Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 24-2680 Zaaknummer: C/09/664611 Datum beschikking: 15 mei 2025 Scheiding Beschikking op het op 8 april 2024 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M.S. Polat te Rijswijk. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: -. Als informant wordt aangemerkt: de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage, zetelend te ’s-Gravenhage, hierna te noemen: de ambtenaar. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; de instemmingsverklaring van 20 april 2024 van de man; het bericht van 14 mei 2024, met bijlagen, van de vrouw; het bericht van 30 mei 2024 van de vrouw; de brief van 28 juni 2024 van de ambtenaar; de brief van 4 juli 2024 van de ambtenaar; de brief van 11 september 2024 van de vrouw; het bericht van 6 januari 2025 van de vrouw; de brief van 4 juli 2024 van de ambtenaar. Op 15 april 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat, de man en namens de ambtenaar: [naam 1] en [naam 2] . Na de zitting heeft de rechtbank op 16 april 2025 nog een e-mailbericht ontvangen van de ambtenaar. Feiten Partijen zijn gehuwd op [datum 1] 1992 op het Turkse Consulaat in Rotterdam. Op dat moment had de man de Turkse nationaliteit en de vrouw de Nederlandse nationaliteit. Partijen zijn nogmaals gehuwd op [datum 2] 1995 in ’s-Gravenhage. De vrouw en de man hebben thans beiden de Nederlandse nationaliteit. Verzoek en verweer Het verzoek strekt ertoe dat: het huwelijk dat tussen partijen is gesloten op [datum 2] 1995 te ’s-Gravenhage nietig wordt verklaard; de echtscheiding wordt uitgesproken van het huwelijk dat tussen partijen op [datum 3] 1992 is gesloten bij het Turkse consulaat in Rotterdam; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man heeft een instemmingsverklaring ondertekend. De ambtenaar heeft zich (als informant) over de voorliggende verzoeken uitgelaten. Beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu beide echtgenoten de Nederlandse nationaliteit hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal op grond van artikel 10:56, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen. Inhoudelijke beoordeling Partijen zijn op het Turkse consulaat naar Turks recht gehuwd en hebben de (Turkse) huwelijksakte vervolgens aangeboden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage die de inschrijving van dat huwelijk heeft geweigerd. Partijen zijn daarom op [datum 2] 1995 “voor een tweede keer” gehuwd ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage. Op grond van artikel 1:33 BW kan een persoon tegelijkertijd slechts met één persoon door het huwelijk verbonden zijn. Hoewel daaraan is voldaan – partijen zijn immers tweemaal met elkaar gehuwd – vormt deze bepaling ook een beletsel voor twee huwelijken tussen dezelfde personen als het eerste huwelijk rechtsgeldig is, of blijkt te zijn, zoals ook blijkt uit de memorie van toelichting bij de invoering van artikel 1:33 BW en uit de jurisprudentie (ECLI:NL:GHAMS:1972:AC0002). Gelet op artikel 1:33 BW dient de rechtbank eerst te beoordelen of het tussen partijen gesloten huwelijk op het Turkse Consulaat, dat gezien moet worden als een huwelijk dat gesloten is in Turkije, als rechtsgeldig in Nederland kan worden erkend. Het uitgangspunt is dat een buiten Nederland gesloten huwelijk dat op grond van het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, als zodanig wordt erkend op grond van artikel 10:31 eerste lid BW. Op grond van het vierde lid van voornoemd artikel wordt een huwelijk vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit. Partijen zijn op [datum 3] 1992 op het consulaat in Rotterdam gehuwd. Op dat moment had de man de Turkse nationaliteit en de vrouw de Nederlandse nationaliteit. Destijds werd artikel 4 van de toen geldende Wet Conflictenrecht Huwelijk in de rechtspraktijk zo uitgelegd dat iemand die (mede) de Nederlandse nationaliteit bezat alleen kon trouwen ten overstaan van de Nederlandse ambtenaar van de burgerlijke stand en dus niet op het consulaat. In 1996 heeft de HR geoordeeld dat die uitleg niet juist is (zie Hoge Raad 13 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2230). Dat betekent dat de omstandigheid dat de vrouw mede de Nederlandse nationaliteit had ten tijde van het huwelijk in 1992 niet in de weg stond en staat aan de erkenning van het huwelijk. Artikel 10:30 is, gelet op het bepaalde in artikel 10:34 lid 2 BW, immers niet van toepassing op huwelijken die zijn gesloten vóór 15 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.