← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:8022

RECHTBANK Den Haag Team handel Zaaknummer: C/09/678915 / HA ZA 25-90 Vonnis in incident van 7 mei 2025 in de zaak van 1 [eiser sub 1] te [woonplaats 1] ( [land 1] ),

  1. [eiser sub 2] te [woonplaats 2] ( [land 2] ),
  2. [eiser sub 3] te [woonplaats 3] , eisende partijen in de hoofdzaak en in het incident, hierna afzonderlijk te noemen: [eiser sub 1] , [eiser sub 2] en [eiser sub 3] , en gezamenlijk : [eisende partijen] c.s. , advocaat: mr. L.A.H. Jie Sam Foek, tegen STAAT DER NEDERLANDEN, MINISTERIE VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE te Den Haag, gedaagde partij in de hoofdzaak en verweerder in het incident, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. C.M. Bitter. 1De procedure 1.
  3. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 30 december 2024 en incidentele vordering ex 843a Rv, met producties 1 tot en met 61;- de conclusie van antwoord in het incident ex art. 843a Rv, met producties 1 tot en met
  4. 1.
  5. Ten slotte is een datum voor vonnis in het incident bepaald. 2De feiten 2.
  6. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het incident uit van de volgende feiten. 2.
  7. [eiser sub 1] , die de Nederlandse nationaliteit bezit, is in 2009 verhuisd naar [land 2] . Hij was getrouwd met (zijn inmiddels ex-echtgenote) [eiser sub 2] , die de Thaise nationaliteit heeft. 2.
  8. In 2011 is het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) een strafrechtelijk onderzoek gestart, waarin [eiser sub 1] is aangemerkt als (mede-)verdachte. 2.
  9. In november 2013 heeft het OM aan het Thaise Openbaar Ministerie een PowerPointpresentatie gegeven over het Nederlandse strafrechtelijk onderzoek naar [eiser sub 1] . Daarbij waren (in ieder geval) officier van justitie L.L. Van Delft en de politieambtenaren [naam 1] , [naam 2] en liason officer in [land 2] [naam 3] (hierna: Van Delft, [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] ) aanwezig. 2.
  10. In juni 2014 heeft het OM in verband met het Nederlandse strafrechtelijk onderzoek aan [land 2] een rechtshulpverzoek gedaan. Vervolgens heeft [naam 3] namens de Staat op 14 juli 2014 een brief aan de Thaise autoriteiten geschreven met onder meer de volgende inhoud (hierna: de brief van 14 juli 2014): “Subject: Request for initiating an investigation in [land 2] (…) (…) I, on behalf of the Netherlands authority, have the honor to inform the Attorney General of [land 2] the following information for your kind consideration regarding initiating criminal proceeding: (…) Based on this investigation in the Netherlands, [eiser sub 1] , is also suspected of committing various offences in [land 2] , more specifically money laundering and participation in a criminal organization. His Thai wife, Miss [eiser sub 2] , may have involvement in the crime commission with [eiser sub 1] as well. [eiser sub 1] is presently residing in [land 2] with his Thai wife, [eiser sub 2] at the address (…). (…) I would therefore, Mr. Attorney General, request your kind cooperation and consideration to initiate a criminal case, conduct any relevant investigation (…) and take all necessary proceeding against the said suspects (…).” 2.
  11. Hierop zijn de Thaise autoriteiten een (eigen) strafrechtelijk onderzoek gestart. In verband hiermee hebben [naam 3] , [naam 1] en [naam 2] op 21 juli 2014 ten overstaan van de Thaise politie verklaringen afgelegd. Het onderzoek heeft geleid tot de arrestatie van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] op 23 juli
  12. 2.
  13. Medio 2015 is de Thaise rechtszaak tegen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gestart. Tijdens deze rechtszaak zijn [naam 3] , [naam 1] en [naam 2] als getuigen gehoord. Zij hebben in juni en juli 2015 verklaringen afgelegd ten overstaan van de Thaise rechter. 2.
  14. Bij vonnis van 10 november 2015 is [eiser sub 1] door het Thaise Criminal Court veroordeeld tot een gevangenisstraf van 103 jaar, ofwel 20 jaar effectief, wegens meerdere gevallen van het medeplegen van witwassen. [eiser sub 2] werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaar. Het Court of Appeal heeft die veroordelingen bevestigd, met dien verstande dat aan [eiser sub 1] een gevangenisstraf van 75 jaar, ofwel 20 jaar effectief, is opgelegd en aan [eiser sub 2] een gevangenisstraf van zeven jaar en vier maanden. Deze beslissing is door het Thaise Supreme Court bekrachtigd. 2.
  15. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben in 2016 een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingediend bij deze rechtbank. De rechtbank heeft dat verzoek toegewezen. In het kader van dit voorlopig getuigenverhoor zijn onder andere Van Delft, [naam 3] , [naam 1] en [naam 2] gehoord. 2.
  16. Op 23 november 2018 hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade die zij hebben geleden en lijden als gevolg van het door hen gestelde onrechtmatige handelen van (onderdelen van) de Staat, dat heeft geleid tot hun strafrechtelijke vervolging en veroordeling in [land 2] . De Staat heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen. 2.
  17. [eiser sub 1] is in januari 2020 op grond van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) naar Nederland overgebracht, waarna hij nog acht maanden in Nederland gedetineerd is geweest. 2.
  18. [eiser sub 2] is tot 16 juli 2020 gedetineerd geweest, waarna zij voorwaardelijk in vrijheid is gesteld. 2.
  19. Bij beschikking van 17 februari 2021 heeft de rechtbank [eiser sub 1] en [eiser sub 2] toegestaan om aanvullende getuigen te horen. [naam 3] is toen opnieuw gehoord. Ook is (waarnemend) hoofdofficier van justitie van het parket Zeeland-West-Brabant in de periode november 2014 tot november 2018 C.V. van der Voort (hierna: Van der Voort) gehoord. 2.
  20. Op 30 maart 2022 hebben [eisende partijen] c.s. de Staat verzocht stukken te verstrekken met betrekking tot tijdens de voorlopige getuigenverhoren gebleken informatie over de brief van 14 juli 2014 en de in juli 2014 en juni en juli 2015 in [land 2] door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] afgelegde verklaringen. De Staat heeft dat geweigerd. 3De beoordeling in het incident samenvatting hoofdzaak 3.
  21. In de hoofdzaak gaat het om de vraag of de Staat onrechtmatig jegens [eisende partijen] c.s. heeft gehandeld en gehouden is de door [eisende partijen] c.s. als gevolg van dat handelen geleden schade te vergoeden. [eisende partijen] c.s. verwijten de Staat – kort samengevat – dat hij (onverplicht) bewust heeft aangestuurd op vervolging van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in [land 2] . Daarmee heeft de Staat bewust het risico genomen dat zij zouden worden aangehouden en langdurig van hun vrijheid zouden worden beroofd en ook dat als gevolg daarvan hun vermogen zou worden ontnomen. Toen deze risico’s zich daadwerkelijk verwezenlijkten heeft de Staat niets ondernomen om de situatie van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te verbeteren. Integendeel, het handelen en nalaten van de Staat is er op gericht geweest dat de verwezenlijkte risico’s zich bestendigden en de situatie is daardoor zelfs verergerd, aldus [eisende partijen] c.s. Het handelen van de Staat heeft er volgens [eisende partijen] c.s. bovendien voor gezorgd dat het privéleven van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] duurzaam is ontwricht, als gevolg waarvan hun gezin uiteen is gevallen. het exhibitie incident 3.
  22. In het incident vorderen [eisende partijen] c.s. dat de Staat wordt veroordeeld om, op straffe van een dwangsom van € 100.000 per dag dat niet aan de veroordeling wordt voldaan, binnen 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis afschriften te verstrekken van, althans inzicht te geven in de volgende stukken: de conceptversies en de e-mailwisseling tussen [naam 3] en Van Delft, alsmede alle documenten of andere gegevensdragers, waaronder brieven en andere correspondentie, notities en/of verslagen, interne beleidsstukken en adviezen, die zien op (de voorbereiding en afhandeling van) de brief van 14 juli 2014, waarop Van Delft integraal zijn akkoord heeft gegeven; de conceptversies en de e-mailwisseling tussen [naam 3] en andere betrokkenen, alsmede alle documenten of andere gegevensdragers, waaronder brieven en andere correspondentie, notities en/of verslagen, interne beleidsstukken en adviezen, die zien op (de voorbereiding en afhandeling van) de brief van 14 juli 2014; alle documenten of andere gegevensdragers, waaronder e-mails, brieven en andere correspondentie, notities en/of verslagen, interne beleidsstukken en adviezen waaruit de door Van Delft verleende toestemming voor het afleggen van verklaringen door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] in juli 2014 volgt; alle documenten of andere gegevensdragers, waaronder e-mails brieven en andere correspondentie, notities en/of verslagen, interne beleidsstukken en adviezen die zien op de voorbereiding van de reis naar [land 2] in juli 2014; alle documenten of andere gegevensdragers, waaronder e-mails, brieven en andere correspondentie, notities en/of verslagen, interne beleidsstukken en adviezen waaruit de door Van der Voort verleende toestemming volgt voor het afleggen van verklaringen door [naam 3] , [naam 1] en [naam 2] ten overstaan van de Thaise rechter in juni en juli 2015; alle documenten of andere gegevensdragers, waaronder e-mails, brieven en andere correspondentie, notities en/of verslagen, interne beleidsstukken en adviezen die zien op de voorbereiding van de reis naar [land 2] in juni en juli
  23. 3.
  24. [eisende partijen] c.s. stellen dat zij recht hebben op en belang hebben bij deze stukken, omdat de inhoud daarvan noodzakelijk is voor het onderbouwen van de gestelde door de Staat gepleegde onrechtmatige daad. Volgens [eisende partijen] c.s. zal uit de stukken blijken dat Van Delft volledig heeft ingestemd met de brief van 14 juli 2014 en ook dat er voorafgaand aan de verhoren van de Nederlandse opsporingsambtenaren ten overstaan van de Thaise politie, dan wel de Thaise rechter in juli 2014 en juni en juli 2015 contacten zijn geweest tussen (in elk geval) Van Delft, Van der Voort, [naam 3] , [naam 1] en [naam 2] . Uit die contacten zal blijken welke afwegingen zijn gemaakt bij het besluit om de opsporingsambtenaren verklaringen te laten afleggen en in hoeverre daarbij rekening is gehouden met de belangen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , aldus [eisende partijen] c.s. [eisende partijen] c.s. wijzen erop dat [naam 3] en Van Voort expliciet toestemming hebben gegeven om de concepten van de brief van 14 juli 2014 en de e-mailwisseling over die brief respectievelijk de verhoren te verstrekken. 3.
  25. De Staat voert verweer tegen de incidentele vordering. Hij stelt zich op het standpunt dat niet is voldaan aan de vereisten die artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) stelt. De vordering moet volgens de Staat dan ook worden afgewezen. 3.
  26. Op de stellingen en verweren van partijen wordt, voor zover noodzakelijk, hierna ingegaan. 3.
  27. De rechtbank stelt bij de beoordeling van de incidentele vordering voorop dat nu de zaak vóór 1 januari 2025 aanhangig is gemaakt, het (bewijs)recht dat voor die datum gold blijft gelden voor de verdere behandeling van de zaak. De rechtbank zal de incidentele vordering dan ook toetsen aan artikel 843a (oud) Rv. De incidentele vordering van [eisende partijen] c.s. is ook op dat artikel gebaseerd en dat artikel is eveneens in het verweer van de Staat als uitgangspunt genomen. 3.
  28. Uit artikel 843a (oud) Rv volgt dat een vordering tot inzage of afschrift van bescheiden toewijsbaar is als aan de volgende cumulatieve voorwaarden wordt voldaan: a. de partij die inzage of afschrift vordert moet een rechtmatig belang hebben; b. het moet gaan om bepaalde bescheiden waarover de andere partij beschikt; en c. de partij die inzage of afschrift vordert moet partij zijn bij een rechtsbetrekking waarop de gevorderde stukken zien (zie artikel 843a, eerste lid, Rv). Ook als aan al deze voorwaarden is voldaan, kan de verstrekking van de gevorderde stukken worden geweigerd indien (d.) daarvoor gewichtige redenen zijn of indien (e.) redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder die gegevensverschaffing is gewaarborgd (zie artikel 843a, vierde lid, Rv). 3.
  29. De stukken waar [eisende partijen] c.s. afschrift van dan wel inzage in vorderen kunnen worden onderverdeeld in twee categorieën. In de eerste plaats betreft het stukken die zien op (de voorbereiding en afhandeling van) de brief van 14 juli 2014 en in de tweede plaats betreft het stukken die zien op de verhoren van [naam 3] , [naam 1] en [naam 2] die in juli 2014 ten overstaan van de Thaise politie en in juni en juli 2015 ten overstaan van de Thaise rechter hebben plaatsgevonden. De rechtbank zal per categorie beoordelen of de vordering van [eisende partijen] c.s. toewijsbaar is. stukken m.b.t. de brief van 14 juli 2014 3.
  30. [eisende partijen] c.s. onderbouwen hun rechtmatig belang bij de gevraagde stukken met betrekking tot de brief van 14 juli 2014 door erop te wijzen dat uit die stukken zal blijken dat officier van justitie Van Delft volledig heeft ingestemd met de genoemde brief. Met de Staat is de rechtbank van oordeel dat dit onvoldoende is om de Staat te veroordelen tot afschrift van of inzage in die stukken. Dat Van Delft, anders dan [naam 3] , tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft verklaard dat niet de volledige brief in concept aan hem is voorgelegd, laat onverlet dat de (volledige) brief met zijn goedvinden is opgesteld en verstuurd. Dat volgt uit zijn getuigenverklaring en uit de verklaringen van [naam 3] . Bovendien kan daarvoor een bevestiging worden gevonden in de stukken met betrekking tot de brief die de Staat bij conclusie van antwoord in het incident vrijwillig in het geding heeft gebracht. De Staat betwist ook niet dat de brief namens de Staat is verstuurd en de Staat neemt ook geen afstand van de brief. Bij deze stand van zaken valt op basis van de door [eisende partijen] c.s. gegeven onderbouwing van dit deel van hun vordering niet in te zien dat [eisende partijen] c.s. meer of andere stukken over de brief van 14 juli 2014, voor zover die er al zijn, nodig hebben om het gestelde onrechtmatig handelen van de Staat te onderbouwen. De vordering tot afschrift van of inzage in de onder i. en ii. van de vordering genoemde stukken wordt dan ook afgewezen vanwege het ontbreken van een rechtmatig belang daarbij. Dat [naam 3] toestemming heeft gegeven om de conceptversies van de brief en de e-mailwisseling daarover aan [eisende partijen] c.s. te verstrekken, maakt dat oordeel niet anders. stukken m.b.t. de verhoren in [land 2] in juli 2014 en juni en juli 2015 3.
  31. Ook de vorderingen tot afschrift van of inzage in de onder iii. tot en met vi. van de vordering genoemde stukken worden afgewezen. [eisende partijen] willen afschrift en inzage in die stukken, omdat – zo begrijpt de rechtbank – volgens hen daaruit zal blijken welke afwegingen er wel en niet zijn gemaakt om toestemming te gegeven voor de verhoren van [naam 1] , [naam 3] en [naam 2] in [land 2] en in hoeverre daarbij rekening is gehouden met de belangen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] . Zij hebben echter niet toegelicht waarom die informatie noodzakelijk is voor de onderbouwing van hun stelling dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld. Dat klemt te meer nu, zoals de Staat terecht heeft opgemerkt, de door [eisende partijen] c.s. genoemde personen ook al tijdens de getuigenverhoren (uitvoerig) zijn bevraagd over de gemaakte afwegingen en het betrekken van de mogelijke gevolgen voor [eiser sub 1] en [eiser sub 2] daarbij en daarover ook hebben verklaard. Mede gelet hierop mag van [eisende partijen] c.s. worden verwacht dat zij zouden uitleggen (i) welke toegevoegde waarde de gevraagde stukken hebben voor het onderbouwen van de gestelde onrechtmatige daad en (ii) dat sprake is van meer dan een vermoeden dat de gevraagde stukken daaraan steun kunnen geve. De rechtbank neemt bij haar oordeel in aanmerking dat de Staat niet heeft betwist dat [naam 1] , [naam 3] en [naam 2] toestemming van de parketleiding hadden voor het afleggen van de verklaringen in juli 2014 en juni en juli
  32. Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat [eisende partijen] c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat zij een rechtmatig belang hebben bij de gevraagde stukken. conclusie en proceskostenveroordeling in het incident 3.
  33. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering in incident wordt afgewezen. 3.
  34. Omdat [eisende partijen] c.s. in het incident in het ongelijk worden gesteld, moeten zij de proceskosten in het incident betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op € 614 aan salaris advocaat (1 punt x tarief II) voortgang hoofdzaak 3.
  35. De rechtbank heeft bij rolbeslissing van 12 maart 2025 de hoofdzaak verwezen naar de rol van 7 mei 2025 voor conclusie van antwoord. Nadat de conclusie van antwoord is genomen, zal de zaak worden verwezen naar de rol voor het opgeven van verhinderdata. Vervolgens zal een datum voor mondelinge behandeling worden bepaald. 4De beslissing De rechtbank: in het incident 4.
  36. wijst de vordering in incident af; 4.
  37. veroordeelt [eisende partijen] c.s. in de kosten van het incident, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 614, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de 14e dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling; 4.
  38. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; in de hoofdzaak 4.
  39. houdt iedere verdere beslissing in de hoofdzaak aan. Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 7 mei
  40. type: 2341 Artikel XIIa Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.