RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.21925 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A. Dogan), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. B. Pattiata). Procesverloop Bij besluit van 22 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft op 1 mei 2025 de maatregel van bewaring opgeheven. De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser is zonder bericht van verhindering niet verschenen. De gemachtigde van eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. Heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom niet is volstaan met een lichter middel?
- Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Daartoe voert eiser allereerst aan dat hij een meewerkende houding heeft gehad. Eiser is zonder succes naar Nederland gekomen om werk te zoeken en is zich ervan bewust dat hij hier geen rechtmatig verblijf heeft, maar heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling aangegeven direct naar huis te willen gaan. Hoewel eiser dit niet kan aantonen, heeft hij een ticket gekocht waarmee hij zelfstandig naar Roemenië kan vertrekken. Ook is gebleken dat eiser zonder problemen naar Roemenië is vertrokken. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke situatie. Gelet op het voorgaande had verweerder eiser een meldplicht kunnen opleggen.
- Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Verweerder wijst in dit verband terecht op de niet betwiste gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Ook wijst verweerder terecht op het feit dat eiser meerdere keren is uitgezet en vervolgens weer naar Nederland is teruggekeerd, terwijl niet is gebleken dat hij zijn verblijf hier daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft aangegeven direct naar Roemenië te willen vertrekken en dat (achteraf) is gebleken dat eiser zonder problemen naar Roemenië is vertrokken, maakt het voorgaande niet anders. Daar komt bij dat eiser niet heeft aangetoond dat hij over een ticket naar Roemenië beschikte. Tot slot heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet onderbouwd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke situatie. Ook is het de rechtbank niet van omstandigheden gebleken die maken dat de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend is voor eiser. De beroepsgrond slaagt niet. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
- Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat niet is voldaan aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.