RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/6002 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. V. Dolderman), en de staatssecretaris van Defensie, verweerder (gemachtigde: mr. H.J.A. Aerts). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing om hem een militair invaliditeitspensioen toe te kennen. 1.
- Met het primaire besluit van 2 september 2022 heeft verweerder besloten eiser met ingang van 1 februari 2023 een militair invaliditeitspensioen toe te kennen berekend naar een invaliditeitspercentage van 19%. Tevens is besloten eiser vanaf 3 september 2021 een bijzondere invaliditeitsverhoging toe te kennen van 2,5%. Met het bestreden besluit van 7 mei 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. 1.
- Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: beide gemachtigden. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
- Eiser, met als laatste rang soldaat der 1e klasse, is aangesteld geweest als militair bij het beroepspersoneel van het Commando Landstrijdkrachten van 2001 tot 1 december
- Hij is van 10 december 2009 tot 23 april 2010 uitgezonden geweest naar Afghanistan en heeft daar door een auto-ongeval nekklachten opgelopen. Ook heeft eiser tijdens deze uitzending potentieel bedreigende situaties meegemaakt. Bij terugkomst in Nederland ontwikkelde hij gaandeweg steeds meer psychische klachten. Hij is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) met verlaat begin, cannabisafhankelijkheid en een borderline persoonlijkheidsstoornis met paranoïde trekken. Eiser heeft zich op 22 mei 2012 vanwege zijn psychische klachten ziekgemeld. Hij is vanwege ziekte met ingang van 1 januari 2017 ontslagen uit de militaire dienst. 2.
- Op 18 augustus 2014 is bij eiser een militair geneeskundig onderzoek verricht. De bevindingen hiervan zijn opgetekend in het rapport van 4 maart
- De Commissie geneeskundig onderzoek militairen was van mening dat voor de nekklachten van eiser en zijn borderline persoonlijkheidsstoornis met paranoïde trekken geen dienstverband aannemelijk was. De gestelde diagnose cannabisafhankelijk is in het onderzoek niet beschouwd omdat het cannabisgebruik van eiser op dat moment geheel in remissie was. Voor eisers PTSS met verlaat begin is een verergerend dienstverband van toepassing geacht, met daarbij een mate van invaliditeit van 17,92%. Er was geen sprake van een medische eindtoestand. Verweerder heeft deze bevindingen met het besluit van 31 januari 2017 overgenomen en eiser met ingang van 1 januari 2017 een militair invaliditeitspensioen toegekend op grond van een afgerond invaliditeitspercentage van 18%. 2.
- Naar aanleiding van het door eiser tegen het besluit van 31 januari 2017 ingestelde bezwaar heeft verzekeringsarts [naam 1] op 8 februari 2018 een nieuw geneeskundig onderzoek bij eiser verricht. De bevindingen hiervan zijn opgetekend in het rapport van 22 juni
- [naam 1] heeft hierin geconcludeerd dat de mate van invaliditeit door de PTSS-aandoening 54,58% was. Daarnaast heeft verzekeringsarts [naam 2] in zijn commentaar van 30 april 2018 gesteld dat met betrekking tot de nekklachten van eiser op 18 augustus 2014 een zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden en dat geen aanleiding bestaat om daarvoor alsnog dienstverband aan te nemen. Met de beslissing op bezwaar van 1 augustus 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiser onder verwijzing naar de adviezen van [naam 1] en [naam 2] gegrond verklaard en aan eiser met ingang van 1 januari 2017 een militair invaliditeitspensioen toegekend op grond van een afgerond invaliditeitspercentage van 55% zonder medische eindtoestand. 2.
- In het kader van de termijngebonden herbeoordeling van de mate van invaliditeit met dienstverband heeft verzekeringsarts [naam 3] op 21 april 2020 een nieuw geneeskundig onderzoek verricht. De bevindingen hiervan zijn opgetekend in het rapport van 24 juni
- Hierin beschrijft [naam 3] dat het haar opviel dat tijdens het eerdere geneeskundige onderzoek van 8 februari 2018 door [naam 4] bij de toepassing van het PTSS-protocol geen onderscheid is gemaakt naar de verschillende psychische problematiek. Het PTSS-protocol is toegepast op het functioneren, maar een argumentatie of weging vindt niet plaats, diagnoses worden niet genoemd en daarmee is een en ander niet deugdelijk gemotiveerd. Er lijkt puur naar het functioneren gekeken te zijn. Volgens [naam 3] is het op grond van de beschikbare informatie aannemelijk dat de psychische problematiek van eiser het gevolg is van zijn borderline persoonlijkheidsstoornis met paranoïde trekken. Er zijn geen aanwijzingen dat deze klachten kunnen worden herleid naar zijn PTSS-aandoening. De door eiser genoemde ervaringen tijdens de militaire dienst waren namelijk niet ernstig levensbedreigend en indringend. Om tot een goede weging van dienstgerelateerde problematiek te kunnen komen, moet volgens [naam 3] echter een psychiatrische expertise overwogen worden. Op het moment van het onderzoek was dat vanwege een gedwongen opname van eiser niet mogelijk. Omdat hierdoor geen adequate beoordeling kon worden gemaakt, heeft [naam 3] geadviseerd de volgende herbeoordeling af te wachten en tot die tijd het militair invaliditeitspensioen op grond van een invaliditeitspercentage van 54,58% zonder een medische eindtoestand te handhaven. Met de beslissing van 8 juli 2020 heeft verweerder deze bevindingen overgenomen en besloten dat het militaire invaliditeitspensioen met als afgerond invaliditeitspercentage 55% ongewijzigd blijft. Met eiser is afgesproken dat zijn bezwaar tegen deze beslissing, die zich slechts richt tegen de vaststelling dat nog geen sprake is van een medische eindtoestand, zal worden meegenomen bij de op dat moment al lopende volgende termijnbeoordeling en de daarmee samenhangende pensioenbeslissing. 2.
- In het kader van deze volgende herbeoordeling van de mate van invaliditeit met dienstverband heeft verzekeringsarts [naam 4] op 8 oktober 2021 een telefonisch onderhoud met eiser gehad. Daarin heeft [naam 4] de noodzaak van een psychiatrische expertise uitgelegd en eiser gevraagd om hieraan zijn medewerking te verlenen. Eiser heeft dit verzoek afgewezen met als reden dat hij geen vertrouwen meer heeft in de psychiaters en de overheid. Met eiser is afgesproken dat voor de uiteindelijke geneeskundige beoordeling een huisbezoek zal plaatsvinden. Dit huisbezoek heeft op 6 december 2021 plaatsgevonden op het kantoor van de bewindvoerder van eiser, waarbij naast eiser, zijn bewindvoerder en [naam 4] ook zijn begeleider en verzekeringsarts [naam 5] aanwezig waren. De bevindingen van het tijdens het huisbezoek verrichte onderzoek zijn opgesteld in het rapport van 26 augustus
- Hierin wordt beschreven dat eiser tijdens het onderzoek onsamenhangend sprak en niet in staat was om zich aan de aangeboden structuur van het gesprek te houden. Daarbij heeft eiser aangegeven niet meer in behandeling te zijn. Hij wil dat niet meer omdat hij de psychiaters niet vertrouwt. Wel gebruikt hij nog medicatie op voorschrift van zijn huisarts. Zijn begeleider heeft tijdens het onderzoek aangegeven dat het steeds slechter met eiser gaat, hij gespecialiseerde ondersteuning nodig heeft en niet zelfstandig kan wonen. Uit de bij de curatieve sector opgevraagde informatie heeft [naam 4] geconcludeerd dat bij eiser als primaire diagnose een andere gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en als overige diagnose PTSS met verlaat begin kan worden gesteld. Omdat een psychotische stoornis in overwegende mate is toe te schrijven aan aanleg of erfelijkheid, kan daarvoor geen dienstverband worden aangenomen. De meeste beperkingen komen volgens [naam 4] voort uit deze psychotische stoornis, terwijl maar een beperkt deel hiervan is toe te schrijven aan zijn PTSS. De mate van invaliditeit wordt door [naam 4] geschat op 18,33%. Voorts is met ingang van de peildatum van 3 september 2021 sprake van een medische eindtoestand, omdat verbetering van het psychische toestandsbeeld van eiser niet meer valt te verwachten. Met het primaire besluit van 2 september 2022 heeft verweerder de bevindingen uit het geneeskundige rapport overgenomen en het aan eiser toegekende militair invaliditeitspensioen, uit coulance pas vanaf 1 februari 2023, naar beneden bijgesteld. Het militaire invaliditeitspensioen wordt vanaf die datum berekend op grond van een invaliditeitspercentage van afgerond 19%. Gelet op de medische eindtoestand is ook besloten aan eiser vanaf 3 september 2021 een bijzondere invaliditeitsverhoging van 2,5% toe te kennen. 2.
- In het tegen het primaire besluit ingestelde bezwaar heeft eiser betoogd dat verweerder ten onrechte de mate van invaliditeit heeft verlaagd. Zijn beperkingen zijn in de periode tussen de twee laatste herbeoordelingen namelijk niet afgenomen. Ook als zijn beperkingen door een psychische aandoening worden veroorzaakt waarvoor geen dienstverband is aangenomen, moeten deze gelet op de overlap hiermee met de PTSS op grond van het PTSS-protocol aan zijn PTSS-aandoening worden toegeschreven. Bovendien ligt het in een complexe situatie als deze voor de hand om een psychiatrische expertise uit te vragen. Ook de verzekeringsartsen [naam 3] en [naam 4] hebben de noodzaak hiervan in een eerder stadium erkend. Hoewel eiser aanvankelijk niet open stond voor een psychiatrische expertise, is hij nu wel bereid hieraan zijn medewerking te verlenen. Verder heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat ook voor zijn cannabisgebruik een dienstverband moet worden aangenomen. 2.
- Verweerder heeft bezwaarverzekeringsarts [naam 5] gevraagd om op het bezwaar van eiser te reageren. In zijn reactie van 3 augustus 2023 stelt [naam 5] dat op grond van het PTSS-protocol bij het berekenen van de mate van invaliditeit niet naar de klachten maar naar de daadwerkelijke beperkingen moet worden gekeken. Hoewel in het verzekeringskundige rapport van 26 augustus 2022 bij het benoemen van de beperkingen geen ruime uitleg wordt gegeven, is het op grond van de onderliggende anamnese en de weging van de verzekeringsarts toch goed mogelijk om een onderscheid te maken tussen de beperkingen die het gevolg zijn van zijn dienstverbandaandoeningen of aandoeningen zonder dienstverband. Bovendien is bij de berekening van het invaliditeitspercentage per rubriek voldoende gemotiveerd voor welke klasse in dat geval wordt gekozen. Het is voor [naam 5] op grond daarvan voldoende duidelijk dat de (toegenomen) beperkingen van eiser grotendeels geen gevolg zijn van zijn PTSS-aandoening. [naam 5] acht het uitvragen van een psychiatrische expertise daarom niet noodzakelijk. Verder is voor het aannemen van een dienstverband ten aanzien van het cannabisgebruik van eiser volgens [naam 5] te weinig onderbouwing. Een goed uitgevraagde verslavingsanamnese ontbreekt namelijk. Slechts eenmaal in 2014 is gemeld dat eiser cannabis als zelfmedicatie gebruikt, maar het is absoluut niet helder voor welke klachten. Allereerst zal moeten worden beoordeeld of het cannabisgebruik kan worden aangemerkt als een ziekte of een gebrek. Aan de criteria die hiervoor in de DSM-5 zijn opgesteld, wordt in de situatie van eiser echter niet voldaan. Ook als wel vast zou komen te staan dat sprake is van een ziekte of gebrek, is een dienstverband niet aannemelijk. Uit de medische wetenschappelijke literatuur is namelijk bekend dat de persoonlijkheidsstoornis en de psychotische stoornis van eiser, waarvoor geen dienstverband is aangenomen, triggers zijn voor het ontwikkelen van verschillende verslavingen. In het geval van eiser is sprake van recreatief cannabisgebruik bij zware psychiatrische aandoeningen bij vrijwel afwezige dagstructuur en -invulling. 2.
- In reactie op het commentaar van [naam 5] heeft eiser allereerst in algemene zin betoogd dat de ingangsdatum van de medische eindtoestand ten onrechte is vastgesteld op 3 september
- Psychiater [naam 6] van [instelling] heeft in een brief van 26 augustus 2020 namelijk al verklaard dat er voor de PTSS-aandoening van eiser geen verdere behandelmogelijkheden meer waren. Eiser heeft dit al aan de orde gesteld in zijn bezwaar tegen het besluit van 8 juli 2020, waarbij verweerder onder verwijzing naar het op 24 juni 2020 uitgebrachte verzekeringsgeneeskundige rapport heeft besloten om het militaire invaliditeitspensioen op basis van een invaliditeitspercentage van 55% te handhaven. Verder heeft [naam 4] nog voorafgaand aan het geneeskundig onderzoek van 6 december 2021 aan eiser laten weten dat al een medische eindtoestand aanwezig was. Het had dan ook op de weg van verweerder gelegen om de ingangsdatum van de medische eindtoestand te bepalen op 8 juli
- Dit heeft weer tot gevolg dat het destijds toegekende militaire invaliditeitspensioen op basis van een invaliditeitspercentage van 55% vaststaat en niet meer naar beneden kan worden bijgesteld. Verder wijst eiser erop dat bezwaarverzekeringsarts [naam 1] blijkens de op 22 juni 2018 uitgebrachte rapportage er bewust voor heeft gekozen om bij de toepassing van het PTSS-protocol alleen naar het functioneren in zijn geheel te kijken en een weging ten aanzien van de verschillende beperkingen achterwege te laten. Bij de volgende termijnbeoordeling heeft verzekeringsarts [naam 3] geadviseerd de op deze wijze vastgestelde mate van invaliditeit van 54,58% te handhaven. In de daaropvolgende periode is de medische situatie van eiser niet gewijzigd. Eiser mocht er dan ook op vertrouwen dat zijn invaliditeit op eenzelfde wijze zou worden beoordeeld. 2.
- Specifiek ten aanzien van het commentaar van [naam 5] stelt eiser allereerst aan de orde dat het optreden van [naam 5] in zijn rol als bezwaarverzekeringsarts rechtens niet juist is. Anders dan [naam 5] zelf heeft beweerd, was hij namelijk ook al betrokken bij de totstandkoming van het primaire besluit. Verder had zijn betrokkenheid als bezwaarverzekeringsarts ook geen toegevoegde waarde omdat bij aanvang van het onderzoek al besproken was dat sprake was van een medische eindtoestand. En dat was nu juist het onderdeel waar hij ten aanzien van de voorgaande pensioenbeslissing van 8 juli 2020 bezwaar tegen had aangetekend. Verder was het eiser niet duidelijk gemaakt dat het geneeskundige onderzoek van 6 december 2021 mede werd verricht in het kader van het lopende bezwaar tegen deze eerdere pensioenbeslissing. Had de gemachtigde van eiser dit geweten, had hij hierbij aanwezig willen zijn. Voorts is het eiser niet duidelijk op grond waarvan [naam 5] tot de conclusie komt dat er voldoende duidelijkheid bestaat over de beperkingen van eiser en door welke aandoeningen deze worden veroorzaakt. Deze conclusie laat zich bovendien moeilijk verhouden tot de mededeling van [naam 4] tijdens het telefonische onderhoud op 8 oktober 2021 dat een psychiatrische expertise noodzakelijk werd geacht voor het afronden van de termijnbeoordeling. Eiser acht een psychiatrische expertise ook noodzakelijk om te kunnen beoordelen of ten aanzien van zijn psychotische stoornis een dienstverband kan worden aangenomen. Uit de wetenschappelijke literatuur volgt namelijk dat het risico op een psychose fors toeneemt bij het beleven van traumatische gebeurtenissen in de volwassenentijd. Verder heeft [naam 5] in zijn commentaar miskend dat [naam 4] het cannabisgebruik van eiser blijkens het rapport van 26 augustus 2022 wel relevant heeft geacht. Ook uit de beschikbare medische informatie kan worden afgeleid dat in het geval van eiser sprake is van fors dagelijks cannabisgebruik, waarbij de diagnose cannabisafhankelijkheid is gesteld. Het lag dan ook op de weg van verweerder om te onderzoeken of hiervoor een dienstverband kan worden aangenomen. In dat kader heeft eiser gewezen op medische wetenschappelijke literatuur waaruit volgt dat het dagelijks gebruik van cannabis het risico op een psychose met 300% verhoogt, en in het geval van sterke cannabis zelfs met 500%. Dat bij het roken van drie joints per dag sprake zou zijn van recreatief cannabisgebruik, zoals [naam 5] heeft betoogd, is daarbij onjuist. Bovendien is het niet aan een (bezwaar)verzekeringsarts om een dergelijk oordeel uit spreken. Dat is slechts voorbehouden aan een psychiater. 2.
- Verweerder heeft bezwaarverzekeringsarts [naam 7] verzocht om in te gaan op de reactie van eiser op het commentaar van [naam 5] . In zijn commentaar van 31 maart 2024 heeft [naam 7] gesteld dat hij de conclusie van [naam 5] onderschrijft dat het uitvragen van een psychiatrische expertise in het geval van eiser niet noodzakelijk is. De tijd heeft namelijk uitgewezen dat de beperkingen van eiser in overwegende mate voortkomen uit zijn persoonlijkheidsstoornis met paranoïde trekken, waarvoor geen dienstverband is aangenomen. Eigenlijk had het invaliditeitspercentage daarom op 0% moeten worden vastgesteld. Over de ingangsdatum van de medische eindtoestand heeft [naam 7] aangegeven dat eiser met zijn betoog in feite terugkijkt in de tijd. Echter, in 2020 was de mate van invaliditeit volgens [naam 7] al 0% omdat de beperkingen ook toen in overwegende mate voortkwamen uit zijn persoonlijkheidsstoornis met paranoïde trekken. Verder heeft [naam 7] gesteld dat eiser voor wat betreft zijn cannabisgebruik voorafgaand aan de herbeoordeling van 6 december 2021 geen claim heeft ingediend. Het al dan niet bestaan van een dienstverband ten aanzien daarvan hoefde om die reden niet te worden onderzocht. Los daarvan heeft [naam 7] aangegeven dat het er naar uit ziet dat het cannabisgebruik toegeschreven kan worden aan de psychische aandoeningen van eiser waarvoor geen dienstverband is aangenomen. 2.
- In zijn reactie op het commentaar van [naam 7] stelt eiser het opvallend te vinden dat [naam 7] , zonder hem ooit te hebben gezien, tot de conclusie kan komen dat zijn beperkingen in overwegende mate voortkomen uit zijn persoonlijkheidsstoornis met paranoïde trekken en daarom geen psychiatrische expertise noodzakelijk is. Dat dit zou zijn gebleken door de tijd heen acht eiser voor de beoordeling niet relevant, omdat moet worden gekeken naar de peildatum van 8 september
- In dat kader wijst eiser erop dat [naam 4] tijdens het telefonische onderhoud op 8 oktober 2021 nog heeft gesteld dat een psychiatrische expertise wél noodzakelijk was. Los daarvan is [naam 7] net als [naam 5] geen psychiater. Hij kan dus niet beoordelen welke psychiatrische aandoening op welk moment actief is. Dat ten aanzien van zijn cannabisgebruik niet hoefde te worden beoordeeld of sprake is van een dienstverband omdat dit geen onderdeel uitmaakte van de claim bij de herbeoordeling, volgt eiser niet. Overeenkomstig het keuringsprotocol moet een verzekeringsarts namelijk onderzoek doen naar alle gezondheidsproblemen die op het moment van de keuring aan de orde zijn. Tot slot leidt eiser uit het commentaar van [naam 7] af dat ook hij zich op het standpunt stelt dat op 8 juli 2020 al sprake was van een medische eindtoetstand. Toen was volgens [naam 7] namelijk al sprake van een mate van invaliditeit van 0%. 2.
- Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser onder verwijzing naar het verzekeringskundige rapport van 26 augustus 2022 en de commentaren van verzekeringsartsen [naam 5] en [naam 7] ongegrond verklaard en het militaire invaliditeitspensioen met een invaliditeitspercentage van 19%, met 8 september 2021 als ingangsdatum van de medische eindtoestand, gehandhaafd. Wat vindt eiser in beroep?
- De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden van eiser in de kern overeenkomen met hetgeen hij al eerder in bezwaar ten aanzien van het verzekeringskundige rapport van 26 augustus 2022 van verzekeringsarts [naam 4] en de nadien gegeven commentaren van bezwaarverzekeringsartsen [naam 5] en [naam 7] naar voren heeft gebracht. Voor de volledigheid zal de rechtbank de beroepsgronden van eiser hieronder kort samengevat weergeven. 3.
- Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat het door [naam 4] berekende invaliditeitspercentage van 18,33% onvoldoende is gemotiveerd. Het is eiser niet duidelijk op grond waarvan [naam 4] , [naam 5] en [naam 7] concluderen dat er voldoende duidelijkheid bestaat over zijn beperkingen en door welke aandoeningen deze worden veroorzaakt. Dit geldt temeer nu verzekeringsartsen [naam 3] en [naam 4] in een eerder stadium nog hebben gesteld dat voor het verkrijgen van duidelijkheid hierover een psychiatrische expertise noodzakelijk was en het toestandsbeeld van eiser nadien niet is veranderd. In tegenstelling tot het verleden is eiser nu wel bereid om medewerking te verlenen aan een psychiatrische expertise om meer duidelijkheid te verkrijgen over zijn beperkingen en door welke aandoeningen deze worden veroorzaakt. 3.
- Bij eiser is sprake van fors dagelijks cannabisgebruik, waarbij de diagnose cannabisafhankelijkheid is gesteld. Daarbij is bekend dat het dagelijks gebruik van cannabis het risico op een psychose met 300% verhoogt, en in het geval van sterke cannabis zelfs met 500%. Ook de psychiater van eiser [naam 6] van [instelling] heeft in een brief van 24 december 2024 aangegeven dat het gebruik van cannabis vaak een luxerende factor betreft voor de psychotische decompensatie. [naam 6] heeft in deze brief ook gesteld dat in het geval van eiser bij toename van stress ook sprake is van een toename van psychotische klachten, die gerelateerd zijn aan zijn ervaringen bij Defensie. Het voorgaande maakt dat ook ten aanzien van zijn psychotische stoornis en zijn cannabisgebruik een dienstverband had moeten worden aanvaard. 3.
- Eiser is het niet eens met de ingangsdatum van de medische eindtoestand. Die moet volgens hem worden vastgesteld op 8 juli
- Hij had immers tegen de pensioenbeslissing van 8 juli 2020 bezwaar aangetekend en daarin al gesteld dat vanuit de curatieve sector werd aangegeven dat het al duidelijk was dat er geen verdere behandelmogelijkheden meer voor hem waren. Het wijzigen van de ingangsdatum van de medische eindtoestand naar 8 juli 2020 heeft weer tot gevolg dat de destijds vastgestelde mate van invaliditeit van 55% vaststaat en niet meer naar beneden kan worden bijgesteld. 3.
- De mate van invaliditeit van 55% was in het verleden vastgesteld door bij de toepassing van het PTSS-protocol alleen naar het functioneren van eiser in zijn geheel te kijken en een weging ten aanzien van de verschillende beperkingen achterwege te laten. Eiser mocht erop vertrouwen dat het PTSS-protocol bij volgende geneeskundige onderzoeken op eenzelfde wijze zou worden toegepast. Door in plaats daarvan de mate van invaliditeit op een andere wijze te berekenen, is in strijd gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. 3.
- Voorts stelt eiser dat bij het optreden van [naam 5] in zijn rol als bezwaarverzekeringsarts in deze procedure om meerdere redenen vraagtekens kunnen worden gezet. Dit maakt dat in strijd is gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. 3.
- Subsidiair verzoekt eiser de rechtbank om het invaliditeitspensioen gelet op zijn schrijnende situatie op grond van de hardheidsclausule alsnog vast te stellen op een invaliditeitspercentage van 54,58%. Wat is het oordeel van de rechtbank?
- De rechtbank is van oordeel dat de conclusies uit het verzekeringskundige rapport van 26 augustus 2022 van [naam 4] en de daaropvolgende commentaren van [naam 5] en [naam 7] niet navolgbaar zijn. Verweerder heeft in strijd gehandeld met de vergewisplicht door het onderzoek desalniettemin aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen. Verder heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door in deze procedure een psychiatrische expertise achterwege te laten. Het beroep is dan ook gegrond. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. 4.
- Op 1 juli 2008 is in werking getreden de ministeriële regeling van 27 juni 2008 (de Regeling). Op grond van artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling wordt bij de vaststelling van de mate van invaliditeit met dienstverband, ter nadere invulling van de War Pensions Committee-schaal (WPC-schaal), voor zover voor deze procedure van belang, het protocol voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid, dienstverband en invaliditeit bij militairen met een posttraumatische stressstoornis (PTSS-protocol) gehanteerd. 4.
- Het PTSS-protocol vermeldt onder 6.2.2 dat onder co-morbiditeit wordt verstaan het tegelijkertijd voorkomen van diverse aandoeningen die soms wel, soms niet een relatie met elkaar hebben. Ook kan de oorzaak verschillen. Een PTSS gaat regelmatig gepaard met co-morbiditeit. Het is medisch vaak moeilijk, zeker bij psychische problematiek, een onderscheid te maken tussen co-morbiditeit welke wél en welke géén causaal verband heeft met de dienst. Partiële toerekening behoort (nog) niet tot de wettelijke mogelijkheden, daarom moet toch een ‘alles of niets’ uitspraak worden gedaan. De co-morbiditeit mag alleen aan de traumatische gebeurtenis worden toegerekend als deze traumatische gebeurtenis wordt geacht in overwegende mate deze co-morbiditeit te hebben veroorzaakt (voor meer dan 50%). 4.
- Verder vermeldt het PTSS-protocol onder 7.3.
- dat als meerdere aandoeningen tegelijkertijd aanwezig zijn en niet voor alle aandoeningen een dienstverband bestaat, er twee problemen opdoemen. Allereerst is het met name bij psychische aandoeningen lastig om vast te stellen welke aandoening wel en welke geen verband houdt met de dienst. Ten tweede kan het problematisch zijn vast te stellen in hoeverre de beperkingen moeten worden toegerekend aan de dienstverbandaandoening(en) of aan de aandoening(en) zonder dienstverband. Beperkingen zijn soms niet per aandoening/fysiologische veroudering/persoonlijkheidsproblematiek/sociale omstandigheden te onderscheiden. Tot een oplossing kan worden gekomen door op basis van weging van eerder genoemde uitgevraagde en onderzochte gegevens tot een toerekening van beperkingen te komen op 4 niveaus: grotendeels wel causaal verband met de dienst aannemelijk/aanwezig; c.q. grotendeels verband tussen de beperkingen en de dienstverbandaandoening aannemelijk; in gelijke mate causaal verband en niet causaal verband aannemelijk/aanwezig; c.q. in gelijke mate wel en geen verband tussen de beperkingen en de dienstverbandaandoening aannemelijk. Als deze uitspraak wordt gedaan dient voor de juristen nog een nadere specificatie plaats te vinden: men dient aan te geven of de beperkingen voor meer of minder dan 50% door de dienstverbandaandoening worden veroorzaakt; Grotendeels geen causaal verband aannemelijk/aanwezig; c.q. grotendeels geen verband tussen de beperkingen en de dienstverbandaandoening aannemelijk; geen causaal verband aannemelijk/aanwezig; c.q. geen verband tussen de beperkingen en de dienstverbandaandoening aannemelijk. Ernst van het trauma/tijdsduur tussen blootstelling en claim/knik in de levensloop/aanwezigheid van (andere) life-events, duidelijke pre-existentie/predispositie/ziektebestendigende factoren/co-morbiditeit/plausibiliteit etc. zijn hierbij vooral richtinggevend. Dit moet de beoordelaar bij de toerekening expliciet benoemen en motiveren. 4.
- Daarbij vermeldt het PTSS-protocol onder 7.1 dat een psychiatrische expertise niet noodzakelijk is indien aan de hand van de beschikbare medische gegevens sprake blijkt te zijn van een consistent, plausibele en inzichtelijke rapportage die duidelijk leidt naar de conclusies omtrent diagnose, aanpak en herstel gedrag. Een verzekeringsarts zal dus lang niet altijd een expertise aanvragen bij een PTSS-claim. Indicaties voor het aanvragen van een psychiatrische expertise kunnen zijn: twijfel over de door de curatieve sector gestelde diagnose posttraumatische stressstoornis, als deze niet lijkt aan te sluiten bij die van de DSM IV-TR classificatie; een vermoeden op co-morbiditeit, welke onvoldoende blijkt te zijn onderzocht; het bestaan van onduidelijkheid over de invloed van ziektebestendigende factoren, zoals dysfunctionele persoonlijkheidstrekken en rigide copingstylen; meer in het algemeen: onzekerheid bij de verzekeringsarts over ziekte en gebrek in relatie tot dienstverband en beperkingen. 4.
- De rechtbank stelt vast dat eiser op de peildatum van 8 september 2021 buiten zijn PTSS met verlaat begin was gediagnosticeerd met meerdere andere psychische stoornissen, namelijk een borderline persoonlijkheidsstoornis met paranoïde trekken, een andere gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en cannabisafhankelijkheid. Dit betekent dat de PTSS met verlaat begin van eiser gepaard gaat met co-morbiditeit zoals beschreven onder rechtsoverweging 4.
- Partijen zijn allereerst verdeeld over de vraag of ten aanzien van de andere gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en de cannabisafhankelijkheid een dienstverband kan worden aangenomen. Daarvoor moet worden bezien of deze psychische stoornissen in overwegende mate door de traumatische gebeurtenis zijn veroorzaakt. Dat ten aanzien van de cannabisafhankelijkheid van eiser niet hoefde te worden beoordeeld of sprake is van een dienstverband omdat dit geen onderdeel uitmaakte van de claim bij de herbeoordeling, zoals verweerder onder verwijzing naar het commentaar van bezwaarverzekeringsarts [naam 7] heeft betoogd, volgt de rechtbank niet. Hiervoor kan geen steun worden gevonden in het PTSS-protocol. 4.
- Ten aanzien van het bestaan van een dienstverband ten aanzien van de andere gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis van eiser heeft verweerder verwezen naar de conclusie die verzekeringsarts [naam 4] op dit onderdeel heeft gegeven in het rapport van 26 augustus
- [naam 4] heeft gesteld dat een psychotische stoornis in overwegende mate is toe te schrijven aan aanleg/erfelijkheid, waardoor voor deze aandoening geen dienstverband kan worden aanvaard. Deze conclusie van [naam 4] vindt de rechtbank echter te algemeen van aard om hier zonder meer vanuit te kunnen gaan. Hieruit wordt immers niet duidelijk waarom de psychotische stoornis in het specifieke geval van eiser ook in overwegende mate het gevolg is van aanleg/erfelijkheid. Het lag dan ook op de weg van verweerder om hierover nadere informatie op te vragen uit de curatieve sector, dan wel een psychiatrische expertise te laten plaatsvinden om hier meer duidelijkheid over te verkrijgen. Dit geldt te meer nu in de door eiser ingebrachte brief van zijn psychiater [naam 6] van 24 december 2024 wordt gesteld dat zijn psychotische klachten kunnen worden gerelateerd aan ervaringen uit zijn tijd bij Defensie. 4.
- Ten aanzien van het bestaan van een dienstverband ten aanzien van de cannabisafhankelijkheid van eiser heeft verweerder verwezen naar de conclusies die bezwaarverzekeringsartsen [naam 5] en [naam 7] in hun commentaren op dit onderdeel hebben gegeven. Ook hiervoor geldt echter dat hieruit onvoldoende duidelijk wordt waarom de cannabisafhankelijkheid in het geval van eiser niet kan worden aangemerkt als dienstverbandaandoening. Daarbij is de conclusie dat geen sprake zou zijn van cannabisafhankelijkheid niet deugdelijk gemotiveerd, mede gelet op de diagnose van cannabisafhankelijkheid die door de curatieve sector is gesteld. Dat uit de medische literatuur volgt dat de persoonlijkheidsstoornis en de psychotische stoornis van eiser triggers zijn voor het ontwikkelen van verschillende verslavingen, schept evenmin duidelijkheid over de concrete situatie van eiser. Dit geldt evenzeer voor de algemene stelling van [naam 7] dat het ernaar uit ziet dat het gebruik van middelen eerder toegeschreven kan worden aan de aandoening zonder dienstverband. De omstandigheid dat in de voorgaande rechtsoverweging reeds is vastgesteld dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de psychotische stoornis al dan niet kan worden aangemerkt als een dienstverbandaandoening, draagt bovendien bij aan de onduidelijkheid over juistheid van deze bewering. Indien [naam 5] van mening was dat de diagnose van cannabisafhankelijkheid totaal niet onderbouwd op hem overkwam, lag het – net als hiervoor bij de psychotische stoornis – voor de hand om hierover nadere informatie uit de curatieve sector op te vragen dan wel een psychiatrische expertise uit te vragen om hier meer duidelijkheid over te verkrijgen. 4.
- Uit hetgeen onder rechtsoverwegingen 4.5 en 4.6 is overwogen kan worden afgeleid dat met de rapportages onvoldoende inzichtelijk is of de psychotische stoornis en de cannabisafhankelijkheid van eiser al dan niet in overwegende mate door de traumatische gebeurtenis zijn veroorzaakt. Dat maakt het voor de rechtbank problematisch om in te gaan op de volgende vraag die partijen verdeeld houdt, namelijk in hoeverre de beperkingen van eiser kunnen worden toegerekend aan zijn dienstverbandaandoening(en) of aan zijn aandoening(en) zonder dienstverband. Met het oog op finale geschilbeslechting wil de rechtbank hierover wel nog opmerken dat evenmin inzichtelijk is op grond waarvan verzekeringsarts [naam 4] in het rapport van 26 augustus 2022 tot de conclusie is gekomen dat het op grond van zijn bevindingen tijdens het geneeskundige onderzoek en de op dat moment beschikbare medische informatie vanuit de curatieve sector goed mogelijk was om een onderscheid te maken tussen de beperkingen die het gevolg zijn van dienstverbandaandoeningen of aandoeningen zonder dienstverband, terwijl hij tijdens het telefonische onderhoud met eiser op 8 oktober 2021 nog stelde dat een psychiatrische expertise hiervoor noodzakelijk was. Van een daarvoor redengevend omslagpunt in het medische toestandsbeeld van eiser of van doorslaggevende aanvullende medische informatie in de tussenliggende periode, is de rechtbank uit de stukken niet gebleken. Dit klemt temeer nu ook verzekeringsarts [naam 3] blijkens het rapport van 24 juni 2020 van mening was dat een psychiatrische expertise moest worden overwogen om tot een goede weging van dienst gerelateerde problematiek te kunnen komen. Ook bezwaarverzekeringsartsen [naam 5] en [naam 7] hebben op dit onderdeel geen helderheid kunnen scheppen. Dat [naam 7] in zijn commentaar heeft gesteld dat de beperkingen van eiser in overwegende mate voortkomen uit zijn persoonlijkheidsstoornis met paranoïde trekken waarvoor geen dienstverband is aangenomen en het invaliditeitspercentage eigenlijk op 0% had moeten worden vastgesteld, terwijl [naam 4] in het verzekeringskundig rapport van 26 augustus 2022 nog tot de conclusie kwam dat de meeste beperkingen zijn toe te schrijven aan de psychotische stoornis en slechts een beperkt deel daarvan aan de PTSS en op grond daarvan kwam tot een invaliditeitspercentage van 18,33%, vormt voor de rechtbank eveneens een sterke aanwijzing dat allerminst duidelijkheid bestaat over de vraag voor welke aandoening dienstverband bestaat en welke beperkingen van eiser aan welke (dienstverband)aandoening(en) kunnen worden toegerekend. Net als eiser vindt de rechtbank dat het op de weg lag van verweerder om een psychiatrische expertise te laten plaatsvinden om deze onduidelijkheid weg te nemen.
- Nu het bestreden besluit op dit onderdeel al gegrond is, ziet de rechtbank geen aanleiding om in te gaan op de overige beroepsgronden van eiser. Deze blijven dan ook onbesproken. Ten overvloede merkt de rechtbank wel op dat gelet op het voorgaande de vraag of bij eiser ten aanzien van zijn dienstverbandaandoening(en) sprake is van een medische eindtoestand, weer open ligt.
- De rechtbank overweegt dat op grond van wat onder rechtsoverwegingen 4.6-4.8 is overwogen voldoende indicaties zoals bedoeld onder 7.1 van het PTSS-protocol zijn om alsnog een psychiatrische expertise te laten verrichten. Nu reeds is vastgesteld dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel door dit in deze procedure achterwege te laten, draagt de rechtbank verweerder op om dit alsnog te doen en de kosten hiervan voor zijn rekening te nemen. Dit natuurlijk onder voorbehoud dat eiser daadwerkelijk bereid is hieraan zijn medewerking te verlenen. In deze psychiatrische expertise moet in ieder geval de vraag aan de orde komen welke stoornis(sen) bij eiser op de datum in geding kunnen worden gediagnostiseerd en of daarvoor al dan niet dienstverband kan worden aangenomen. Indien hierover voldoende duidelijkheid kan worden verkregen, zal vervolgens moeten worden bezien in hoeverre de beperkingen van eiser kunnen worden toegerekend aan zijn dienstverbandaandoening(en) of aan zijn aandoening(en) zonder dienstverband. Naar aanleiding van de uitkomsten van deze psychiatrische expertise zal vervolgens een nieuwe verzekeringsgeneeskundige weging moeten plaatsvinden, waarbij aan de hand van het PTSS-protocol een nieuw invaliditeitspercentage moet worden vastgesteld en ook moet worden bezien of ten aanzien van de dienstverbandaandoening(en) van eiser al dan niet een medische eindtoestand kan worden aangenomen. Verweerder zal uiteindelijk met inachtneming van alle beschikbare informatie een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser moeten nemen. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar van eiser moeten beslissen met inachtneming van wat de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen. 7.
- Omdat het beroep gegrond is moet verweerder de proceskosten van eiser vergoeden. Deze worden overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Tot slot moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser neemt met inachtneming van deze uitspraak; - draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden; - gelast dat verweerder de proceskosten van eiser vergoedt tot een bedrag van € 1.814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen M. Di Forti, M. Quatrone, T.P. Freeman e.a., The contribution of cannabis use to variation in the incidence of psychotic disorder across Europe (EU-GEI); a multicentre case-control study. Lancet Psychiatri. Published Online March 19,
- Op grond van artikel 22 van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Besluit AO/IV). Op grond van artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 3:2 van de Awb. Stcrt. 2009, 1166.