvoering door de PKK. 2.2. Eiseres heeft – samengevat weergegeven – het volgende aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd. Na de inval door IS in de Sinjar-regio in 2014 is eiseres met haar familie (onder wie eiser) naar de bergen gevlucht. Van 2014 tot 2018 heeft eiseres met haar familie in de KAR verbleven. In 2018 is eiseres met haar familie teruggekeerd naar de Sinjar-regio. Als Jezidi heeft eiseres veel discriminatie en racisme ondervonden en veel andere nare gebeurtenissen meegemaakt. Eiseres is onder andere op haar school door haar lerares vernederd en door de conciërge aangerand. Na dit laatste incident heeft zij in haar polsen gesneden. Eiseres stelt niet in Irak te kunnen leven vanwege de oneerlijke en vernederende behandeling die zij daar als Jezidi krijgt. Bij terugkeer naar Irak vreest eiseres voor problemen en geweld vanwege haar Jezidi-afkomst. De bestreden besluiten 3.1. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: - identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; - problemen vanwege het behoren tot de Jezidi bevolkingsgroep; - rekrutering door de PKK. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser Jezidi is en om die reden problemen heeft ondervonden. De gestelde rekrutering door de PKK heeft verweerder echter ongeloofwaardig geacht, omdat in dat verband niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). 3.2. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: - identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres; - problemen vanwege het behoren tot de Jezidi bevolkingsgroep. Verweerder heeft beide asielmotieven geloofwaardig geacht. 3.3. De geloofwaardig geachte asielmotieven van eisers – aldus: hun identiteit, nationaliteit en herkomst en de problemen vanwege het behoren tot de Jezidi bevolkingsgroep – leveren volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw, omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eisers een gegronde vrees voor vervolging hebben als bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of bij terugkeer naar Irak een reëel risico lopen op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat Jezidi’s sinds de wijziging van het landenbeleid voor Irak niet langer worden aangemerkt als risicoprofiel, zodat eisers op individuele gronden aannemelijk moeten maken dat zij vanwege hun Jezidi-afkomst te vrezen hebben voor vervolging of ernstige schade. Daarin zijn zij niet geslaagd. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij als Jezidi’s vanwege discriminatie zo ernstig zijn en zullen worden beperkt in hun bestaansmogelijkheden dat zij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kunnen functioneren. Verder heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer opnieuw problemen zal krijgen met de vijf medestudenten en dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer opnieuw problemen zal krijgen met de conciërge van de school. Het oordeel van de rechtbank Geloofwaardigheid van de rekrutering door de PKK 4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat de PKK hem heeft geprobeerd te rekruteren. Volgens eiser komt het regelmatig voor dat uitstel wordt verleend voor de dienstplicht vanwege het volgen van een studie. De PKK heeft eiser enkel laten gaan, omdat hij te kennen had gegeven dat hij eerst wilde afstuderen. Verder komt het volgens eiser vaker voor dat er geen officiële oproep wordt gedaan. Eiser stelt dat wat hij op dit punt heeft verklaard overeenkomt met de beschikbare landeninformatie, waaronder het Algemeen ambtsbericht over Irak van november 2023. 4.1. De rechtbank stelt voorop dat eiser niet met documenten – bijvoorbeeld een oproep – heeft onderbouwd dat de PKK hem heeft willen rekruteren. Daarom heeft verweerder eisers verklaringen over de rekrutering door de PKK op geloofwaardigheid beoordeeld. Verweerder heeft deze verklaringen ongeloofwaardig geacht, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Daarin is bepaald dat de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk en niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie moeten zijn. 4.2. Eisers verklaring komt erop neer dat de PKK hem in 2022, toen hij 22 jaar oud was, onder dwang heeft geprobeerd te rekruteren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat deze verklaring van eiser niet past in het beeld over rekruteringen in Irak zoals dat naar voren komt uit het Algemeen ambtsbericht over Irak van november 2023. Uit het ambtsbericht, pagina 36, volgt namelijk dat er geen gevallen bekend zijn van gedwongen rekrutering van volwassenen door het Iraakse leger of milities. In het ambtsbericht wordt wel melding gemaakt van gevallen van gedwongen rekrutering van kinderen door de PKK en van Jezidi-kinderen (vanaf acht jaar) in Sinjar door de aan PKK gelieerde YBS, maar eiser was ten tijde van de gestelde rekruteringspoging geen kind meer maar (ruim) volwassen. Nu de rekruteringspoging waarover eiser heeft verklaard dusdanig afwijkt van wat er uit het ambtsbericht naar voren komt over rekruteringen in Irak, mag verweerder van eiser verwachten dat hij concreet en duidelijk kan uitleggen waarom de PKK specifiek hem wilde rekruteren. Verweerder stelt niet ten onrechte dat eiser daarin niet is geslaagd. Voorts stelt verweerder niet ten onrechte dat eisers verklaringen over wat er feitelijk is gebeurd niet duiden op een daadwerkelijke rekruteringspoging door de PKK. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij slechts één keer door twee mannen van de PKK bij een controlepost is aangesproken en dat eiser kon wegkomen door te zeggen dat hij zich zou aansluiten nadat hij was afgestudeerd. Verweerder stelt niet ten onrechte dat niet valt in te zien dat de PKK eiser zo makkelijk laat wegkomen en/of niet vaker heeft tegengehouden of benaderd, als zij daadwerkelijk uit was op rekrutering van eiser. Dit geldt te meer, nu eiser heeft verklaard dat de PKK weet wie hij is en dat hij regelmatig langs de desbetreffende controlepost van de PKK kwam. Eiser heeft nog wel verklaard dat de PKK na zijn vertrek uit Irak twee keer bij het huis van zijn ouders is langsgekomen, maar, gelet op wat er hiervoor is overwogen en nu eiser dit niet uit eerste hand heeft en hierover slechts zeer summier en weinig concreet heeft verklaard, heeft verweerder dit niet hoeven volgen. 4.3. Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat dus niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Nu niet is voldaan aan deze voorwaarde heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over de rekrutering door de PKK niet geloofwaardig zijn. De onder 4. weergegeven beroepsgrond slaagt niet. Risico vanwege behoren tot de Jezidi bevolkingsgroep 5. Eisers voeren aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar Irak een reëel risico lopen op vervolging en/of ernstige schade. Jezidi’s lopen weliswaar niet per definitie meer risico om in algemene zin het slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade, maar uit de overgelegde landeninformatie volgt dat de situatie voor Jezidi’s nog steeds wel zeer kwetsbaar is. Eisers stellen dat zij, anders dan verweerder stelt, wel degelijk individuele omstandigheden naar hebben gebracht waaruit volgt dat zij bij terugkeer te vrezen hebben voor vervolging en/of ernstige schade. Uit de geloofwaardig geachte verklaringen van eisers blijkt dat zij vanwege hun Jezidi-afkomst werden gediscrimineerd en dat zij slachtoffer zijn geworden van geweld. Als de verklaringen van eisers worden bezien in het licht van de aangehaalde landeninformatie kan verweerder niet volharden in zijn standpunt dat zij bij terugkeer naar Irak geen gevaar lopen, aldus eisers. 5.1. Bij besluit van 13 juni 2024, WBV 2024/12, inhoudende de wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 heeft verweerder het groepenbeleid gewijzigd, in die zin dat de voorheen in het landgebonden beleid gehanteerde ‘risicogroepen’ en ‘kwetsbare minderheidsgroepen’ zijn komen te vervallen en dat is overgestapt naar ‘risicoprofielen’ voor zowel vluchtelingschap als subsidiaire bescherming. Tevens is het landgebonden beleid voor Irak gewijzigd, in die zin dat Jezidi’s niet langer worden aangemerkt als risicoprofiel (voorheen: kwetsbare minderheidsgroep). Aan deze wijziging van het landgebonden beleid ligt in belangrijke mate ten grondslag dat IS inmiddels is verslagen en dat de (veiligheids)situatie in Irak door verweerder op basis van het Algemeen ambtsbericht over Irak van november 2023 bestendig genoeg is bevonden (zie de Kamerbrief van 27 mei 2024, 19637, nr. 3252). Het gewijzigde beleid is op 1 juli 2024 in werking getreden en bevat geen bepaling van overgangsrecht. 5.2. Eisers hebben de rechtmatigheid van de hiervoor genoemde wijziging van het landgebonden beleid voor Irak voor wat betreft Jezidi’s in beroep niet (meer) bestreden. Daarom zal in deze uitspraak worden uitgegaan van dat gewijzigde beleid, waarin Jezidi’s dus niet langer zijn aangemerkt als risicoprofiel. Meer concreet betekent dit dat er in deze uitspraak van wordt uitgegaan dat Jezidi’s niet structureel in de negatieve aandacht staan van de autoriteiten dan wel derden tegen wie geen bescherming kan worden geboden (zie paragraaf C2/2.4 van de Vc) en dat Jezidi’s, omwille van hun geloof, niet per definitie het risico lopen om in algemene zin slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade (zie WBV 2024/12, p. 79). Dit doet er evenwel niet aan af dat de algemene (veiligheid)situatie voor Jezidi’s in de Sinjar-regio nog steeds zeer precair is, vanwege het gebrek aan veiligheid (als gevolg van een machtsvacuüm, de aanwezigheid van diverse gewapende actoren, gevechten, Turkse luchtaanvallen en onontplofte mijnen), de verwoesting van de infrastructuur en woningen in steden en dorpen, de beperkte (toegang tot) basisvoorzieningen (zoals stromend water, elektriciteit, gezondheidszorg en onderwijs) en de beperkte mogelijkheden om in het levensonderhoud te voorzien. Dit blijkt onder andere uit het Algemeen ambtsbericht over Irak van november 2023 (p. 68-69) en de door eisers aangehaalde landeninformatie, waaronder de Protection Considerations van de UNHCR van januari 2024. Verder blijkt uit de door eisers aangehaalde landeninformatie, waaronder het Country Focus rapport van EUAA over Irak van mei 2024, dat Jezidi’s nog steeds worden gediscrimineerd en gemarginaliseerd, onder andere door problemen bij toegang tot de arbeidsmarkt. Dit een en ander is in meer of mindere mate ook wel erkend door verweerder in de Kamerbrief van 27 mei 2024 (p. 2, derde alinea) en eveneens ter zitting. Tegen deze achtergrond zal in deze uitspraak het door eisers gestelde risico op vervolging en/of ernstige schade bij terugkeer naar Irak, omwille van het feit dat zij Jezidi’s zijn, worden beoordeeld. 5.3. Gelet op het (onbestreden) gewijzigde groepenbeleid en landgebonden beleid voor Irak voor wat betreft Jezidi’s geldt voor eisers het individualiseringsvereiste. Dit betekent dat zij individuele omstandigheden naar voren moeten brengen waaruit volgt dat zij bij terugkeer naar Irak te vrezen hebben voor vervolging en/of ernstige schade. Eisers stellen zich op het standpunt dat zij op grond van individuele omstandigheden, die moeten worden gezien in het licht van de algemene situatie voor Jezidi’s, bij terugkeer naar Irak, vanwege hun Jezidi-afkomst, te vrezen hebben voor discriminatie en geweld en daarom een reëel risico lopen op vervolging en/of ernstige schade. 5.4. De rechtbank gaat hierna, in overwegingen 6. tot en met 6.7, eerst in op de asielgrond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw (vluchtelingschap). Daarna, onder 7. tot en met 7.4, gaat de rechtbank in op de asielgrond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw (subsidiaire bescherming). 6. Over de asielgrond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw (vluchtelingschap) overweegt de rechtbank als volgt. 6.1. Verweerder merkt volgens zijn beleid in paragraaf C2/3.2.6. van de Vc discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers aan als daad van vervolging, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. 6.2. Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eisers vanwege het feit dat zij Jezidi’s zijn in Irak zijn gediscrimineerd en heeft aannemelijk geacht dat eisers bij terugkeer naar Irak wederom te maken zullen krijgen met discriminatie. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat de discriminatie die eisers in Irak hebben ondervonden en zullen ondervinden niet een zodanig ernstige beperking van hun bestaansmogelijkheden oplevert dat zij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kunnen functioneren. Anders gezegd: verweerder acht de discriminatie waarmee eisers in Irak te maken hebben gekregen en zullen krijgen niet zwaarwegend genoeg voor asielverlening op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Hiertoe heeft verweerder van doorslaggevende betekenis geacht dat uit de verklaringen van eisers blijkt dat zij in Irak huisvesting, werk, toegang tot onderwijs en recht op medische zorg hebben gehad en dat hun ouders in hun levensonderhoud konden voorzien (zie p. 5 van het voornemen in de zaak van eiser en p. 4 van het voornemen in de zaak van eiseres). 6.3. Naar het oordeel van de rechtbank is voormelde motivering van verweerder echter ‘te kort door de bocht’. Dit legt de rechtbank hierna, onder 6.4. tot en met 6.6, uit. 6.4. In de eerste plaats geldt dat de feitelijke leefsituatie van eisers en hun familie in Irak een stuk genuanceerder ligt dan verweerder in zijn besluitvorming doet voorkomen. Weliswaar heeft de familie van eisers sinds hun terugkeer naar de Sinjar-regio huisvesting, maar dit is niet in hun eigen woning. Hun eigen woning is namelijk, zo hebben eisers verklaard, volledig verwoest door IS. De familie houdt verblijf in het huis (althans wat daarvan over
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.