← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2026:1057

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 24.3435 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Karkache), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van verweerder van 7 februari
  2. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat de zaak over?
  3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming gekregen op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). 3.
  4. Op 7 februari 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. 3.
  5. Op 16 juli 2025 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is beëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft verweerder aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 was volgens verweerder prematuur genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf had. Verweerder heeft het besluit van 7 februari 2024 ingetrokken en onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Awb vervangen met het bestreden besluit van 16 juli
  6. Wat vindt eiser in beroep?
  7. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat hij onder de tijdelijke bescherming van de RTB valt. Verweerder maakt ten onrechte onderscheid in nationaliteit tussen Oekraïners en derdelanders, terwijl beide groepen voor de oorlog in Oekraïne zijn gevlucht. Verweerder heeft dan ook onterecht vastgesteld dat er sprake is van onrechtmatig verblijf. Wat is het oordeel van de rechtbank? Ontvankelijkheid
  8. De rechtbank beschouwt het terugkeerbesluit van 16 juli 2025 als vervangend besluit van het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het terugkeerbesluit van 16 juli 2025 op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb inhoudelijk beoordelen. 5.
  9. Nu verweerder het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen dit besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging
  10. Opleggen terugkeerbesluit 16 juli 2025
  11. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Eiser heeft op 12 augustus 2025 met IOM de lidstaten verlaten, hij is namelijk uitgereisd naar Marokko.
  12. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat er sprake is van procesbelang als eiser met de behandeling van het beroep nog kan bereiken wat hij met het instellen van beroep wilde bereiken. Van procesbelang kan ook sprake zijn als er schade is geleden door het besluit. Dan is wel vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat de gestelde schade daadwerkelijk het gevolg is van het besluit. In alle gevallen moet het gaan om een actueel en reëel belang bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep.
  13. De rechtbank stelt vast dat eiser reeds gevolg heeft gegeven aan de aan hem opgelegde terugkeerverplichting. Eiser is immers zelfstandig vertrokken uit Nederland. De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog belang heeft bij het aanvechten van het terugkeerbesluit, nu hij al is vertrokken. Uit de door verweerder op 12 september 2025 overgelegde uitdraai lijkt bovendien opgemaakt te kunnen worden dat het terugkeerbesluit op 2 september 2025 is ingetrokken. Eiser is bij brief van 17 september 2025 verzocht om te reageren op de mededeling over de vrijwillige terugkeer en te laten weten of dit aanleiding vormt om het beroep in te trekken. Door eiser is hierop niet gereageerd. Eiser heeft evenmin aangevoerd welk belang hij nog heeft bij de inhoudelijke behandeling van het beroep. Verder is niet gesteld of gebleken dat eiser schade heeft geleden als gevolg van het besluit. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Conclusie en gevolgen
  14. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 is niet-ontvankelijk.
  15. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 16 juli 2025 is ook niet-ontvankelijk.
  16. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk; verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 16 juli 2025 niet-ontvankelijk; veroordeelt verweerder tot betaling in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari
  17. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank, waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift bij deze rechtbank indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak ziet u hierboven vermeld staan. Als u graag een zitting wilt om uw verzetschrift toe te lichten, dient u dit in uw verzetschrift te vermelden. Algemene wet bestuursrecht (Awb). Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen. Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3557; uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:
  18. Uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1332; uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:497.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.