← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:9823

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.21244 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. D. de Heuvel), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 8 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting. Overwegingen

  1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1995 en de Tunesische nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 5 februari 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
  2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 30 maart 2022 in Nederland en op 1 december 2022 in Duitsland om internationale bescherming heeft verzocht. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid aanhef en onder b, van de Dublinverordening de Duitse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. Op 9 april 2025 heeft Duitsland, na een second opinion verzoek, het verzoek geaccepteerd. Hiermee staat de verantwoordelijkheid van Duitsland vast.
  3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en niet genoegzaam gemotiveerd. Eiser zou de kans moeten krijgen om in Nederland de asielprocedure te doorlopen, hij geeft de voorkeur aan Nederland boven Duitsland. Eiser heeft meerdere bezwaren en bijzondere individuele omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan overdracht aan de Duitse autoriteiten achterwege zou moeten blijven. Verweerder is veel te makkelijk voorbij gegaan aan eisers verklaringen over zijn moeilijke situatie in Duitsland, meer specifiek de situatie met zijn ex-partner en de abortus die heeft plaatsgevonden. De overdracht aan Duitsland getuigt van onevenredige hardheid. Verweerder had in eisers persoonlijke omstandigheden aanleiding moeten zien om artikel 17 van de Dublinverordening toe te passen. De rechtbank oordeelt als volgt.
  4. Niet in geschil is dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat maakt dat ervan mag worden uitgegaan dat Duitsland eisers asielaanvraag zal behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet vanuit kan worden gegaan. Daarin is eiser niet geslaagd.
  5. Dat eiser de voorkeur geeft aan een inhoudelijke behandeling van zijn asielverzoek in Nederland, maakt verder niet dat Duitsland ten onrechte is aangemerkt als verantwoordelijke lidstaat. De aard van de Dublinverordening is immers onverenigbaar met de opvatting dat de bedoeling van een vreemdeling bepalend is voor de vaststelling van het antwoord op de vraag welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
  6. De rechtbank is tot slot van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door eiser geschetste omstandigheden geen aanleiding vormen om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht aan zich te trekken. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat overdracht naar Duitsland niet onevenredig hard is. Eiser heeft met zijn verklaringen over zijn ex-partner niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.
  7. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond.
  8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 4 juni 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van A.A.M. Mangroe, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Algemene wet bestuursrecht. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verordening (EU) nr. 604/
  9. Op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.