← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:9613

Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/681708 / KG ZA 25-212 Vonnis in kort geding van 27 maart 2025 in de zaak van [eiser] , verblijvende in de PI [plaats] , eiser advocaten mrs. J. Slager en I.A. Kamans te Rotterdam, tegen: de Staat der Nederlanden te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met daarbij en daarna overgelegde producties 1 tot en met 24; - de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord met daarbij en daarna overgelegde producties 1 tot en met
  2. 1.
  3. Op 24 maart 2025 is de mondelinge behandeling gehouden, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd. 1.
  4. Op 24 maart 2025 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 10 april
  5. 2De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.
  6. [eiser] heeft de Poolse nationaliteit. Hij is in 1996 in het Verenigd Koninkrijk (VK) veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, met de mogelijkheid van vervroegde invrijheidstelling, voor het plegen van een overval en een moord. De einddatum van deze gevangenisstraf is in 2008 bepaald op 13 juli
  7. 2.
  8. Op 12 juni 2013 heeft de Nederlandse officier van justitie een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) tegen [eiser] uitgevaardigd vanwege een verdenking van het plegen van twee gewelddadige roofovervallen op twee bejaarde vrouwen in 1995, waarbij een van die vrouwen als gevolg van het tegen haar gebruikte geweld is overleden. Op 10 november 2014 is [eiser] op grond van het EAB door het VK aan Nederland overgeleverd. [eiser] is vervolgens in Nederland door het Gerechtshof Den Haag in een inmiddels onherroepelijk arrest van 13 december 2016 veroordeeld voor gekwalificeerde doodslag en gekwalificeerde diefstal tot een gevangenisstraf van twaalf jaar. Aan [eiser] is ook schadevergoedingsmaatregel van € 7.407,28 (te vermeerderen met wettelijke rente) opgelegd, bij gebreke van verhaal te vervangen door 72 dagen hechtenis (hierna: de vervangende hechtenis), met dien verstande dat toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding niet opheft. [eiser] zit op dit moment de gevangenisstraf uit. 2.
  9. Ondanks aanmaningen betaalde [eiser] de schadevergoedingsmaatregel niet. Op 8 mei 2018 heeft het CJIB besloten de vervangende hechtenis aansluitend aan de gevangenisstraf van [eiser] ten uitvoer te leggen. 2.
  10. Bij besluit van 13 september 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verblijfsrecht van [eiser] in Nederland beëindigd en hem ongewenst verklaard. [eiser] heeft tegen die beslissing bezwaar ingesteld. Dit bezwaar is ongegrond verklaard. Het vervolgens door [eiser] ingestelde beroep en hoger beroep is ook ongegrond verklaard, op respectievelijk 19 juni 2020 en 4 december
  11. 2.
  12. Bij brief van 17 december 2018 is [eiser] door de afdeling Internationale Overdracht Strafvonnissen van de Dienst Justitiële Inrichtingen (IOS) geïnformeerd over het voornemen om de tenuitvoerlegging van zijn Nederlandse gevangenisstraf op grond van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) over te dragen aan Polen. 2.
  13. Op 30 september 2019 heeft het openbaar ministerie opdracht gegeven om, met het oog op de te verwachten overdracht van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf aan Polen, de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf op te schorten, zodat [eiser] eerst de vervangende hechtenis van 72 dagen zou ondergaan. [eiser] heeft de vervangende hechtenis ondergaan in de periode van 30 september 2019 tot 11 december
  14. Direct aansluitend is de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf hervat. 2.
  15. Op 13 augustus 2020 is aan [eiser] een brief van 3 augustus 2020 uitgereikt, waarmee [eiser] is geïnformeerd over het voorgenomen besluit van de minister van Rechtsbescherming (hierna: de minister) tot overdracht van de Nederlandse gevangenisstraf aan Polen en is [eiser] in de gelegenheid gesteld binnen veertien dagen bezwaar in te stellen tegen dat voorgenomen besluit. [eiser] heeft bezwaar ingesteld. Dit bezwaar is bij beschikking van de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 februari 2021 ongegrond verklaard. 2.
  16. Op 22 april 2021 heeft IOS een certificaat naar de Poolse autoriteiten verstuurd, waarmee is gevraagd de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van [eiser] over te nemen. In het certificaat staat dat – rekening houdend met de vervangende hechtenis die [eiser] heeft uitgezeten – de einddatum van detentie 19 september 2025 is. 2.
  17. Bij brief van 31 mei 2021 heeft [eiser] de minister gevraagd om hem strafonderbreking te verlenen op grond van artikel 40a van de Regeling tijdelijk verlaten inrichting (Rtvi). Dit verzoek is bij beslissing de selectiefunctionaris namens de minister van 9 juni 2021 afgewezen, omdat – zo staat in de beslissing – “een overdracht via de WETS al in het werk wordt gesteld en al in een vergevorderd stadium verkeerd.”. [eiser] is tegen deze beslissing in beroep gegaan bij de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ). De RSJ heeft het beroep van [eiser] op 21 januari 2022 ongegrond verklaard en heeft geoordeeld dat de minister voorrang mag verlenen aan de WETS-procedure en dat de bezwaren tegen de gang van zaken in de WETS-procedure al bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden aan de orde zijn geweest. 2.
  18. Bij uitspraak van de rechtbank in Lublin (Polen) van 15 juni 2021 (die is bekrachtigd op 7 juli 2021) is de overdracht van de gevangenisstraf van [eiser] aan Polen toegestaan. 2.
  19. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 15 juli 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:16281) is geoordeeld over vorderingen van [eiser] die er toe strekten dat: ­ de ten uitvoer gelegde 72 dagen vervangende hechtenis in mindering worden gebracht op de gevangenisstraf, dan wel worden verrekend met die gevangenisstraf, dan wel dat de volgorde van tenuitvoerlegging alsnog wordt teruggedraaid; ­ de Staat wordt verboden dat [eiser] wordt overgedragen aan de Poolse autoriteiten voordat een correct WETS-certificaat, waarin is opgenomen de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf met daarop in mindering gebracht de 72 dagen vervangende hechtenis, is toegezonden aan de Poolse autoriteiten. De vorderingen van [eiser] zijn afgewezen. Dit vonnis van de voorzieningenrechter is door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 23 november 2021 (ECLI:NL:GHDHA:2021:2299) bekrachtigd. 2.
  20. Bij brief van 10 november 2021 heeft [eiser] nogmaals een verzoek ingediend tot strafonderbreking op grond van de de Rtvi. Dat verzoek is op 2 februari 2022 afgewezen. 2.
  21. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 24 mei 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:6867) is beslist op de vordering van [eiser] om de Staat te veroordelen de aan hem opgelegde straf niet over te dragen aan de Poolse autoriteiten totdat de Staat aantoonbaar met de Poolse autoriteiten op basis van door de Staat te verstrekken aanvullende informatie omtrent de Nederlandse regelingen aangaande de voorwaardelijke invrijheidstelling en de strafonderbreking heeft afgestemd of nog voldoende strafrestant aanwezig is en resocialisatie van [eiser] in Polen mogelijk is en door de Staat garanties van de Poolse autoriteiten zijn verkregen dat de facto geen strafverzwaring bij de tenuitvoerlegging van de straf in Polen zal plaatsvinden. De vorderingen van [eiser] zijn afgewezen. 2.
  22. De Staat was voornemens [eiser] op 22 juni 2022 over te brengen naar Polen. Op die dag heeft [eiser] asiel aangevraagd, waardoor de overbrenging niet doorging. De asielaanvraag is op 10 november 2022 niet-ontvankelijk verklaard. In het door [eiser] ingestelde beroep is de door hem ingestelde voorlopige voorziening toegewezen en is bepaald dat [eiser] niet mag worden overgedragen aan Polen totdat op het beroep is beslist. Bij uitspraak van 20 december 2024 (ECLI:NL:RBLIM:2024:9808) is uiteindelijk het door [eiser] ingestelde beroep ongegrond verklaard. 2.
  23. Een verzoek van [eiser] om opheffing van de ongewenstverklaring is bij besluit van 15 augustus 2023 van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen. Bij beschikking van 16 april 2024 is het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard. [eiser] heeft beroep ingesteld. Die procedure is nog niet afgerond. 2.
  24. Bij brief van 6 februari 2025 hebben de Poolse autoriteiten desgevraagd aan IOS bevestigd dat de onder 2.10 bedoelde uitspraak nog uitvoerbaar is. Bij brief van 5 maart 2025 heeft IOS aan de Poolse autoriteiten laten weten dat de einddatum van de gevangenisstraf in Nederland 19 september 2025 en dat de restant gevangenisstraf daarom op 5 maart 2025 nog zes maanden en dertien dagen is. 3Het geschil 3.
  25. [eiser] vordert, zakelijk weergegeven en voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair: de Staat te gebieden het WETS-verzoek in te trekken en [eiser] onmiddellijk in vrijheid te stellen, omdat [eiser] al twee derde van de aan hem opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten recht heeft op vervroegde / voorwaardelijke invrijheidstelling dan wel op strafonderbreking onbepaalde tijd en/of de Staat te gebieden het WETS-verzoek in te trekken, omdat gelet op het beperkte strafrestant van [eiser] overdracht naar Polen om daar te resocialiseren geen redelijk doel dient, en/of de Staat te verbieden dat [eiser] wordt overgedragen aan de Poolse autoriteiten voordat een correct WETS-verzoek is opgemaakt, waarin is opgenomen dat [eiser] het recht toekomt op vervroegde / voorwaardelijke invrijheidstelling, dan wel dat aan hem een strafonderbreking voor onbepaalde tijd moet worden toegekend, na ommekomst van twee derde van de aan [eiser] opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf; subsidiair: de Staat te gebieden de executievolgorde van de 72 dagen vervangende hechtenis te wijzigen aansluitend aan de aan [eiser] opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf en dienovereenkomstig de einddatum op het WETS-verzoek aan te passen en het gecorrigeerde WETS-verzoek ter kennis te brengen van de Poolse autoriteiten; de Staat te verbieden dat [eiser] wordt overgedragen aan de Poolse autoriteiten voordat een correct WETS-certificaat is opgemaakt met een juiste einddatum; meer subsidiair: a. de Staat te gebieden garanties te bedingen bij de Poolse autoriteiten met betrekking tot de gevangenis waar [eiser] in Polen geplaatst zal worden; alles met veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding. 3.
  26. Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Het WETS-certificaat is onjuist ingevuld door de Staat, doordat daarop niet is gemeld dat [eiser] recht heeft op vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling, dan wel strafonderbreking voor onbepaalde tijd na ommekomst van 2/3 van de opgelegde gevangenisstraf. [eiser] licht in de dagvaarding toe waarom hij, ondanks huidige wetgeving omtrent vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling voor ongewenste vreemdelingen daar toch voor in aanmerking komt. De fictieve datum van voorwaardelijke invrijheidstelling of anders voor strafonderbreking is 27 augustus 2021 en [eiser] wordt hierdoor langer gestraft dan Nederlandse veroordeelden of vreemdelingen met rechtmatig verblijf. Dit is volgens [eiser] onrechtmatig en moet leiden tot toewijzing van de primaire vorderingen. Subsidiair voert [eiser] aan dat de vervangende hechtenis van de schadevergoedingsmaatregel in strijd met de Aanwijzing voor tenuitvoerlegging in de periode van 30 september 2019 tot en met 12 december 2019 is geëxecuteerd. Op grond van de Aanwijzing had die executie pas aansluitend aan de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf moeten plaatsvinden. Inmiddels heeft [eiser] de schadevergoeding voldaan door een lening die hij is aangegaan met zijn partner, zodat executie van de vervangende hechtenis niet aan de orde zou zijn, als de juiste executievolgorde was gehanteerd. Uit de overwegingen van het gerechtshof Den Haag in het arrest van 23 november 2021 volgt ook dat het wijzigen van de executievolgorde in beginsel een tekortkoming is van de Staat. [eiser] heeft in 2025 de minister nog verzocht de executievolgorde te wijzigen. Hierop is afwijzend gereageerd, hetgeen een schending van artikel 5, eerste lid, van het EVRM oplevert. Op grond van dit alles moet de subsidiaire vordering worden toegewezen. Tot slot stelt [eiser] , meer subsidiair, dat plaatsing in de gevangenis van Barczewo in Polen strijd met artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest Grondrechten Europese Unie zou opleveren. Daarom moet de Staat meer subsidiair volgens hem veroordeeld worden garanties te bedingen over de gevangenis waar [eiser] in terechtkomt. 3.
  27. De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4De beoordeling van het geschil Vooraf 4.
  28. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, in dit spoedeisende geval de voorzieningenrechter in kort geding, gegeven. 4.
  29. Op het overdragen van de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf aan een andere EU-lidstaat is van toepassing het Kaderbesluit 2008/909/JBZ (hierna: het Kaderbesluit). Uit het Kaderbesluit volgt onder meer dat de in de uitvaardigende lidstaat (hier: Nederland) opgelegde straf in beginsel een-op-een wordt overgenomen in de uitvoerende lidstaat (hier: Polen) en dat aanpassing van een straf alleen mogelijk is indien de opgelegde straf naar aard of duur onverenigbaar is met het recht van de uitvoerende lidstaat. Deze mag dan echter geen verzwaring van de straf meebrengen. Na strafoverdracht is het recht van de uitvoerende lidstaat van toepassing op de tenuitvoerlegging, waarbij de autoriteiten van de uitvoerende lidstaat bij uitsluiting bevoegd zijn om te besluiten over die tenuitvoerlegging, met inbegrip van besluiten tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling. Op grond van artikel 9, lid 1, sub h van het Kaderbesluit kan de uitvoerende lidstaat de erkenning van een toegestuurde veroordeling weigeren wanneer de veroordeelde op het moment van ontvangst van die veroordeling minder dan zes maanden vrijheidsstraf hoeft te ondergaan (onvoldoende strafrestant). In Nederland is het Kaderbesluit geïmplementeerd in de WETS. De primaire vordering 4.
  30. [eiser] legt aan zijn primaire vordering onder a ten grondslag dat hij recht heeft op voorwaardelijke invrijheidstelling of strafonderbreking voor onbepaalde tijd, omdat hij al tweed derde deel van de gevangenisstraf heeft uitgezeten, van onbesproken gedrag is in detentie en de aan hem opgelegde schadevergoeding heeft betaald. 4.
  31. Zoals de Staat terecht stelt, komt aan [eiser] geen recht toe op voorwaardelijke invrijheidstelling, nu hij geen verblijfsrecht heeft in Nederland. Dit is uitdrukkelijk zo bepaald in artikel 6:2:10, tweede lid, sub c Sv. De ongewenstverklaring dateert al van 13 september
  32. [eiser] heeft verzocht om opheffing van de ongewenstverklaring, maar dat verzoek is bij besluit van 15 augustus 2023 afgewezen en het daartegen ingestelde bezwaar is afgewezen. [eiser] heeft hiertegen – zo begrijpt de voorzieningenrechter – nog beroep ingesteld. Dat [eiser] dat beroep niet in Nederland mag afwachten is als zodanig niet als onrechtmatig aan te merken. Dat heeft [eiser] ook niet gesteld. 4.
  33. [eiser] komt ook geen recht op strafonderbreking op grond van artikel 6:2:4 lid 1 Sv en artikel 40a Rtvi toe. Het al dan niet toekennen van die strafonderbreking is een bevoegdheid van de minister. De minister heeft een verzoek om strafonderbreking te verlenen op 9 juni 2021 afgewezen. Die beslissing is getoetst door de RSJ en in stand gebleven. Ook een tweede verzoek om strafonderbreking is door de minister afgewezen. Ook tegen die beslissing had [eiser] beroep in kunnen stellen bij de RSJ, maar dat heeft hij niet gedaan. Onder deze omstandigheden moet de voorzieningenrechter er dus vanuit gaan dat aan [eiser] – anders dan hij stelt – geen recht heeft op strafonderbreking. 4.
  34. Vorenstaande wordt niet anders door het betoog van [eiser] dat er bij zijn berechting in Nederland sprake is geweest van onredelijke vertraging en dat op hem een andere regeling omtrent voorlopige of voorwaardelijke invrijheidstelling van toepassing zou zijn geweest, als hij eerder (zonder onredelijke vertraging) zou zijn berecht. [eiser] is berecht ruimschoots na wijziging van de wettelijke bepalingen over de voorwaardelijke invrijheidstelling, zodat de strafrechter daar al rekening mee heeft gehouden. Eventuele bezwaren van [eiser] over de volgens hem onredelijke trage rechtsgang, had hij in de strafzaak aan de orde kunnen en moeten stellen. Die bezwaren kunnen niet nu nog, in het kader van de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke straf, aan de orde worden gesteld en kunnen er niet toe leiden dat de WETS in zijn geval niet kan worden toegepast. 4.
  35. [eiser] heeft betoogd dat er sprake is van rechtsongelijkheid en verslechtering van de rechtspositie tussen veroordeelden die eenzelfde onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd hebben gekregen met rechtmatig verblijf en veroordeelden zonder rechtmatig verblijf. Volgens hem verhoudt zich dat niet met het non-discriminatieverbod en is er sprake van schending van artikel 7 EVRM. Van schending van een discriminatieverbod is echter geen sprake. [eiser] is immers niet op grond van zijn nationaliteit, herkomst of andere discriminatiegronden tot ongewenst vreemdeling verklaard, maar op grond van zijn gedrag. Van schending van artikel 7 EVRM is evenmin sprake. Het is vaste jurisprudentie dat de wijziging van de v.i.-regeling – waar [eiser] zich tegen verzet – niet raakt aan artikel 7 EVRM, omdat die regeling betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van straffen. 4.
  36. Gelet op het vorenstaande is er geen grond de Staat te veroordelen het WETS-verzoek in te trekken en [eiser] onmiddellijk in vrijheid te stellen (zoals primair onder a gevorderd). Dat [eiser] in detentie van onbesproken gedrag is en zijn verplichting om de schadevergoedingsmaatregel te betalen (uiteindelijk) is nagekomen, is in dit kader niet relevant. Er is evenmin grond voor toewijzing van de primaire vordering onder c die er toe strekt dat een WETS-certificaat moet worden opgemaakt waarin is opgenomen dat aan [eiser] het recht toekomt op vervroegde / voorwaardelijke invrijheidstelling, dan wel dat aan hem een strafonderbreking voor onbepaalde tijd moet worden toegekend na ommekomst van twee derde van de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf. Zoals hiervoor als is overwogen heeft [eiser] geen recht op vervroegde / voorwaardelijke invrijheidstelling of op strafonderbreking voor bepaalde tijd. Voor een wijziging van het WETS-verzoek bestaat dan ook geen grond. 4.
  37. [eiser] heeft primair onder b ook nog gevorderd uitsluitend het WETS-verzoek in te trekken. Aan die vordering legt hij naar de voorzieningenrechter begrijpt ten grondslag dat gelet op het beperkte strafrestant (bijna zes maanden, of bij wijziging van de executievolgorde (zoals subsidiair gevorderd) drie-en-een-halve maand) overdracht naar Polen om daar te resocialiseren geen (enkel) redelijk doel dient. Ook dit betoog baat [eiser] niet. Zoals onder 4.2 al geschetst kan de uitvoerende lidstaat de erkenning van een toegestuurde veroordeling weigeren als de veroordeelde op het moment van ontvangst van de rechterlijke uitspraak met betrekking tot die veroordeling nog minder dan zes maanden vrijheidsstraf hoeft te ondergaan. Zoals de Staat terecht stelt is de peildatum dus het moment van ontvangst van de rechterlijke uitspraak door Polen. Dat was in april 2021 en toen was er nog geen sprake van strafrestant van minder dan zes maanden. De Poolse autoriteiten zijn bovendien recent geïnformeerd over het actuele strafrestant en dat was geen reden om de instemming met de overdracht in te trekken. Gelet op het bepaalde in artikel 9 lid 1 sub h van het Kaderbesluit en de omstandigheid dat de instemming van de Poolse autoriteiten nog steeds geldt, kan niet worden geconcludeerd dat de Staat onrechtmatig handelt door het WETS-verzoek niet in te trekken. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat [eiser] stelt dat hij geen enkele binding meer heeft met Polen. Dit aspect is al beoordeeld door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het arrest van 18 februari 2021 (zie onder 2.7), waarbij is geoordeeld dat voortzetting van de tenuitvoerlegging in Nederland niet kan bijdragen aan de resocialisatie van [eiser] (gelet op de ongewenstverklaring), terwijl de enige reële mogelijkheid daartoe wel in Polen bestaat. Dat is op dit moment, ongeacht de beperkte duur van het strafrestant van [eiser] , niet anders. De subsidiaire vordering 4.
  38. De subsidiaire vordering van [eiser] komt er op neer dat hij wil dat alsnog de ondergane vervangende hechtenis wordt verrekend met de gevangenisstraf. Zoals de Staat terecht stelt is over die kwestie al eerder geoordeeld door zowel de voorzieningenrechter als het gerechtshof Den Haag (zie onder 2.11), waarbij is geoordeeld dat de voorzieningenrechter de bevoegdheid mist om een voorziening te treffen die feitelijk op verrekening neerkomt. Alleen al hierom is de subsidiaire vordering niet toewijsbaar. 4.
  39. [eiser] heeft gewezen op de overwegingen van het gerechtshof in het arrest van 23 november 2021 inhoudende dat het gerechtshof het niet melden van de wijziging van de executievolgorde als tekortkoming beoordeelt, maar dat er geen sprake is van een causaal verband tussen die tekortkoming en het ondergaan van de vervangende hechtenis. Hij heeft gesteld dat er wel degelijk sprake is van dat causaal verband, omdat hij de schadevergoedingsvergoedingsmaatregel uiteindelijk heeft betaald met behulp van een lening van zijn partner, hetgeen in 2019 ook al mogelijk was geweest. De Staat betwist dat [eiser] in 2019 al had kunnen betalen. Wat daar ook van zij, deze stelling baat [eiser] niet, omdat die stelling hetgeen onder 4.10 is overwogen niet anders maakt. De meer subsidiaire vordering 4.
  40. Met de meer subsidiaire vordering wil [eiser] voorkomen dat hij in Polen geplaatst wordt in de gevangenis van Barczewo, vanwege de slechte detentieomstandigheden daar. [eiser] heeft daarbij verwezen naar het rapport van the Commissioner for Human Rights on the Activities of the National Mechanism for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment in Poland in 2022 en heeft in de dagvaarding betoogd dat een schending van artikel 3 EVRM moet worden voorkomen. De Staat heeft in zijn verweer op deze vordering verwezen naar uitspraken van de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam (IRK) van 14 februari 2025 en 13 maart
  41. Deze zaken hadden betrekking op overlevering aan Polen op grond van een EAB. In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 14 februari 2025 zijn vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten naar aanleiding van de bevindingen zoals opgenomen in voormeld rapport. Naar aanleiding van de aanvullende informatie die vervolgens is verkregen, heeft de IRK concluderend als volgt overwogen: “Hoewel de rechtbank de bevindingen in het NMPT-rapport van 2022 als zorgelijk blijft aanmerken, beschikt de rechtbank gelet op de recente, concrete stappen en maatregelen die door de Poolse autoriteiten ten aanzien van de gevangenis in Barczewo zijn genomen, niet over objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens die indiceren dat de in dat rapport beschreven omstandigheden zich op dit moment nog steeds kunnen voordoen.” De overlevering is vervolgens toegestaan. In de uitspraak van 13 maart 2025 is dienovereenkomstig geoordeeld. [eiser] heeft zich naar aanleiding van dit verweer van de Staat gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter met betrekking tot de meer subsidiaire vordering. 4.
  42. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding anders te oordelen over de detentieomstandigheden dan de IRK heeft gedaan en is met de Staat van oordeel dat er geen grond is voor het bedingen van garanties over de detentieomstandigheden van [eiser] na overbrenging. Ook de meer subsidiaire vordering strandt dus. Proceskosten 4.
  43. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op: - griffierecht € 714,00 - salaris advocaat € 1.107,00 - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.999,00 5De beslissing De voorzieningenrechter: - wijst de vorderingen van [eiser] af; - veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.999,00 (te weten griffierecht € 714,00, salaris advocaat € 1.107,00, nakosten € 178,00 (plus na te melden verhoging)), te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Maczik niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Maczik € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; - verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 27 maart
  44. idt In 2008 is het recht op vervroegde invrijheidstelling gewijzigd naar de regeling voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Sinds 2012 hebben vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf in Nederland geen recht meer op voorwaardelijke invrijheidstelling, maar kunnen zij in aanmerking komen op strafonderbreking voor onbepaalde tijd, op grond van de Rtvi. Op grond van artikel 7 lid 1 EVRM mag niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Zie hierover ook de uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 mei 2022, waarin [eiser] deze kwestie ook al ter beoordeling heeft voorgelegd. ECLI:NL:RBAMS:2025:909 en ECLI:NL:RBAMS:2025:1496

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.