← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:9972

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.7631 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, V-nummer: [nummer] , (gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 28 oktober
  2. 1.
  3. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek. Beoordeling door de rechtbank Is het beroep ontvankelijk?
  4. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na het ontvangen van de aanvraag beslissen. De minister heeft deze termijn met negen maanden verlengd. Eiser heeft de minister bij brief van 29 januari 2025 in gebreke gesteld en vervolgens op 18 februari 2025 zijn beroep ingediend. Met het besluit van 11 december 2024, in werking getreden op 14 december 2024, heeft de minister een Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) ingesteld voor vreemdelingen uit Syrië. Met het BVM voor vreemdelingen uit Syrië heeft de minister de beslistermijn voor lopende asielaanvragen verlengd tot ten hoogste 21 maanden. Op het moment van indienen van de ingebrekestelling en het beroep was het door de minister ingestelde BVM al in werking getreden, waardoor de minister niet langer kan beslissen op de aanvraag en zowel de ingebrekestelling als het beroep te vroeg en dus prematuur zijn ingediend. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen voldoet daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen.
  5. De rechtbank merkt op dat eiser na het verstrijken van 21 maanden na de aanvraag, dus na 17 juni 2025, de minister in gebreke kan stellen. Dat is anders wanneer het BVM eerder eindigt dan 9 september
  6. In dat geval kan eiser de minister na het eindigen van het BVM in gebreke stellen. Conclusie en gevolgen
  7. Het beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft de proceskosten niet aan eiser te vergoeden. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van F.Q. Peters, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 42, eerste lid, van de Vw. Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb. Besluit van 11 december 2024 tot het instellen van een besluitmoratorium en een vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Syrië (Stscrt. 2024, 41538). Artikel 6:12 van de Awb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.