Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2026:130
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.60736 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres mede namens haar minderjarige dochter [naam] (gemachtigde: mr. J. de Jong), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 december 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiseres is het met dat besluit niet eens en heeft beroep ingesteld.
Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Totstandkoming van het besluit 5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Beroepsgronden 7. Niet in geschil is dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Eiseres vindt dat verweerder haar asielaanvraag toch (onverplicht) in behandeling moet nemen en doet daarbij een beroep op artikel 17 van de Dublinverordening. Zij vreest dat de Duitse autoriteiten zich niet zullen houden aan hun verplichtingen en dat een eventueel daartegen in te dienen klacht niet serieus zal worden genomen. Zij vreest ook dat haar asielaanvraag door de Duitse autoriteiten zal worden afgewezen, waarmee de kans op refoulement aanwezig is. Eiseres merkt daarbij op dat haar problemen complex zijn en wenst dat de Nederlandse autoriteiten haar asielaanvraag toch inhoudelijk behandelen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel 8. Uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Van dit uitgangspunt kan alleen worden afgeweken wanneer in Duitsland sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen. Het is aan eiseres om dat aannemelijk te maken. Bij deze beoordeling is ook het arrest Jawo van belang. Uit dat arrest blijkt dat, als er sprake is van structurele tekortkomingen, die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel moeten bereiken om onder het bereik van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest te vallen.
Conclusie en gevolgen 11. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiseres kan worden overgedragen aan Duitsland.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 6 januari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Verordening (EU) nr. 604/2013 Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:2018 Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden Handvest van de grondrechten van de Europese Unie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359