Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: FA RK 21-4973 Zaaknummer: C/09/615571 Datum beschikking: 28 mei 2025 Beschikking op het op 23 juli 2021 ingekomen verzoekschrift van: [verzoeker] en [verzoekster] , hierna ook: de man en de vrouw, dan wel gezamenlijk: verzoekers of wensouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres in Nederland, advocaat: voorheen mr. W.J. Eusman te Amsterdam, nu mr. T.F.W. Kouwenhoven te Amsterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage, zetelend te ’s-Gravenhage, de ambtenaar. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift, met bijlagen; - de brief van de ambtenaar van 21 oktober 2021; - de brief van verzoekers van 2 december 2021; - de brief van de ambtenaar van 24 januari 2022, met bijlagen; - de brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 25 januari 2022, met als bijlage het rapport van 21 januari 2022 met kenmerk: KZ 1- 5E9YC5Z; - de brief van verzoekers van 10 januari 2023, met bijlagen; - de brief van de ambtenaar van 17 januari
(36390). De rechtbank verwijst in dit kader ook naar de Memorie van Toelichting behorende bij dit wetsvoorstel. Hierin wordt een regeling getroffen waarin de wensouders vanaf de geboorte als ouders op de geboorteakte staan vermeld. In de toelichting wordt vermeld dat de Nederlandse openbare orde zich niet langer verzet tegen het niet vermeld staan van een geboortemoeder op de geboorteakte. Wel moet de identiteit van de geboortemoeder op termijn voor het betrokken kind te achterhalen zijn. Dit geldt ook voor de overige gegevens betreffende de genetische afstamming, zoals die van de eiceldonatrice. Uit het voorgaande blijkt dat ook in Nederland zelf de opvattingen over wie als ouder op een geboorteakte moet worden vermeld, zijn veranderd en dat wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat het mogelijk maakt dat – net zoals op de vervangende geboorteakte van [minderjarige] – op de geboorteakte geen geboortemoeder staat, maar in haar plaats een wensouder. Dat alleen al is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om te oordelen dat een dergelijke geboorteakte niet strijdig is met de Nederlandse openbare orde. Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de vervangende geboorteakte van [minderjarige] , met de daarin vastgelegde familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming, van rechtswege in Nederland kan worden erkend. Zijn de Amerikaanse rechterlijke beslissing en de Amerikaanse geboorteakte naar hun aard vatbaar voor opname in de registers van de burgerlijke stand? De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de Amerikaanse beslissing overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of gedaan en dat de daarin neergelegde familierechtelijke betrekkingen naar hun aard in zijn algemeenheid vatbaar zijn voor opname in een Nederlands register van de burgerlijke stand. De ambtenaar is zoals hierboven overwogen van mening dat de Amerikaanse geboorteakte naar zijn aard niet vatbaar is voor opname in het register van geboorte van de burgerlijke stand van ’s-Gravenhage. De rechtbank is van oordeel dat de Amerikaanse geboorteakte naar zijn aard wel vatbaar is voor opname in het register van geboorte van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage. De rechtbank verwijst hierbij naar haar uitgebreide overwegingen in eerdere jurisprudentie, waaronder de uitspraak van 29 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:6851). Bij inschrijving van een buitenlandse geboorteakte kunnen alle stappen die zijn gezet in het draagmoederschapstraject door het betreffende kind worden achterhaald. De in dat kader op te maken Nederlandse akte van inschrijving vermeldt ook de buitenlandse beslissing die mede aan de in te schrijven akte ten grondslag ligt alsmede de Nederlandse beschikking waarbij die inschrijving is gelast. Uit het voorgaande volgt dat de verzochte verklaringen onder I. en V. worden toegewezen. Hieruit volgt dat de rechtbank niet meer toekomt aan het (primaire) verzoek onder IV. Verzoeken onder II. en VI.: het gelasten van de ambtenaar tot inschrijving van de Amerikaanse geboorteakte met daarop de vermelding van de Amerikaanse beslissing De rechtbank begrijpt de verzoeken onder II. en VI. in die zin dat verzoekers verzoeken de inschrijving te gelasten van de Amerikaanse vervangende geboorteakte van [minderjarige] en de Amerikaanse beslissing in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage, waarbij deze Amerikaanse beslissing als vermelding op de geboorteakte wordt geplaatst. Toepasselijk recht Nu wordt verzocht de ambtenaar te gelasten de vervangende Amerikaanse geboorteakte en Amerikaanse beslissing in te schrijven in het Nederlandse register van geboorten, zal de rechtbank het Nederlandse recht toepassen. Juridisch kader Op grond van artikel 1:26b BW in samenhang gelezen met artikel 1:25 lid 1 BW kan de rechtbank de inschrijving gelasten van een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte van geboorte in het register van geboorten van de gemeente ’s-Gravenhage, indien de akte een persoon betreft die op het ogenblik van het verzoek Nederlander is. Artikel 1:20b BW bepaalt – voor zover hier van belang – dat op verzoek van een belanghebbende dan wel ambtshalve van akten en uitspraken die buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie zijn opgemaakt of gedaan en een overeenkomstige uitwerking hebben als de akten en rechterlijke uitspraken, bedoeld in artikel 1:20 BW, door de ambtenaar van de burgerlijke stand een latere vermelding wordt toegevoegd aan de desbetreffende in de registers van de burgerlijke stand hier te lande voorkomende geboorteakte, tenzij de Nederlandse openbare orde zich hiertegen verzet. De rechtbank oordeelt als volgt. In het voorgaande is reeds vastgesteld dat de Amerikaanse vervangende geboorteakte van [minderjarige] en de Amerikaanse beslissing in Nederland kunnen worden erkend. Daarmee worden de familierechtelijke betrekkingen tussen verzoekers en [minderjarige] erkend. Dit betekent dat op grond van de Amerikaanse geboorteakte en Amerikaanse beslissing verzoekers de juridische ouders van [minderjarige] zijn. Daarmee stamt [minderjarige] af van Nederlandse ouders, zodat hij de Nederlandse nationaliteit aan hen ontleent. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarde voor inschrijving van de geboorteakte in het Nederlandse register. Zoals hiervoor is vastgesteld, betreft de Amerikaanse beslissing een ‘ontkenning van het moederschap’ van de draagmoeder, een ontkenning van het vaderschap van de partner van de draagmoeder en een vaststelling van het ouderschap van verzoekers, zodat deze beslissing overeenkomt met een Nederlandse rechterlijke uitspraak zoals bedoeld in artikel 1:20 BW. Nu deze Amerikaanse beslissing van rechtswege in Nederland kan worden erkend, dient dan ook een (latere) vermelding op de geboorteakte van [minderjarige] te worden gemaakt. Verzoekers hebben verzocht op de in te schrijven geboorteakte de Amerikaanse beslissing als vermelding op te maken in de rubriek “vermeldingen” van de akte. De rechtbank stelt vast dat het doel van het verzoek is dat een vermelding van de buitenlandse beslissing op de (nog in te schrijven) vervangende geboorteakte van [minderjarige] wordt gemaakt. De rechtbank laat het aan de ambtenaar om de wijze van vermelding te bepalen. De rechtbank zal dan ook in die zin de ambtenaar gelasten een (latere) vermelding te plaatsen op de geboorteakte van [minderjarige] . Door de Amerikaanse beslissing op de geboorteakte te vermelden, kan [minderjarige] de stappen die zijn gezet in het tot stand komen van zijn afstamming herleiden. De rechtbank overweegt ten slotte nog het volgende. Het gelasten van de inschrijving van de geboorteakte en de vermelding van de daaraan ten grondslag liggende Amerikaanse beslissing, is in het belang van [minderjarige] . Immers, uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Mennesson v. France (no. 65192/11, ECHR 185, 2014) en de ‘advisory opinion’ van het EHRM van 10 april 2019 (no. P16-2018-001) blijkt dat het EHRM het in het belang van het kind acht dat hij een juridische afstammingsband heeft met de personen die hem verzorgen en opvoeden, ook indien tussen hen geen genetische band bestaat. Daarbij acht het EHRM het in het belang van het kind dat de periode vanaf de geboorte van het kind totdat de juridische band met de wensouders is gevestigd, zo kort mogelijk is, zodat het kind minder lang in een onzekere positie verkeert, waarbij omstandigheden als (rechtmatig) verblijf bij de wensouders, nationaliteit en erfrecht een rol kunnen spelen. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de verzoeken onder II. en VI. in zoverre dan ook zal toewijzen. Conclusie Uit het voorgaande volgt dat de in het buitenland vastgestelde familierechtelijke betrekkingen tussen [minderjarige] en de wensouders worden erkend. Hieruit volgt dat de rechtbank niet meer toekomt aan de (subsidiaire) verzoeken gedaan onder VII. tot en met X. die zien op dan wel samenhangen met adoptie. Het verzoek onder III.: het gezag en de aantekening in het gezagsregister Verzoekers verzoeken vast te stellen dat uit de Amerikaanse beslissing voortvloeit dat zij het ouderlijk gezag over [minderjarige] delen. De rechtbank begrijpt dit verzoek als een verzoek om voor recht te verklaren dat zij het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uitoefenen. Verzoekers verzoeken daarnaast de griffier te gelasten hiervan aantekening te doen in het gezagsregister. Toepasselijk recht Nu de beslissing niet in een EU-lidstaat is gegeven en evenmin in een staat die partij is bij het HKBV 1996, noch de verordening Brussel II-ter, noch het HKBV 1961, dient de rechtbank eerst vast te stellen welk recht van toepassing is op de vraag of de Amerikaanse gezagsbeslissing voor erkenning in aanmerking komt. In dit geval dient te worden teruggevallen op het nationale internationaal privaatrecht om de erkenningsvraag te beantwoorden. De regel omtrent de erkenning is in het Nederlandse recht ongeschreven. Zij houdt in dat een beslissing in Nederland voor erkenning in aanmerking komt indien voldaan is aan vier cumulatieve vereisten:
- de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is (waarbij aansluiting kan worden gezocht bij de bevoegdheidsgronden uit de verordening Brussel IIter of het HKBV 1996);
- de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van een behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging (zoals bedoeld in artikel 6 EVRM);
- de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde;
- de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is. De rechtbank is van oordeel dat de uitspraak van “the Superior Court of the State of California, County of Riverside”, VS, waarin de ouderlijke rechten van de draagmoeder en haar partner zijn beëindigd en verzoekers gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] zijn belast, aan alle vier de vereisten voldoen. Zoals hiervoor is overwogen, heeft het draagmoederschapstraject in de Verenigde Staten van Amerika plaatsgevonden en is de draagmoeder met haar partner in de Verenigde Staten woonachtig. De bevoegdheid van de Amerikaanse rechtbank om te beslissen over het gezag berust derhalve op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is. Daarnaast heeft de rechtbank hiervoor ook al overwogen dat er geen aanwijzingen zijn dat aan de Amerikaanse beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan. Verder is niet gebleken dat de erkenning van de beslissing van de Amerikaanse rechtbank in strijd is met de Nederlandse openbare orde of dat er sprake is van een tussen partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter dan wel van een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust. Het voorgaande betekent dat de beslissing van de Amerikaanse rechtbank waarin verzoekers met het gezag over [minderjarige] zijn belast in Nederland wordt erkend. Conclusie Daarmee staat vast dat verzoekers gezamenlijk belast zijn met het gezag over [minderjarige] . Op grond van artikel 2 aanhef en onder c van het Besluit gezagsregisters komen strikt genomen alléén buitenlandse beslissingen die van rechtswege (dus op grond van artikel 23 Haags kinderbeschermingsverdrag 1996, artikel 7 van het oudere Haags kinderbeschermingsverdrag van 1961, artikel 21 verordening Brussel II-bis of artikel 30 Brussel II ter), dus zonder dat daartoe enigerlei procedure vereist is, kunnen worden erkend, voor inschrijving in het gezagsregister in aanmerking. Uit de nota van toelichting bij het (gewijzigde) Besluit gezagsregisters volgt dat deze keuze is gemaakt, omdat in de praktijk de behoefte wordt gevoeld om ook buitenlandse beslissingen in het gezagsregister te vermelden. De reden dat alleen beslissingen die van rechtswege worden erkend in het Besluit zijn opgenomen ziet er uitsluitend op dat ten aanzien van die beslissingen geen inhoudelijke toets aangaande de erkenning hoeft te worden uitgevoerd, zodat de griffiers van de verschillende rechtbanken in staat kunnen worden geacht deze aantekening te verwerken. In de praktijk wordt evenwel een gelijke behoefte gevoeld om buitenlandse beslissingen in het gezagsregister te vermelden waarvan de erkenning door de Nederlandse rechter is uitgesproken. Ook nadat de Nederlandse rechter in een uitspraak inhoudelijk heeft getoetst of de betreffende buitenlandse beslissing voor erkenning in aanmerking komt, kunnen de griffiers van de verschillende rechtbanken in staat worden geacht de aantekening van die buitenlandse gezagsbeslissing in combinatie met de Nederlandse erkenningsbeslissing te verwerken. De rechtbank ziet dan ook aanleiding artikel 2 aanhef en onder c van het Besluit gezagsregisters analoog toe te passen en zal de griffier gelasten om deze uitspraak, als die onherroepelijk is geworden, aan het gezagsregister toe te zenden zodat er een aantekening van de Amerikaanse beslissing van 23 september 2015 en van deze beschikking in het gezagsregister kan worden gemaakt. Het verzoek onder III. wordt toegewezen. Hieruit volgt dat de rechtbank niet meer toekomt aan de verzoeken ten aanzien van het gezag onder XI. tot en met XIV. Beslissing De rechtbank: * verklaart voor recht dat de beslissing van “the Superior Court of the State of California, County of Riverside”, Verenigde Staten van Amerika, van 23 september 2015 waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming tussen verzoekers en [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] , Californië, zijn vastgesteld, van rechtswege in Nederland wordt erkend en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand; * verklaart voor recht dat de vervangende Amerikaanse geboorteakte van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] , Californië, VS, waarop verzoekers als ouders worden vermeld, van rechtswege in Nederland wordt erkend en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in het register van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage; * gelast de inschrijving in het register van geboorten van de gemeente ’s-Gravenhage van de door de bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften in Californië, VS, opgemaakte geboorteakte van: - [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] , Californië, VS, registratie nummer [nummer] , afgegeven op 13 oktober 2023; waarvan een fotokopie aan deze beschikking is gehecht; * bepaalt dat de ambtenaar op deze geboorteakte een (latere) vermelding plaatst van voornoemde Amerikaanse beslissing, welke beslissing de vaststelling van het ouderschap van verzoekers over [minderjarige] betreft; * verklaart voor recht dat beide ouders [verzoeker] en [verzoekster] gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] zijn belast; * bepaalt dat de griffier, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister, om daarin aantekening te doen van de buitenlandse beslissing van “the Superior Court of the State of California, County of Riverside”, Verenigde Staten van Amerika, van 23 september 2015 en de beschikking van heden voor zover deze ziet op de vaststelling dat verzoekers op grond van de Amerikaanse beslissing met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] zijn belast; * wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. C.S.F. de Nijs, rechter, bijgestaan door mr. M.T.E. Krijger-van Huut als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2025.