← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:8259

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL23.29268 (beroep) NL23.29269 (voorlopige voorziening) V-nummers: [v-nummer 1] [v-nummer 2] uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiseres 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012, en [eiseres 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016, beiden van Ghanese nationaliteit, eiseressen en verzoeksters (gemachtigde: mr. L.K. Matpanözer), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister (gemachtigde: mr. R.S. Hogendoorn-Matthijssen). Procesverloop Bij besluit van 15 april 2022 heeft de minister de aanvragen van [eiseres 1] en [eiseres 2] voor een verblijfsvergunning buiten behandeling gesteld wegens het niet betalen van de leges. Het daartegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 24 augustus 2023 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. [eiseres 1] en [eiseres 2] hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook hebben zij een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening, strekkende tot het verbieden van hun uitzetting totdat op het beroep is beslist. De meervoudige kamer en de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 23 mei 2024 op zitting behandeld, samen met het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening van de moeder van [eiseres 1] en [eiseres 2] tegen de afwijzing van haar afzonderlijke aanvraag om een verblijfsvergunning. Aan de zitting hebben deelgenomen [eiseres 1] en [eiseres 2] , [naam] (de moeder van eiseressen), T. Oolman als tolk in de taal Twi, de gemachtigde van [eiseres 1] , [eiseres 2] en hun moeder en de gemachtigde van de minister. In de tussenuitspraak van 14 augustus 2024 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na de verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de daarin geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen. De rechtbank heeft [eiseres 1] en [eiseres 2] in de gelegenheid gesteld binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. De minister heeft op 25 september 2024 een aanvullend besluit genomen. [eiseres 1] en [eiseres 2] hebben hier op 22 oktober 2024 op gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Overwegingen

  1. [eiseres 1] en [eiseres 2] hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe, zodat zij in beide procedures zijn vrijgesteld van de verplichting tot betaling van het griffierecht. 1.
  2. De rechtbank verwijst voor een weergave van de feiten en de standpunten van partijen naar de tussenuitspraak. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Zijn [eiseres 1] en [eiseres 2] onvermogend?
  3. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak vastgesteld dat ten tijde van de aanvraag een inkomensverklaring was overgelegd, waaruit blijkt dat de leges niet kon worden betaald. Ook heeft de rechtbank vastgesteld dat het overleggen van zo’n verklaring in de aanvraagfase in overeenstemming is met het beleid. De minister kan daarom in bezwaar niet nogmaals verzoeken om een inkomensverklaring. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat [eiseres 1] en [eiseres 2] niet met bewijsstukken aannemelijk hebben gemaakt dat zij het legesbedrag, zo nodig met behulp van familieleden of derden, niet kunnen betalen. De rechtbank heeft aannemelijk geacht dat Portia niet in staat is om de leges te betalen. Verder heeft de rechtbank het zeer onwaarschijnlijk geacht dat het Rode Kruis of de Voedselbank het vereiste legesbedrag van tweemaal € 1.150,- ter beschikking zullen stellen. De rechtbank acht, gezien het dossier en het verhandelde op de zitting, niet aannemelijk dat er andere personen of organisaties zijn tot wie [eiseres 1] of [eiseres 2] zich kunnen wenden. De conclusie is daarom dat de minister het besluit op dit punt niet kan herstellen met een verbeterde motivering. Artikel 8 van het EVRM
  4. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank verder geoordeeld dat de minister bij de beoordeling of [eiseres 1] en [eiseres 2] een gerechtvaardigd beroep kunnen doen op artikel 8 van het EVRM ten onrechte niet alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging heeft betrokken. De minister heeft namelijk het BIC-rapport over [eiseres 1] en [eiseres 2] onvoldoende kenbaar in de belangenafweging betrokken. Zo heeft de minister in de belangenafweging geen onderscheid gemaakt tussen [eiseres 1] en [eiseres 2] . De minister is namelijk niet kenbaar ingegaan op het verschil in leeftijd tussen [eiseres 1] en [eiseres 2] . Ook is de minister niet ingegaan op de verstandelijke beperking en het verminderde aanpassingsvermogen van [eiseres 1] , en dat zij een beschermde werk- en woonomgeving nodig heeft om te voorkomen dat ze in risicovolle situaties terechtkomt. De minister is in het verweerschrift weliswaar alsnog nader op het BIC-rapport ingegaan, maar heeft daarbij nog steeds niet alle relevante feiten en omstandigheden voldoende kenbaar in de belangenafweging betrokken. Met uitzondering van de toegang van [eiseres 1] tot het speciaal onderwijs in Ghana, is de minister nog steeds niet ingegaan op de andere aspecten die voor [eiseres 1] moeilijkheden opleveren bij een vertrek naar Ghana. De rechtbank heeft verder overwogen dat de minister ook ten onrechte de veiligheidssituatie en andere algemene omstandigheden, zoals het niveau van onderwijs, in Ghana niet of op onjuiste wijze heeft betrokken in de belangenafweging.
  5. De rechtbank is van oordeel dat de minister met het aanvullend besluit van 25 september 2024 de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken niet heeft hersteld. De rechtbank overweegt dat in het geval zij een tussenuitspraak wijst, het bestuursorgaan de gelegenheid wordt geboden om het geconstateerde gebrek te herstellen. De minister heeft in reactie op de tussenuitspraak de rechtbank meegedeeld de daarin geconstateerde gebreken te willen herstellen. De rechtbank mocht er dan ook van uitgaan dat de minister een serieuze poging daartoe zou doen. Het aanvullend besluit geeft daar echter geen blijk van. De minister heeft in het aanvullend besluit opnieuw geen onderscheid gemaakt tussen [eiseres 1] en [eiseres 2] wat betreft hun leeftijd en wat dat doet met de mate van worteling in Nederland en de mogelijkheden om zich aan te passen aan het leven in Ghana. Ook is de minister onvoldoende ingegaan op wat in het BIC-rapport over [eiseres 1] is opgemerkt. De minister heeft wederom onvoldoende aandacht besteed aan de verstandelijke beperking van [eiseres 1] en de extra ondersteuning die zij als gevolg daarvan nodig heeft. Ook is de minister niet ingegaan op de beschermde leef- en werkomgeving die [eiseres 1] volgens het BIC-rapport nodig heeft. De minister heeft wel aangevoerd dat speciaal onderwijs in Ghana aanwezig is. Ook heeft hij opgemerkt dat in het BIC-rapport niet staat dat [eiseres 1] helemaal geen aanpassingsvaardigheden heeft en dat daarom niet kan worden ingezien waarom [eiseres 1] zich niet zal kunnen aanpassen. Dit betoog vormt echter een herhaling van het standpunt van de minister in het verweerschrift en de rechtbank heeft dit standpunt in de tussenuitspraak onvoldoende geacht. De minister heeft dan ook opnieuw onvoldoende gemotiveerd waarom in het geval van [eiseres 1] , ondanks haar verhoogde kwetsbaarheid, kan worden verwacht dat zij zich aan zal passen aan de nieuwe situatie bij een vertrek naar Ghana. Verder herhaalt de minister in het aanvullend besluit dat niet valt in te zien waarom het twijfelachtig is dat de moeder van [eiseres 1] en [eiseres 2] hen onvoldoende steun kan bieden bij een terugkeer naar Ghana, omdat hun moeder op dit moment in Nederland al alles voor [eiseres 1] doet en voor hen beide zorgt. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank echter al overwogen dat de minister met dit standpunt onvoldoende is ingegaan op de bevinding in het BIC-rapport dat onzeker is of de moeder in Ghana dergelijke steun kan bieden. De minister is hier in het aanvullend besluit niet op ingegaan. Uit het aanvullend besluit blijkt evenmin dat de minister de algemene omstandigheden in het land van herkomst, zoals het onderwijsniveau, ditmaal wel voldoende bij de belangenafweging heeft betrokken. De rechtbank acht het standpunt dat [eiseres 1] in Ghana toegang zal hebben en dat verder niet relevant is of het niveau van onderwijs in Ghana anders is dan Nederland hiervoor onvoldoende. Zoals de rechtbank ook in de tussenuitspraak heeft overwogen, kunnen omstandigheden zoals het niveau van onderwijs immers wel degelijk relevant zijn in de belangenafweging, aangezien deze het belang van [eiseres 1] en [eiseres 2] om hun privéleven in Nederland te blijven uitoefenen kunnen vergroten. Conclusie en gevolgen
  6. De rechtbank concludeert dat de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken niet zijn hersteld. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen. De rechtbank gaat er hierbij vanuit dat de minister in het nieuw te nemen besluit wel ingaat op de gebreken die de rechtbank in de tussenuitspraak heeft geconstateerd. Gelet op wat de rechtbank ten aanzien van de leges heeft overwogen, moet de minister er bij het te nemen besluit vanuit gaan dat [eiseres 1] en [eiseres 2] onvoldoende vermogend zijn om aan de legesverplichting te voldoen. Dit betekent dat de minister niet opnieuw mag tegenwerpen dat [eiseres 1] en [eiseres 2] niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet over de middelen beschikken om de leges voor hun aanvraag te betalen. De rechtbank stelt voor het nieuw te nemen besluit een termijn van zes weken.
  7. Omdat de rechtbank beslist op het beroep, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
  8. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eiseressen een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 3,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 907,-) bij een wegingsfactor
  9. Toegekend wordt € 3.174,
  10. Als aan [eiseres 1] en [eiseres 2] een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de gemachtigde. Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd met zaaknummer NL23.29268: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd met zaaknummer NL23.29269: - wijst het verzoek af. De rechtbank en de voorzieningenrechter, in beide zaken: - veroordeelt de minister in de proceskosten van [eiseres 1] en [eiseres 2] tot een bedrag van € 3.174,
  11. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, voorzitter, en mr. H.B. van Gijn en mr. V.F.J. Bernt, leden, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Zaaknummer NL23.
  12. Zaaknummer NL23.
  13. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Best Interests of the Child.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.