ECLI:NL:RBDHA:2026:10506
Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 25-108 Zaaknummer: C/09/678238 Datum beschikking: 24 maart 2026 Echtscheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 7 januari 2025 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. R.G. Groen te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. C. Car te Den Haag.
Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het F9-formulier van 16 januari 2025 van de vrouw, met bijlagen; het F9-formulier van 3 februari 2025 van de vrouw; het aanvullend verzoekschrift van de vrouw; het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek van de man; het verweer van de vrouw tegen het zelfstandig verzoek van de man, tevens aanvullend verzoekschrift van de vrouw; het verweer van de man tegen het aanvullend verzoek van de vrouw, tevens zelfstandig verzoek van de man; het F9-formulier van 12 februari 2026 van de vrouw, met bijlagen.
De [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken, maar hebben hier geen gebruik van gemaakt.
Op 24 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; [naam 1] , waarnemend voor de advocaat van de man; [naam 2] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen op de zitting.
Feiten
Verzoek en verweer Het verzoek van de vrouw – na aanvulling – strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot: vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw; primair: opneming van de door de vrouw / partijen opgestelde onderlinge regeling van de betrekkingen van partijen na de echtscheiding ter zake van de zorg- en contactregeling en overige voorzieningen voor de minderjarigen, zoals neergelegd in het aan het verzoekschrift aangehechte concept-ouderschapsplan; subsidiair: vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen bij de man zijn:
De man voert – onder referte van de echtscheiding en de hoofdverblijfplaats – verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling Echtscheiding Ontvankelijkheid Partijen hebben geen (getekend) ouderschapsplan ingediend zoals volgens artikel 815 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is vereist.
De vrouw heeft wel een (concept) ouderschapsplan overgelegd, maar deze is niet door partijen getekend. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat partijen het op een aantal punten niet eens zijn geworden. Hierdoor is het niet mogelijk voor hen om een (getekend) ouderschapsplan in te dienen. De rechtbank zal daarom voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815, tweede lid, Rv en partijen ontvankelijk verklaren in hun verzoeken tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en hebben beiden een verzoek tot echtscheiding gedaan. Deze verzoeken tot echtscheiding kunnen als op de wet gegrond worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats Wettelijk kader Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen daaromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Nu een schikking op de voet van het vijfde lid van dat wetsartikel tussen de ouders mogelijk is gebleken, zal de rechtbank de tussen de ouders bereikte overeenstemming vastleggen in het dictum van deze beschikking, zoals hierna vermeld.
Inhoudelijke beoordeling De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De man stemt in met het verzoek van de vrouw. De rechtbank zal het verzoek als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, nu het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet.
Zorgregeling en informatie- en consultatieregeling Wettelijk kader Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen daaromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Nu tijdens de mondelinge behandeling een schikking op de voet van het vijfde lid van dat wetsartikel tussen de ouders onmogelijk is gebleken, zal de rechtbank een beslissing nemen die haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling Volgens de vrouw komt de man de voorlopige zorgregeling niet na. Hij ziet de jongste twee kinderen bijna niet en haalt de oudste twee kinderen wel eens op voor een paar uur, maar niet op de afgesproken tijden op zondag. De vrouw stelt dat de kinderen behoefte hebben aan structuur en regelmaat, waarbij zij op vaste dagen naar hun vader gaan. Ook willen zij graag bij de man slapen. De woning van de man is hiervoor geschikt. Hij beschikt over drie slaapkamers, terwijl de kinderen bij de vrouw op één slaapkamer slapen. De vrouw is van mening dat de man zowel mentaal als fysiek in staat is om de verzochte zorgregeling na te komen. Daarbij heeft zijn zus aangegeven dat zij hem in de zorgregeling – waar nodig – kan ondersteunen.
De man stelt dat hij medische beperkingen heeft, waardoor het per dag verschilt wat hij wel en niet kan. Hij ervaart ernstige fysieke en cognitieve klachten, waarbij hij zeer vergeetachtig is. De man krijgt dagelijks thuiszorg. Gelet op zijn medische situatie kan hij geen uitvoering geven aan de zorgregeling, zoals door de vrouw verzocht. Daarnaast is zijn woning ook niet geschikt voor de kinderen om te overnachten. De kinderen zijn gewend aan de situatie dat de man hen ophaalt als hij daartoe lichamelijk in staat is. Op die manier ervaren zijn regelmaat.
Uit de stukken en op de zitting is de rechtbank het volgende gebleken. De man leeft de voorlopige zorgregeling niet na. Zijn advocaat heeft op de zitting toegelicht dat dit komt door zijn medische situatie. De vrouw betwist dat de man niet in staat is de voorlopige zorgregeling uit te voeren. Zij wijst erop dat de man in het verleden wel op vaste tijdstippen voor zijn moeder en zus kon zorgen en dat hij ten tijde van de zitting een reis naar [plaats 2] aan het maken was, wat ook de nodige energie kost. Zoals op de zitting besproken, is het belangrijk dat de man evenveel aandacht geeft aan alle vier de kinderen. De twee jongste kinderen missen hem heel erg en hebben net als de twee oudste kinderen zijn aandacht nodig. De Raad heeft het belang hiervan onderstreept en maakt zich hier zorgen over.
De rechtbank betreurt het ten zeerste dat de man niet op de zitting is gekomen om zijn kant van het verhaal te vertellen. Daardoor heeft de rechtbank op dit moment onvoldoende zicht op de (on)mogelijkheden aan de zijde van de man en wat maakt dat hij de minimale voorlopige zorgregeling niet nakomt. Ook heeft zij geen zicht op wat er tussen partijen op de achtergrond speelt. Op de zitting is dan ook besproken dat een onderzoek door de Raad helderheid zou kunnen verschaffen over wat er speelt tussen partijen en wat de (on)mogelijkheden van de man zijn in het contact met de kinderen. Daarbij kan een netwerkberaad door de Raad worden georganiseerd, waar de zus en moeder van de man bij worden betrokken, om te kijken of zij een rol kunnen spelen in het realiseren van de zorgregeling. Partijen zijn akkoord met een raadsonderzoek.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank op grond van artikel 810, eerste lid, BW, een raadsonderzoek gelasten. Bij dit raadsonderzoek zal ook het verzoek van de man om een informatie- en consultatieregeling vast te leggen, worden betrokken. De vrouw is van mening dat het opleggen van een dergelijke regeling niet nodig is, omdat hij de kinderen frequent kan zien en hij als gezaghebbende ouder zelf informatie bij derden kan opvragen.
De rechtbank verzoekt de Raad op basis van onderstaande vragen een advies uit te brengen:
Welke zorgregeling is in het belang van de kinderen?
Is het in het belang van de kinderen nodig dat er een informatie- en consultatieregeling wordt vastgesteld?
Zijn er zorgen over de ontwikkeling van de kinderen en zo ja, welke zorgen en is daarvoor hulpverlening geïnitieerd?
De rechtbank zal de beslissing ten aanzien van de (definitieve) zorgregeling en de informatie- en consultatieregeling pro forma aanhouden tot 1 oktober 2026, in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij een voorlopige zorgregeling zal vaststellen, conform hetgeen de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bepaald in het vonnis van 14 oktober 2025, welke is hersteld bij vonnis van 26 november 2025 van deze rechtbank. De rechtbank gaat ervan uit dat de man deze voorlopige zorgregeling nakomt en dat hij contact opneemt met de vrouw als het hem niet lukt om op de afgesproken tijden er voor de kinderen te zijn.
Kinderalimentatie De rechtbank constateert dat zij onvoldoende informatie heeft over de financiële situatie van de man. De man staat mogelijk onder beschermingsbewind. In dat geval dient de bewindvoerder van de man in deze procedure over de kinderalimentatie te worden betrokken. De rechtbank heeft hier echter geen stukken van gezien. Daarnaast voert de man aan dat hij schulden heeft en een WIA-uitkering ontvangt. Ook hiervan heeft de man geen financiële stukken overgelegd. Tot slot heeft de man volgens de vrouw één of meer ondernemingen op zijn naam staan. De rechtbank heeft hier ook geen informatie van de man over ontvangen.
De rechtbank draagt de man op om schriftelijke informatie te verschaffen met betrekking tot de hiervoor genoemde punten en zal daarom de beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie zal de rechtbank pro forma aanhouden tot 1 oktober 2026.
Beslissing De rechtbank: * spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, met elkaar gehuwd op [datum] 2012 te [plaats 1] ; * bepaalt dat de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] ; [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] ; [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2021 te [geboorteplaats] ; [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2023 te [geboorteplaats] ; hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw; * bepaalt een voorlopige zorgregeling, inhoudende dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de ene week op zondag van 15:00 uur tot 19:00 uur bij de man zijn en dat [minderjarige 3] en [minderjarige 4] de andere week op zondag van 15:00 uur tot 19:00 bij de man zijn; * bepaalt dat de man – twee weken vóór het verstrijken van de hierna te noemen pro forma datum – de verzochte informatie dient te verschaffen ten aanzien van de kinderalimentatie, zoals in het lichaam van deze beschikking omschreven; * verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen; * bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken zal toesturen aan de Raad voor de Kinderbescherming; * houdt de behandeling aan tot 1 oktober 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten; * bepaalt dat de behandeling ter terechtzitting, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum en tijdstip in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming; * verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad; * houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de definitieve zorgregeling, de informatie- en consultatieregeling en de kinderalimentatie aan in afwachting van het raadsonderzoek en de te verkrijgen (financiële) informatie, zoals aan de man verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 24 maart 2026.