RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.21449 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.A. Weststrate). Procesverloop De minister heeft op 25 december 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 april 2025 (in de zaak NL25.16552) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. Eiser voert aan dat in het terugkeerbesluit is opgenomen dat eiser zijn ingestelde beroep en voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten en dat daarmee de minister eiser toegang tot Nederland heeft verleend. Subsidiair voert eiser aan dat hem in ieder geval op 2 mei 2025 toegang tot Nederland is verleend toen hij naar het ziekenhuis is overgebracht, en dat sindsdien de bewaring onrechtmatig is. De rechtbank verwijst voor haar oordeel over deze beroepsgronden naar wat zij hierover in haar uitspraken van 30 april 2025 en 31 januari 2025 heeft overwogen. In wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om nu anders te oordelen. Verder blijkt uit de op zitting geschetste gang van zaken over het ziekenhuisbezoek van 2 mei 2025 naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister het grensbewakingsbelang ondubbelzinnig heeft prijsgegeven. De minister heeft toegelicht dat eiser naar het ziekenhuis is gebracht voor een behandeling en dat hij na één uur en 45 minuten terug was in het detentiecentrum. Hieruit blijkt niet dat de minister het grensbewakingsbelang ondubbelzinnig heeft prijsgegeven. Eiser heeft deze stelling ook verder niet onderbouwd. Verder is het volgens eiser aan de minister te verwijten dat hij nog in bewaring verblijft nu de minister pas op 9 januari 2025 een aanvullend terugkeerbesluit naar Turkije heeft genomen op basis van de removal order. In de asielprocedure in september 2024 had de minister Turkije al kunnen opnemen als land van terugkeer. Dat eiser in januari 2025 rechtsmiddelen heeft ingesteld tegen het aanvullend terugkeerbesluit en dat de behandeling van het beroep door zittingsplaats Roermond nog niet op een zitting is gepland, kan hem niet worden aangerekend. Eiser doet een beroep op uitspraken van de rechtbank van 10 april 2025 en 23 april 2025 en stelt dat zijn verblijf in grensdetentie niet langer kan worden gezien als zo kort mogelijk als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Voor het procedureverloop verwijst de rechtbank naar overweging
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.