Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2026:10737
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/1659 uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 maart 2026 in de zaak tussen [naam], uit [woonplaats], verzoekster en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv ([gemachtigde]).
Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de beslissing van 1 augustus 2025. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Het Uwv heeft in het bestreden besluit het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Dat betekent dat de beslissing dat verzoekster vanaf 2 april 2025 geen recht heeft op een Ziektwet-uitkering is gehandhaafd. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.3.
Verzoekster verzoekt de voorzieningenrechter om het Uwv op te dragen een voorschot op de Ziektewet-uitkering uit te keren dan wel een andere passende uitkering te betalen totdat in de bodemprocedure is beslist. Verzoekster verzoekt ook een voorlopig voorschot uit te keren over de periode waarin verzoekster ten onrechte zonder uitkering is gelaten.
Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Verzoekster heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht voor het griffierecht. De voorzieningenrechter wijst dit toe. Verzoekster hoeft wegens betalingsonmacht het griffierecht dus niet te betalen.
8.1.
Verzoekster heeft stukken overgelegd betreffende haar financiële situatie. Zes van de acht e-mails heeft verzoekster reeds overgelegd in de eerdere voorlopige voorziening met zaaknummer SGR 26/88. In de uitspraak van 12 februari 2026 oordeelde de voorzieningenrechter dat op basis van deze stukken niet kon worden vastgesteld dat verzoekster zich in een financiële noodsituatie bevindt. Nieuw zijn enkel de e-mails van 16 februari 2026 en 5 maart 2025, waaruit blijkt dat verzoekster ook op die datums de huur niet had voldaan. Deze stukken wijzen enkel op een voortzetting van de betalingsachterstand van verzoekster, en dus niet op een belangrijke wijziging van relevante feiten en omstandigheden.
8.2.
Verzoekster heeft verder geen stukken overgelegd ter onderbouwing van een nieuwe relevante wijziging in haar betalingsonmacht. Dat verzoekster een nieuwe ziekmelding bij het Uwv heeft gedaan acht de voorzieningenrechter ook niet relevant om een acute financiële noodsituatie vast te stellen. De voorzieningenrechter merkt ten overvloede op dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij geen recht op een bijstandsuitkering heeft. De mogelijkheid om een bijstandsuitkering aan te vragen is relevant voor de beoordeling van een acute financiële noodsituatie, omdat het een reële optie kan zijn om het bestaansminimum te waarborgen. Dat verzoekster een bijstandsuitkering niet passend acht omdat het geschil haar aanspraak op werknemersverzekeringen betreft, brengt hier op zichzelf geen verandering in.
Conclusie en gevolgen 10. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep van 7 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2141.