← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:8738

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: AMS 23/9852 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. W. Hoebba), en de minister van Asiel en Migratie , verweerder (gemachtigde: mr. N. Metalsi). Inleiding 1.

  1. Met het besluit van 3 juli 2023 heeft verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een voornemen tot het opleggen van een inreisverbod. 1.
  2. Met het besluit van 4 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. 1.
  3. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari
  5. Partijen zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen en hebben toestemming gegeven de zaak op de stukken af te doen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank 2.
  6. De rechtbank beoordeelt of verweerder een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar mocht uitvaardigen aan eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 2.
  7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Ontvankelijkheid van het beroep
  8. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het beroep van eiseres ontvankelijk is. Hoewel in het pro forma beroepschrift van 31 augustus 2023 is vermeld dat het beroep gericht is tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod, wat in beginsel zou betekenen dat het beroep tegen het terugkeerbesluit te laat is ingediend, ziet de rechtbank vanwege de samenhang tussen het terugkeerbesluit en het opgelegde inreisverbod van 4 augustus 2023, reden om het beroep ontvankelijk te verklaren. Terugkeerbesluit en inreisverbod
  9. Eiseres stelt dat er ten onrechte een terugkeerbesluit en een inreisverbod is uitgevaardigd. Deze besluiten zijn genomen door de Koninklijke Marchausse Schiphol bij het vertrek van eiseres uit Nederland. Eiseres is van oordeel dat er geen belang is bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit als een vreemdeling al uit eigen beweging vertrekt. In dit geval is het terugkeerbesluit uitgevaardigd terwijl eiseres op het punt stond het Nederlandse grondgebied (en de EU) te verlaten. Er is geen termijn gesteld voor terugkeer naar Suriname, dit was ook niet nodig omdat eiseres al zelf Nederland verliet. Een wettelijke grondslag voor een terugkeerbesluit ontbreekt in dit geval. Aangezien er geen rechtsgeldig terugkeerbesluit is kan er ook geen inreisverbod worden opgelegd.
  10. Op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is verweerder gehouden de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf in Nederland heeft, schriftelijk in kennis te stellen van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen. Nu niet in geschil is dat eiseres ten tijde van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit niet langer rechtmatig verblijf had in Nederland, mocht verweerder een terugkeerbesluit uitvaardigen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
  11. Op grond van paragraaf A4/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) wordt een inreisverbod opgelegd wanneer iemand de vrije termijn als bedoeld in artikel 3.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) met meer dan drie dagen heeft overschreden en die Nederland niet onmiddellijk hoeft te verlaten. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 juni 2014, waarin wordt verwezen naar de toelichting op paragraaf A4/2.1 van de Vc in het Besluit van 27 september 2013, nr. WBV 2013/22, houdende wijziging van de Vc. Hieruit volgt dat het opleggen van een inreisverbod ook in de rede kan liggen, wanneer een vreemdeling onrechtmatig in Nederland verblijft, op het punt staat Nederland te verlaten en geen onmiddellijke vertrekplicht heeft. Eiseres heeft een vertrektermijn gekregen van 28 dagen en niet is betwist dat zij de vrije termijn met meer dan drie dagen heeft overschreden. Verweerder heeft in lijn met voorgenoemd beleid gehandeld door een inreisverbod op te leggen. In dat wat eiseres aanvoert heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen reden hoeven zien om van het opleggen van het inreisverbod af te zien. Conclusie en gevolgen
  12. Het beroep is ongegrond. Zij krijgt geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 januari
  13. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister. Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2459.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.