RECHTBANK DEN HAAG Team Jeugd- en Zorgrecht Zaaknummer: C/09/680423 / JE RK 25-286 Datum uitspraak: 12 maart 2025 Beschikking van de kinderrechter Bekrachtiging schriftelijke aanwijzing in de zaak van: William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling, over: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in Tegelen, [minderjarige] . 1Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 februari 2025, mee in de beoordeling: 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 maart 2025. Daarbij waren aanwezig: - [minderjarige] ; - [naam] , namens de gecertificeerde instelling. 1.3. De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen. 1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige] uitgenodigd voor een kindgesprek op 11 maart 2025. [minderjarige] is niet verschenen tijdens het kindgesprek, maar wel tijdens de zitting op 12 maart 2025. [minderjarige] heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan een kindgesprek voorafgaand aan de zitting. [minderjarige] aanmerken als belanghebbende 1.5. De kinderrechter constateert dat [minderjarige] in de onderhavige procedure niet is aangemerkt als belanghebbende. De kinderrechter is echter van oordeel dat [minderjarige] als belanghebbende in deze procedure moet worden aangemerkt. De schriftelijke aanwijzing is immers enkel gericht aan [minderjarige] . Deze zaak heeft dus rechtstreeks betrekking op de rechten en of verplichtingen van [minderjarige] , zoals bedoel in artikel 798 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 2De feiten 2.1. Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden. 2.2. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.3. [minderjarige] verblijft bij [instelling 1] . 2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 december 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 5 januari 2026. 2.5. De gecertificeerde instelling heeft op 26 november 2024 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan [minderjarige] betreffende zijn verzorging en opvoeding. In deze schriftelijke aanwijzing is het volgende opgenomen: Je dient vier dagen naar school te gaan en het onderwijs te volgen; Je zet je in voor het traject School2Care; Je dient iedere ochtend op tijd op te staan en in de taxi mee te gaan naar school; Je dient iedere schooldag af te maken en met de taxi weer mee terug te gaan naar de groep; Je houdt je aan alle groespregels van [instelling 1] en je houdt je aan alle afspraken die jij individueel maakt met je begeleiding; Zonder overleg ga je niet van het terrein van [instelling 1] ; Je blijft in contact met groepsleiding als je van het terrein af mag of (bent); Je luistert naar instructies van de groepsleiding. 3Het verzoek van de gecertificeerde instelling 3.1. De gecertificeerde instelling heeft bekrachtiging van voornoemde schriftelijke aanwijzing verzocht. 3.2. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Er zijn al langere tijd zorgen over de schoolgang van [minderjarige] , zijn veelvuldige wegloopgedrag en zijn veiligheid. Deze zorgen zijn sinds de overplaatsing van [minderjarige] van [instelling 2] naar [instelling 1] niet weggenomen. [minderjarige] heeft sinds zijn overplaatsing moeten wennen aan de nieuwe groepsstructuur en de begeleiding. Verder voelt [minderjarige] zich mogelijk niet gezien en gehoord door de ouders. In september en oktober 2024 is [minderjarige] twee keer een week vermist geweest. Het is tot op heden onduidelijk met wie en waar [minderjarige] in deze periode heeft verbleven. Wel heeft [minderjarige] aangegeven in deze periodes meerdere strafbare feiten te hebben gepleegd, waaronder zwartrijden, wegrennen van de politie en eten stelen in winkels. Ook zou [minderjarige] in deze periode geld hebben gevraagd aan vreemden en hebben geblowd en gevaped. Bij terugkomst was [minderjarige] sterk vermagerd. Om de veiligheid en gezondheid van [minderjarige] te kunnen waarborgen heeft de gecertificeerde instelling besloten afspraken met [minderjarige] te maken en deze neer te leggen in een schriftelijke aanwijzing. Ook dit heeft echter niet geleid tot het verminderen van de zorgen. Ondanks de veelvuldige waarschuwingen, bleef [minderjarige] zich niet aan de gemaakte afspraken houden en kwam nog regelmatig in aanraking met de politie. [minderjarige] ziet onvoldoende de consequenties van zijn gedrag in en wordt beïnvloed door het netwerk waarin hij zich begeeft. Wanneer met [minderjarige] gesprekken worden gevoerd, laat hij sociaal wenselijk gedrag zien en geeft hij aan dat hij zijn best gaat doen. In de praktijk lukt het [minderjarige] vervolgens niet om zich aan de afspraken te houden. Tijdens de zitting heeft de gecertificeerde instelling aangevuld dat [minderjarige] zich sinds 18 februari 2025 beter aan de afspraken houdt. Over het algemeen staat [minderjarige] op tijd op en gaat hij naar Westcoaching, dat tijdelijk als vervanging voor School2Care is ingezet. De gecertificeerde instelling ziet op grond van het verleden echter een terugkerend patroon bij [minderjarige] waarin hij zich een bepaalde periode meewerkend opstelt en vervolgens weer een periode heeft waarin hij terugvalt in oud gedrag. De gecertificeerde instelling hoopt dat [minderjarige] de sinds kort ingezette positieve lijn blijft voortzetten. 4Het standpunt van [minderjarige] 4.1. heeft ter zitting aangegeven te begrijpen dat hij zich aan de afspraken moet houden die zijn opgesomd in de schriftelijke aanwijzing van 26 november 2024. [minderjarige] erkent desgevraagd dat het een periode minder goed ging met hem. In de periodes dat [minderjarige] niet op de groep was, verbleef hij bij een vriend in [plaats] , waar hij veel sportte en voldoende at. Nu gaat het beter met [minderjarige] en het lukt hem om zich aan de afspraken van de groepsleiding te houden en naar school te gaan. 5De beoordeling Wettelijk kader 5.1. Op grond van het bepaalde in artikel 1:263, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) kan de gecertificeerde instelling ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De gecertificeerde instelling kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.