RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.10909 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. D. Matadien), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. M. Smeulders). Procesverloop Bij besluit van 3 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Overwegingen Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen? 1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 2. Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Over de zware grond 3a voert eiser aan dat hij nooit in het bezit is geweest van documenten, maar wel heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting door te proberen deze alsnog te verkrijgen. Eiser heeft echter nooit documenten van de Gambiaanse autoriteiten ontvangen. Ten aanzien van de zware grond 3b voert eiser aan dat hij zich wel degelijk beschikbaar heeft gehouden voor de autoriteiten, aangezien hij zich heeft gemeld bij het aanmeldcentrum in Ter Apel. Met betrekking tot de zware grond 3c voert eiser aan dat er nog een asielprocedure liep en hij bezig was met het verkrijgen van informatie ter onderbouwing van zijn asielaanvraag. Wat betreft de zware grond 3i voert eiser aan dat hij vreest voor zijn leven bij terugkeer naar zijn land van herkomst en dat er geen feitelijke handelingen zijn die aantonen dat eiser zich onttrekt aan het toezicht. Eiser betoogt dat, gelet op het voorgaande, ook de lichte gronden hem niet kunnen worden tegengeworpen. Over de lichte grond 4b voert eiser aan dat hij juist zijn asielaanvraag probeert te onderbouwen met informatie en documenten uit zijn land van herkomst. Ten aanzien van de lichte grond 4c voert eiser tot slot aan dat hij op een locatie verbleef waar hij beschikbaar was voor de autoriteiten. 3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020, volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zware grond 3a zich feitelijk voordoet. Eiser beschikte namelijk niet over de benodigde documenten toen hij Nederland inreisde. Hij heeft verklaard dat hij nooit een paspoort of andere identificerende documenten heeft gehad. Verweerder heeft dus terecht geconcludeerd dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Dat eiser wel heeft geprobeerd om alsnog aan documenten te komen, maakt niet dat de zware grond 3a hem niet kan worden tegengeworpen. Verweerder heeft zich ook terecht en deugdelijk op het standpunt gesteld dat de zware grond 3b zich feitelijk voordoet. Verweerder heeft daartoe gesteld dat eiser in het verleden met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser heeft dit niet betwist. Dat eiser zich heeft gemeld bij het aanmeldcentrum in Ter Apel, maakt niet dat hij zich niet aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken. 4. De zware gronden 3a en 3b zijn, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de overige zware gronden en de lichte gronden hoeft de rechtbank daarom niet meer te bespreken. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom niet is volstaan met een lichter middel? 5. Eiser betoogt daarnaast dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Daartoe voert eiser allereerst aan dat niet duidelijk is of de Gambiaanse autoriteiten een laissez-passer (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.