RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.4940 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. W.M. Blaauw), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: [gemachtigde] ). Procesverloop De minister heeft op 22 november 2024 aan eiser de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2025 op zitting behandeld. Zowel eiser als de minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser stelt van Senegalese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op 6 januari
- 2.
- De rechtbank heeft bij uitspraak van 11 december 2024 (in de zaak NL24.47085) geoordeeld dat de aan eiser opgelegde vrijheidsontnemende maatregel vanaf aanvang onrechtmatig was. Het eerste beroep tegen deze maatregel is daarom gegrond verklaard en de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel is bevolen per 11 december
- De Afdeling heeft echter bij uitspraak van 12 december 2024 bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de vrijheidsontnemende maatregel niet hoefde te worden opgeheven totdat de Afdeling op het hoger beroep had beslist. Eisers daaropvolgende verzoek om de getroffen voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen dan wel de uitspraak van 12 december 2024 te herzien heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bij uitspraak van 13 december 2024 afgewezen. Een daaropvolgend ingesteld beroep van eiser tegen het voortduren van de vrijheidsbenemende maatregel (in de zaak NL24.50952) heeft de rechtbank bij beslissing van 31 december 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Vervolgens heeft de Afdeling het hoger beroep van de minister bij uitspraak van 29 januari 2025 gegrond verklaard en de uitspraak van deze rechtbank van 11 december 2024 vernietigd. De Afdeling heeft daarbij geoordeeld dat er geen redenen zijn om de grensdetentie van eiser onrechtmatig te achten. Eiser verblijft daarom nog steeds in het Justitieel Complex Schiphol (JCS). In de onderhavige procedure oordeelt de rechtbank over het nadien door eiser ingestelde vervolgberoep. 2.
- In haar uitspraak van 31 januari 2025 is de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats tot het oordeel gekomen dat het JCS geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Het JCS lijkt zowel qua gebouw als qua inrichting in alles op een gevangenis en de organisatorische en operationele regeling in het JCS is op veel vlakken van penitentiaire aard, terwijl daar maar een paar voor de vreemdeling positieve, niet-penitentiaire elementen tegenover staan. Verweerder voorkomt in het JCS niet zoveel als mogelijk dat de bewaring gelijkstaat aan detentie in een gevangenisomgeving. 2.
- De rechtbank ziet onder verwijzing naar deze uitspraak aanleiding om in deze zaak tot eenzelfde oordeel te komen. 2.
- De minister heeft verwezen naar de hierboven aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 29 januari
- Ook heeft de minister erop gewezen dat hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van 31 januari 2025, alsook dat de Afdeling een voorlopige voorziening heeft getroffen dat hangende het hoger beroep geen uitvoering hoeft te worden gegeven aan deze uitspraak. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank verwijst daarvoor naar rechtsoverweging 37 van de uitspraak van 31 januari 2025, waarin is geoordeeld dat het feit dat de Afdeling in de uitspaak van 29 januari 2025 wel concludeert dat sprake is van een gespecialiseerde inrichting niet afdoet aan het oordeel van de rechtbank, gelet op de bevindingen uit de schouw. Het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter maakt dit ook niet anders. 2.
- Het beroep is daarmee al gegrond en (het voortduren van) de maatregel is onrechtmatig. 3.
- De rechtbank is daarnaast van oordeel dat (het voortduren) van de vrijheidsontnemende maatregel om nog een andere reden onrechtmatig is. 3.
- Uit de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2024 volgt dat voor het antwoord op de vraag of de vreemdeling voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring is gehouden, zoals is bepaald in artikel 9, eerste lid, eerste volzin van de Opvangrichtlijn, van belang is dat de minister tijdig op het asielverzoek heeft beslist en het asielberoep binnen afzienbare termijn op een zitting is behandeld. In die zaak kwam de Afdeling tot het oordeel dat een periode van zes en een halve week tussen de indiening van de aanvraag en de geplande zitting in lijn was met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. 3.
- In de onderhavige zaak is de asielaanvraag ingediend op 22 november 2024, op welke dag ook de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. De minister heeft bij besluit van 7 december 2024 eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Het asielberoep van eiser is nog niet op zitting gepland. Uit door eiser overgelegde – en niet door de minister weersproken – informatie blijkt dat de behandeling van eisers asielzaak in ieder geval niet vóór 20 maart 2025 zal plaatsvinden, omdat wordt gewacht op een oordeel van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, in de zaak van een andere Senegalese vreemdeling. Om (niet aan partijen te wijten) organisatorische redenen is het de rechtbank dus niet gelukt de zaak van eiser op een eerdere zitting te plannen en is het ook niet aannemelijk dat het asielberoep van eiser naar voren kan worden gehaald, zoals ter zitting geopperd door de minister. Eiser zou op het moment van de geplande zitting van de meervoudige kamer 17 weken in grensdetentie verblijven, waarbij het ook nog de vraag is hoe snel eisers asielberoep daarna zal worden behandeld. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de vrijheidsontneming niet zo kort als mogelijk zal duren zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Dat maakt het voortduren van de bestreden maatregel met ingang van heden niet langer evenredig en daardoor onrechtmatig.
- Het beroep is gegrond. De vraag is vanaf welk moment de bestreden maatregel onrechtmatig moet worden geacht. Eiser heeft immers van meet af aan in JCS verbleven en uit de uitspraak van deze rechtbank van 31 januari 2025 volgt dat eiser gedurende de hele periode van zijn grensdetentie in onrechtmatige detentieomstandigheden heeft verkeerd. Omdat eisers hoger beroep door de Afdeling op 9 januari 2025 op zitting is behandeld en er geen aanwijzingen zijn dat het onderzoek later is gesloten, moet het ervoor worden gehouden dat de periode tot en met 9 januari 2025 door de hoogste rechter is beoordeeld. Daarom is de rechtbank van oordeel dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang kan zijn sinds het moment van het sluiten van het onderzoek in de hoger beroepsprocedure. Dit leidt tot de conclusie dat het voortduren van de bestreden maatregel onrechtmatig is met ingang van de daaropvolgende dag, te weten 10 januari
- De rechtbank beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 21 februari
- Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 43 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 43 x € 100,- (verblijf in het detentiecentrum) = € 4.300,-.
- De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van vandaag; - veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 4.300,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van D.P. van Middelkoop, griffier. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2024:
- ECLI:NL:RVS:2024:
- ECLI:NL:RVS:2025:258 ECLI:NL:RBDHA:2025:
- Uitspraak van 31 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:
- ECLI:NL:RVS:2024:2639.