← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:9938

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL24.41068 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. J. Eliya), en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Op 15 maart 2024 is een aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf nareis ingediend. De minister heeft de beslistermijn op 29 maart 2024 verlengd naar zes maanden. De minister is in gebreke gesteld en die ingebrekestelling is op 30 september 2024 door de minister ontvangen. Op 21 oktober 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag. De minister is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Overwegingen

  1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
  2. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld, zodat daartegen op grond van artikel 8:1 van de Awb beroep kan worden ingesteld.
  3. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra: a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
  4. Uit artikel 2u, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 volgt dat de minister binnen 90 dagen na ontvangst van een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf een besluit bekend moet maken. Deze termijn kan worden verlengd met ten hoogste drie maanden. De minister heeft hiervan op 29 maart 2024 gebruik gemaakt. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden, dat de minister rechtsgeldig in gebreke is gesteld en dat meer dan twee weken later beroep is ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister. Het beroep is daarom kennelijk gegrond.
  5. Indien het beroep gegrond is, stelt de bestuursrechter ingevolge artikel 8:55c van de Awb desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast. 5.
  6. Eiser heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, met een maximum van 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. Dat staat in artikel 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb. 5.
  7. De minister heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit op grond van artikel 8:55c van de Awb nu alsnog. De dwangsom bedraagt het maximale bedrag van € 1.442,-.
  8. In artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien het beroep gegrond is en nog geen besluit bekendgemaakt is, de rechtbank bepaalt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. In het tweede lid is neergelegd dat de rechtbank aan haar uitspraak een nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Volgens het derde lid kan de rechtbank in bijzondere gevallen of indien naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.
  9. De rechtbank is van oordeel dat bij aanvragen om gezinshereniging bij een houder van een asielvergunning op dit moment sprake is van een bijzonder geval. Zij verwijst voor een uitgebreide motivering hiervan naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 17 maart
  10. Er is dan ook reden om met toepassing van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb een langere termijn dan twee weken op te leggen. De rechtbank ziet verder aanleiding om ook voor wat betreft de te bepalen termijnen aan te sluiten bij deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vindt de beslistermijnen die zittingsplaats Arnhem aan de verschillende fasen in de besluitvorming verbindt redelijk.
  11. Dat betekent in dit geval het volgende.
  12. Uit het dossier kan niet worden opgemaakt wat de huidige stand van zaken is. De rechtbank zal daarom bepalen dat de minister binnen een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend moet maken. Maar mocht de minister binnen die termijn besluiten tot nader onderzoek en eiser daar ook over berichten, dan moet de minister binnen twintig weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekendmaken.
  13. De rechtbanken hanteren bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom als beleid de hoofdregel dat de minister een dwangsom verbeurt van € 100,- voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, tot een maximum van € 15.000,-. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om van die hoofdregel af te wijken.
  14. De rechtbank wijst erop dat eiser wegens betalingsonmacht is vrijgesteld van het betalen van griffierecht, zodat de minister niet op grond van artikel 8:74 van de Awb griffierecht hoeft te vergoeden.
  15. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend: de bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,
  16. Toegekend wordt € 453,
  17. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; stelt de door de minister verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-; draagt de minister op om binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken. Als binnen die termijn wordt besloten dat nader onderzoek moet plaatsvinden en dit aan eiser wordt meegedeeld, dan moet het besluit binnen twintig weken na de dag van verzending van deze uitspraak bekend worden gemaakt; bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,
  18. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. van Lochem, rechter, in aanwezigheid van A.N. Egberink - Jonker, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister. ECLI:NL:RBDHA:2023:
  19. Rechtsoverweging 6 en verder. 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2643.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.