Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2026:10425
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.18118 en NL25.18122 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. M.K. Bhadai), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 september 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 april 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
Wat vindt eiser in beroep?
Ook verwijst eiser naar jurisprudentie van het EHRM. Het is daarnaast onevenredig om van eiser te verwachten dat hij terugkeert naar Suriname om een mvv-aanvraag te doen. Eiser heeft namelijk geen onderdak of sociaal netwerk in Suriname. Ook blijft referente dan in Nederland achter zonder zorg en ook is terugkeren financieel niet haalbaar. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2019. Daarnaast is het onredelijk hard om eiser terug te sturen. Eiser heeft namelijk medische stukken overgelegd en de IND had zelf ook onderzoek kunnen laten verrichten. Daarbij is de zorgbehoefte van referente voldoende toegelicht in de hoorzitting. Ook moet er van het beleid worden afgeweken in het kader van artikel 4:84 Awb.
De IND had daarnaast ambtshalve moeten beoordelen of verblijf op medische of humanitaire gronden mogelijk was, in de zin van artikel 3:4 Awb.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Geen vrijstelling mvv-vereiste 8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser op goede gronden niet vrijgesteld van het mvv-vereiste.
Verweerder wijst erop dat er subjectieve belemmeringen kunnen bestaan die de terugkeer naar het land van herkomst moeilijk maken. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat is om een passende woonruimte te vinden in Suriname. Niet is onderbouwd dat eiser, eventueel met behulp van familie of vrienden, geen woonruimte zal kunnen vinden. Daarbij heeft verweerder mogen meewegen dat eiser voor zijn komst naar Nederland op 27 februari 2023 in Suriname heeft gewoond en gewerkt. Ook heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser een sterke band met Suriname heeft en dat de omstandigheid dat referente de Nederlandse nationaliteit heeft in zijn voordeel werkt, maar nog niet betekent dat hij daardoor een sterke band met Nederland heeft en dat eiser zijn banden met Nederland niet met stukken heeft onderbouwd.
Tot slot heeft verweerder voorbij kunnen gaan aan de gestelde afhankelijkheidsrelatie, nu eiser in de gelegenheid is gesteld deze nader te onderbouwen maar dit niet is gebeurd (zie ook hierna onder 11).
Verweerder heeft er niet ten onrechte op gewezen dat dit het laatste objectieve bewijsstuk is omtrent de medische situatie van referente. Tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase heeft eiser toegelicht dat geen van de kinderen van zijn partner de zorg op zich kan nemen, de inzet van thuiszorg onvoldoende is en dat nachtzorg niet wordt geboden. Verweerder wijst er echter terecht op dat eiser de mogelijkheid heeft gekregen om zijn toelichting op de hoorzitting met bewijsstukken te onderbouwen. Eiser heeft naar aanleiding daarvan alleen een verslag overgelegd van zijn huisarts van 13 december 2024. Verweerder heeft er vervolgens op mogen wijzen dat dit verslag om een “subjectieve beschrijving van haar eigen situatie” gaat, zoals in het verslag is vermeld.
Verweerder heeft ook mogen betrekken dat de huisarts in datzelfde verslag aan referente heeft geadviseerd om een verslag op te vragen bij haar fysiotherapeut waarin het beloop van haar revalidatie na de knieoperatie staat beschreven, maar dat eiser geen recent verslag van de fysiotherapeut van referente heeft opgestuurd. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat niet is aangetoond dat de medische situatie van referente na haar ontslag uit het ziekenhuis en de revalidatiekliniek is verslechterd en dat zij niet zelfredzaam is. Ook heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken dat referente afhankelijk is van de ondersteuning van eiser of dat deze ondersteuning niet door derden kan worden gegeven.
Ambtshalve beoordeling verblijfsvergunning op medische of humanitaire gronden?
Beroep op artikel 4:48 van de Awb 14. Verweerder heeft mogen concluderen dat hij geen gebruik heeft hoeven maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de Awb. Verweerder heeft zich in het licht van het voorgaande op het standpunt mogen stellen dat er niet is gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden die onevenredig zijn in verhouding tot het gevoerde toelatingsbeleid.
Conclusie en gevolgen 15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 17 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), artikel 3.71 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
In de zin van artikel 3.71, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit.
In de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb.) Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1001.
Zie in dit kader de uitspraak van het Hof van Justitie van 7 augustus 2018, ECLI:EU:C:2018:632, punt 80 (Yön).
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.