RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/2763 uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 mei 2025 in de zaak tussen [verzoeker] en [verzoekster], uit [woonplaats], verzoekers (gemachtigde: mr. J. van Sintemaartensdijk), en het college van bestuur van de Stichting VO Haaglanden, verweerder (gemachtigde: mr. W. Lindeboom). Inleiding 1. Met het bestreden besluit van 13 maart 2025 heeft verweerder de zoon van verzoekers verwijderd van het [school] in Den Haag (de school). Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 1.1. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [naam] (rector van de school). 1.3. Op 12 mei 2025 is het dictum van de beslissing van de voorzieningenrechter telefonisch aan partijen meegedeeld. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Waar gaat deze zaak over? 3. Een docent van de school stelt op 10 maart 2025 gezien te hebben dat de zoon van verzoekers in de eerste pauze op het schoolplein vanuit het opbergvak van zijn scooter iets overhandigde aan andere leerlingen. Dit is ook te zien op camerabeelden. In de scooter van de zoon zijn een aantal doosjes met nicotinezakjes zonder tabak gevonden. De zoon ontkent nicotinezakjes verkocht te hebben aan leerlingen en zegt alleen een pakje sigaretten te hebben verkocht. De doosjes had hij in bewaring voor een leeftijdsgenoot. Een leerling verklaart nicotinezakjes van de zoon gekocht te hebben. Wat heeft verweerder besloten? 4. De school geeft in het bestreden besluit aan dat zij het in bezit hebben van een grote hoeveelheid nicotinezakjes, het (mogelijk) verkopen hiervan, het verkopen van sigaretten aan minderjarigen en het bewaren van nicotinezakjes voor een onbekende op het terrein van de school zeer hoog opneemt. Hiermee wordt de veiligheid van leerlingen en medewerkers van de school in gevaar gebracht. Daarnaast zorgt de zoon ervoor dat minderjarige leerlingen op een makkelijke manier aan verslavende middelen kunnen komen. De school wijst op de leefregels waarin staat dat het in bezit hebben van verboden middelen niet is toegestaan en het geven of verkopen hiervan leidt tot onmiddellijke verwijdering. Het is bij wet verboden nicotinezakjes te verkopen. Daarnaast merkt verweerder op dat de zoon in 2023 al een keer een dag geschorst is vanwege betrokkenheid bij het kopen en consumeren van alcohol tijdens een schoolreis. Wat vinden verzoekers? 5. Totdat het verwijderingsbesluit geëffectueerd wordt, krijgt de zoon één op één begeleiding. Deze begeleiding valt de zoon zwaar omdat de begeleiders overal mee naartoe lopen, zelfs naar het toilet. Als alle andere leerlingen vrij zijn moet de zoon ook op school verschijnen. Al met al voelt het voor de zoon als een extra vorm van bestraffing. Verzoekers achten het van belang dat hierover overleg plaatsvindt. De begeleiding bleek tijdens de toetsweek ook niet toereikend te zijn omdat de zoon belangrijke informatie uit de klas niet mee kreeg. De ontstane situatie is schadelijk voor de schoolcarrière van de zoon, die al eens eerder gedoubleerd heeft. Het is van essentieel belang dat een achterstand wordt voorkomen. Hiermee is het spoedeisend belang gegeven. 5.1. Het klopt niet dat nicotinezakjes zonder meer gelijk te stellen zijn aan drugs. Daarmee is er geen sprake van een overtreding van de van de leefregels van de school dan wel in ieder geval niet een overtreding die direct tot verwijdering leidt. Het hebben en bewaren van nicotinezakjes is niet verboden. Verzoekers betwisten dat er door hun zoon werd gehandeld in nicotinezakjes. 5.2. Verzoekers vragen het verwijderingsbesluit op te schorten totdat op het bezwaarschrift is beslist. Ook vragen zij de maatregel van de één op één begeleiding op te schorten en de zoon in staat te stellen om klassikaal onderwijs te volgen totdat op het bezwaarschrift is beslist. Verweerschrift 6. In het verweerschrift stelt verweerder nog dat geen sprake is van een spoedeisend belang om de gevraagde voorziening te treffen. Verweerder heeft toegezegd dat de één op één begeleiding zal blijven doorlopen tot het moment van de mondelinge behandeling van de klacht van verzoekers bij de geschillencommissie passend onderwijs (gpo) op 16 mei 2025. Indien verzoekers deze begeleiding niet passend vinden is er een plek voor de zoon op een andere school. Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter? 7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er een spoedeisend belang is bij de gevraagde voorlopige voorziening. Sinds het incident op 10 maart 2025 en naar aanleiding van het verwijderingsbesluit heeft de zoon niet meer deelgenomen aan klassikaal onderwijs. Nu bij schorsing van het bestreden besluit klassikaal onderwijs hervat zal worden kan hij met de gevraagde voorziening bereiken wat hij wenst en heeft hij daarbij bovendien een spoedeisend belang, gelet op de nadelige gevolgen die verbonden zijn aan het niet kunnen deelnemen aan het normale programma op school en die verweerder niet betwist. Dat klassikaal onderwijs wel direct mogelijk zou zijn op een andere school maakt niet dat het spoedeisend belang daarmee is komen te vervallen. Verzoekers hebben immers belangen gesteld bij het continueren van onderwijs op de eigen school. Het verwijderingsbesluit is verder diffamerend van aard zodat ook daarin een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening is gelegen. 8. De bevoegdheid van verweerder om over te gaan tot schorsing en verwijdering van een leerling is discretionair. Dat wil zeggen dat verweerder een zekere mate van beoordelingsruimte heeft om te bepalen of een leerling moet worden geschorst en/of verwijderd. De voorzieningenrechter moet die beslissingsruimte respecteren en daarom het bestreden besluit enigszins terughoudend toetsen. 9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat de zoon op het schoolplein heeft gehandeld in nicotinezakjes. De verklaringen daarover van de docent die het handelen op 10 maart 2025 waargenomen heeft, het aantreffen van de nicotinezakjes en de mentorverklaring(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.