RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL24.41157 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [nummer], [eiseres 2], V-nummer: [nummer], [eiseres 2], V-nummer: [nummer], eisers (gemachtigde: mr. N. Imminga), en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Eisers hebben op 3 april 2023 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) nareis. Eisers hebben op 21 oktober 2024 voor de tweede keer beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag. De minister is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Overwegingen
- De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaken niet nodig is.
- Eisers hebben op 14 november 2023 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag van 3 april
- Deze rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 30 november 2023 gegrond verklaard en de minister opgedragen om binnen acht weken na verzending van die uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken. Als binnen die termijn wordt besloten dat nader onderzoek moet plaatsvinden en dit aan eisers wordt meegedeeld, dan moet het besluit binnen twintig weken na de dag van verzending van deze uitspraak bekend worden gemaakt. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-.
- Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Een ingebrekestelling is echter niet nodig als de bestuursrechter een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, ondanks het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet houdt. Het bestuursorgaan is na het verstrijken van die termijn direct in verzuim om een besluit te nemen.
- Eisers hebben verzocht de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover de (bestuurlijke) dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. In het geval dat aan een eerdere, door de rechtbank bepaalde, beslistermijn geen gevolg wordt gegeven is de betreffende partij van rechtswege in verzuim. De wetgever heeft er niet in voorzien dat in dat geval opnieuw een bestuurlijke dwangsom wordt verbeurd.
- De rechtbank stelt vast dat de door de rechtbank gestelde termijn is verstreken en dat de minister nog altijd niet heeft beslist op de aanvraag van eisers. Het beroep is daarom kennelijk gegrond. De rechtbank stelt tevens vast dat ook de maximaal door de minister te verbeuren dwangsom van € 7.500,- is volgelopen.
- Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt dat indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, de bestuursrechter bepaalt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. In bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.
- Gezien het tijdsverloop ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal daarom bepalen dat de minister uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag van eiser moet hebben bekendgemaakt.
- Er kan er niet aan voorbij worden gegaan dat de rechtbank al eerder een termijn heeft gesteld met inachtneming van hetgeen de minister destijds naar voren heeft gebracht en dat de minister deze termijn niet heeft gehaald. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister aan eisers een dwangsom van € 200,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. 8.
- De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 15 juli 2020 geoordeeld dat aanvragen inhoudelijk zodanig met elkaar kunnen samenhangen, dat een redelijke toepassing van de artikelen 4:17, eerste lid, en 8:55d, tweede lid, van de Awb met zich brengt dat het bestuursorgaan slechts één dwangsom heeft verbeurd of kan verbeuren. De rechtbank is van oordeel dat hiervan ook sprake is in het geval van eisers. De dwangsom is daarom voor eisers gezamenlijk.
- De rechtbank wijst erop dat eisers wegens betalingsonmacht zijn vrijgesteld van het betalen van griffierecht, zodat de minister niet op grond van artikel 8:74 van de Awb griffierecht hoeft te vergoeden.
- Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,
- Toegekend wordt € 453,
- Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt de minister op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag van 3 april 2023 bekend te maken; bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 200,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 453,
- Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. van Lochem, rechter, in aanwezigheid van A.N. Egberink - Jonker, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister. ECLI:NL:RBOVE:2023:
- Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4403.